1.
Een lied van de wentelende aarde, in woorden die met haar
harmonieeren,
Dacht gij dat dit de woorden zijn, deze rechtoppe-lijntjes,
deze boogjes, hoekjes, en stipjes?
Neen, dat zijn de woorden niet, de echte woorden zijn in de
aarde en in de zee,
Zij zijn in de lucht, zij zijn in U.
Dacht gij dat deze woorden de liefelijke klanken zijn door
den mond uws vriends gesproken?
Neen, de ware woorden zijn liefelijker dan deze.
Menschenlijven zijn woorden, myriaden woorden,
(In de beste gedichten ziet gij altijd het lijf van man of
vrouw, altijd welgevormd, natuurlijk, levensvol,
En elk deel vol kracht om te geven of te ontvangen zonder
schaamte of reden tot schaamte.)
Lucht, aarde, water, vuur--de elementen zijn de woorden,
Ik zelf ben een woord met dezen--mijne krachten vloeien
samen met de hunne--mijn naam is voor hen een niets,
Al wierd mijn naam ook genoemd in de drie duizend talen,
wat zouden lucht, aarde, water, vuur weten van mijn naam?
Een gezond gezicht, een vriendelijk bemoedigend gebaar zijn
woorden, en zij zijn welsprekendheid en wijsheid,
De bekoring van den oogopslag van sommige mannen en
vrouwen, ook zij is vol welsprekendheid en wijsheid.
Het werk waaruit de ziel spreekt is het poëem dier onhoorbare
woorden der aarde,
De meesters kennen die aarde-woorden en zeggen daarin
meer dan in hoorbare woorden.
De aarde ontbloot haar schoonheid niet doch weigert ook niet
haar schoonheid te ontblooten, niettemin is haar onzichtbaar
leven het schoonste,
Dring in haar door en gij verneemt luid-hoorbare klanken,
het verheven koorgezang der helden, de weeklachten der
slaven,
De eeden der liefde, vervloekingen, doodsnikken van stervenden,
gelach van jongelieden, geschreeuw van markters,
Dring in haar door om de sleutelwoorden te kennen die
nooit missen.
De woorden der welsprekende, stomme eeuwe-moeder tot
hare kinderen missen nooit,
De echte woorden missen nooit, want de slag mist nooit en
de terugslag mist nooit,
Aldus ook missen nimmer de dag en de nacht, evenmin als
onze reis door de eeuwigheid mist.
Het Godsschip bevaart de Godszee,
Rondwentelend, staag, om nimmer te vergaan,
Zonneschijn, storm, koude, hitte voor altijd weerstaat, voorbij
snelt, draagt het dezen,
De waarheid en de bestemming der ziel bevat het,
Het vloeiende ledig in 't rond en vooruit klieft en doordringt
het,
En steeds voort, door geen tegenspoed opgehouden, door
geen anker vastgehouden, door geen klip geraakt,
Vlug, vroolijk, voldaan, niets dervende, niets verliezende,
Elk oogenblik in staat en bereid het logboek open te slaan,
Het Godsschip bevaart de Godszee.
2.
Wie gij ook zijt! Slag en terugslag zijn bepaaldelijk voor U,
Het Godsschip bevaart de Godszee voor U.
Wie gij ook zijt! Gij zijt de man of de vrouw voor wie de
aarde vast en vloeibaar is,
Gij zijt de man of de vrouw voor wie zon en maan daar zijn
in het firmament,
Voor niemand eerder dan voor U is het heden en het verleden,
Voor niemand zekerder dan voor U is de onsterflijkheid.
Ieder man is voor zich en iedere vrouw is voor zich het sleutelwoord
van verleden en heden en dat der onsterflijkheid;
Niet een kan daar verwerven voor den ander--niet een,
Niet een daar leven voor den ander--niet een.
