1.
Kom, zei de Muze,
Zing thans een lied door geen dichter nog gezongen,
Zing thans het lied des Heelals.
In deze onze ruwe aarde,
Middenin den onpeilbaren chaos,
Verborgen en veilig in haar hart,
Kiemt het zaad der volmaaktheid.
In allen leven kiemt dit zaad,
Geen geboorte zonder de ontkieming van dit zaad, verborgen
of zichtbaar, dit zaad ontvangt bloei.
2.
Heil U, waakzame, hoogstrevende wetenschap,
Gij die, als van hooge bergtoppen, het jonge leven overziet,
En verder steeds en verder Uw uitkomsten bevestigt.
Maar heil, heil, heil der ziele, die alle wetenschap overtreft,
Voor haar heeft de wereldgeschiedenis zich als een schel om
den aardkloot gelegd,
Voor haar wentelen alle sterren-myriaden door 't Heelal.
Voor haar, spiralend omhoog en breed van slagen,
(Of als een schip op zee, dat vaak boegseert)
Vloeit wat vergankelijk is uit in het Eeuwige
En strekt de realiteit zich uit naar 't ideaal.
Voor haar de ontwikkeling van het al, die niet in wezen, wèl
in schijn wordt gekend,
En rechtvaardiging is niet enkel van het goede, maar van
wat wij slecht noemen tevens.
Eenmaal werpt ieder den mom af, wat deze ook waard zij,
Eenmaal bloeit er heil uit alle verzwering, eenmaal vreugde
uit list, bedrog en tranen,
Heil waar de kracht aan ontspringt en vreugde, vreugde des
Heelals.
Uit het gros, uit het ongezonde, uit het onbeteekenende,
Uit de middelmatige meerderheid, het talloos-vake bedrog
van menschen en volken,
Ontspringt het goede,
Alom dan het goede, electrisch, bederfwerend, alles doordringend,
alles vervullend.
3.
Boven de berghoogten van kwalen en smarten,
Fladdert, fladdert en zweeft een nooit-gelamde vogel
Hoog in de reine sferen des geluks,
Door de duisterste wolken der onvolkomenheid,
Breekt altijd een glimp van 't reinste licht der zon,
Een straal der hemel-heerlijkheid-zelve.
In de wangeluiden van zeden en gebruiken
In het dolle Babyloonsch geraas, in oorverdoovende orgiën,
Elk getier overruischende, wordt een toon gehoord, en niet
meer dan vernomen,
Van 't koorgezang der eeuwen in verre hemelgewesten gezongen.
O, de zegenvolle oogen, o, de gelukkige harten
Die in 't geweldig labyrinth,
Den teederen leiddraad zien en volgen kunnen.
4.
En gij, Amerika,
Als bekroning van het godsplan, in zijn overleg en in zijn
uitvoering,
Zijt gij--en niet om U zelfs wil--tot leven geroepen.
Want ook gij omvat alles,
Gij torscht en ontvangt alles en begroet alles, ook langs
paden breed en nieuw
Wendt gij U naar 't Ideaal.
De tamme idealen van andere landen, de grandeurs van het
verleden,
Zijn niet voor U, gij hebt Uw eigen grandeurs van dezen dag.
Goddelijk vertrouwen en grootheid die alles omvatten en
verklaren,
En dit alles bereikbaar voor allen.
Alles en allen om der wille der onsterflijkheid,
Liefde evenals licht verwint het Al stilzwijgend,
En de voortdurende verheffing der natuur beschenkt het Al
met haar zegeningen,
De bloesem draagt vrucht, de vrucht der eeuwen rijpt, de
gaarden worden godstuinen, de oogst is zeker,
Aldus rijpt alles: vormen, voorwerpen, ontwikkeling, menschheid
tot het leven der zaligheid,
Geef dan, o God, mij altijd die gedachte, opdat altijd mijn
ziel hoog zij en zinge,
Geef mij, geef hem of haar, die ik liefheb dit onvernietigbaar
geloof,
In Uw Heelal, wat gij ons ook onthoudt, onthoud ons niet
het geloof in Uw Godsplan, dat tijd en ruimte vervult,
Het geloof in Heil, Vrede, volkomen Verlossing!
Is dit een droom?
Neen, het ongeloof is een droom,
En in de ontkenning is de leer en rijkdom des levens een
droom,
En de geheele wereld een droom.