Het gezang is voor den zanger en komt tot hem terug,
Het onderwijs is voor den onderwijzer en komt tot hem terug,
De moord is voor den moordenaar en komt tot hem terug,
De diefstal is voor den dief en komt tot hem terug,
De liefde is voor hem die liefde geeft en komt tot hem terug,
De gift is voor den gever en komt tot hem terug--het
kan niet missen,
De redevoering is voor den redenaar, het spel is voor den
tooneelspeler en speelster niet voor het gehoor,
En geen mensch verstaat grootheid en goedheid dan de zijne
of die door de zijne wordt verklaard.
3.
Ik zweer de aarde zal gewis hem of haar volkomen zijn die
zelf volkomen is,
En de aarde zal gehavend en gebroken blijven hem of haar
die zelf gehavend en gebroken blijft.
Ik zweer daar is grootheid noch vermogen die wedijvert met
de grootheid en het vermogen der aarde,
Daar kan geen leer welke ook zijn, ten ware zij worde bevestigd
door die der aarde,
Geen staatkunde, poëzie, religie, zede of wat ook, tenzij
gegrondvest in de aarde,
Tenzij oog in oog met de stiptheid, levenskracht, onpartijdigheid,
rechtschapenheid dezer aarde.
Ik zweer ik zie in de liefde liefelijker krampen dan die de
liefde oproept,
Het is zelf-bezit dat nooit lokt of afwijst.
Ik zweer ik zie weinig of niets meer in hoorbare woorden,
't Vloeit alles opwaarts tot de ongezegde waarheden dezer
aarde,
Tot hem die zingt de zangen des lijfs en zegt de waarheden
der aarde,
Tot hem die woordenboeken maakt van de woorden die aan
den druk ontsnappen.
Ik zweer ik zie wat daar beter is dan het beste te noemen,
Het is het beste altijd en immer ongenoemd te laten.
Zoodra ik mij ondersta het beste te noemen merk ik mijn
krachteloosheid,
Dan ligt mijn tong verlamd onder mijn verhemelte,
Dan weigert mijn adem mijne longen te vullen,
Ik word met stomheid geslagen.
Het beste der aarde kan niet, kan nooit genoemd worden,
alles en ieder is het beste,
Dat beste is niet wat gij vermoeddet, het is veiler, lichter,
nader,
Niets behoeft er voor uit zijn natuurlijke voegen te worden
gelicht,
De aarde is even zeker en direct nu als zij was voorheen,
Feiten, religiën, vooruitgang, beleid, handel en wandel zijn
nu zoo reëel als voorheen,
En ook de ziel is reëel, ook zij is zeker en direct,
Geen preek of proef heeft haar bewezen,
Onloochenbare vooruitgang bewijst haar.
4.
Dat dan in deze zangen weergalmen de klanken der ziel en
de melodieën der ziel,
(Indien zij niet den weergalm bevatten van de melodieën der
ziel, wat zouden zij dan zijn?
Indien zij niet leven waren direct van uw leven, wat zouden
zij dan zijn?)
Ik zweer voortaan zal ik niets meer gemeen hebben met den
godsdienst die het beste noemt,
Ik wil enkel gemeen hebben met den godsdienst die het beste
ongemoeid laat.
Spreekt sprekers, zingt zangers!
Delft diep, vormt groot, stapelt hoog de woorden der aarde!
Arbeidt, eeuwen na eeuwen, want niets zal verloren gaan,
Misschien zal uw arbeid lang hebben te wachten, maar zeker
zult gij er de wel-daad van zien,
Wanneer de bouwstoffen allen bereid en gereed zijn, zullen
de bouwmeesters verschijnen.
Ik zweer U, de bouwmeesters zullen verschijnen onafwijsbaar,
Ik zweer U, dat zij U zullen verstaan en rechtvaardigen,
De verhevenste onder hen zal hij zijn die U het beste van
allen verstaat, en die allen verklaart en allen getrouw is,
Hij en zijne makkers zullen U niet vergeten, zij zullen inzien,
dat gij niet een jota minder zijt dan zij zelven,
In hen en door hen zult gij volkomen verheerlijkt worden.