1.
Een lied voor den arbeid!
In den arbeid van machines en in den handarbeid en in den
arbeid op de velden vind ik de verklaring der godskrachten,
Vind ik de godskracht zelf.
Arbeiders en arbeidsters!
Indien alle geleerdheid en haar nut en haar fraai mij ontstraalde,
zou dat dan veel zijn?
Indien ik een geleerd professor, een liefdadig landheer, een
wijs staatsman ware, zou dat dan veel zijn?
Indien ik U was wat de patroon is die U in dienst neemt en
betaalt, zou U dat bevredigen?
De geleerde, de brave, de weldadige en dan nog dit: de
banaliteit,
Neem een man als ik: geleerd, braaf noch weldadig misschien,
maar de banaliteit verre.
Ik dienaar noch meester,
Ik verlang niet eerder het vele dan het weinige, wie ook
van mij geniet, ik verlang slechts wat mij toekomt,
Ik wil uw gelijke zijn en gij zult mijn gelijke zijn.
Indien gij aan de werkbank staat in de werkplaats, sta ik U
zoo na als de naaste aan dezelfde bank,
Indien gij uw broeder of liefsten vriend beschenkt vraag ik
van U hetzelfde als gij aan broeder of liefsten vriend
schenkt,
Indien uw minnaar, man, vrouw u dag en nacht lief is, moet
ik persoonlijk U even lief zijn,
Indien gij geschandvlekt, misdadig, ongelukkig wordt, zal ik
dat worden om uwentwil,
Indien gij U uwe dwaze wetschennende daden herinnert,
zult gij dan denken dat ik mij niet herinner mijne eigen
dwaze, wetschennende daden?
Indien gij in het drinkgelag aan tafel zit, zit ik in het
drinkgelag tegenover U aan die tafel,
Indien gij een vreemde ontmoet in de straten en hem of
haar uw liefde schenkt, o ik ontmoet vele vreemden en
schenk hun mijn liefde,
Nu, wat denkt gij dan van U-zelf?
Hebt gij gering gedacht van U-zelf?
Hebt gij den President hooger gesteld dan U-zelf?
Of den rijke er beter aan toe dan gij? Of de geschoolde
wijzer dan gij?
(Omdat uw gezicht vuil of puistig is, of omdat gij eens dronken
of een dief waart,
Of omdat gij ziekelijk, of rheumatisch, of een lichtekooi zijt,
Of omdat uw kracht gering is of gebroken, of omdat gij geen
vat vol geleerdheid zijt en uw naam nooit gedrukt hebt
gezien,
Leidt gij daarvan af, dat gij iets minder onsterflijk zijt?)
2.
Zielen van mannen en vrouwen! U noem ik niet onzichtbaar,
onhoorbaar, ongevoelig en onvoelbaar,
Ik zal mij niet bemoeien voor of tegen U te pleiten om uit
te maken of gij al dan niet bestaat,
Ik erken openlijk wie gij zijt, al erkent niemand anders dat.
Volwassen, halfwassen, kind, van dit volk of elk ander volk,
in huis of buitenshuis, ik zie in den een dezelfde waarde
als in den ander,
En ik zie al het andere door hen heen en achter hen.
Ik zie de vrouw en zij is geen zier minder dan haar man,
Ik zie de dochter en zij is even goed als de zoon,
Ik zie de moeder en zij is de volkomen gelijke van den
vader.
Kinderen van den onwetende en den behoeftige, knapen die
opgeleid worden in een vak,
Jonge mannen die bij den boer werken en oude mannen die
bij den boer werken,
Matrozen, sjouwers, kustvaarders, landverhuizers,
Ik zie ze allen en zij zijn mij na, ik zie ver weg anderen en
zij zijn mij na,
Niet een ontgaat mij, en niet een wenscht mij te ontgaan.
Ik breng U wat gij 't meeste behoeft en toch steeds hebt
bezeten,
Het is geen geld, amours, kleed, eten, geleerdheid, maar het
is even goed,
Ik zend geen zaakwaarnemer of tusschenman, bied U geen
wissel van de waarde aan, maar geef U de waarde zelf.
Daar is iets dat den mensch invloeit nu en steeds,
Niet in gedrukte woorden, noch in gepreekte of gepraten
woorden kan men 't vinden, het ontsnapt aan die woorden,
Niet in een boek, niet in dit boek is 't te vinden,
Wie gij ook zijt het is 't uwe, het 'is niet verder van U dan
uw gehoor of uw gezicht,
Wat U het naaste, het gewoonste, het gereedste is spreekt er
U van en daaruit komt het U immer te gemoet.
Lees in vele talen, toch leest gij hierover niets,
Lees de Boodschap van den President en gij leest ook
daarin niets hier over,
Niet in de rapporten van het Binnenlandsch Ministerie of
van het Ministerie van Financiën, niets in dagbladen of
weekbladen,
Niets in de belasting- of pensioenberichten, niets in de prijsnoteeringen
of de mededeelingen van de Beurs.
3.
De zon en de kringloopende sterren in het firmament,
De appelvormige aarde en wij met ons leven van die aarde,
het is grootsch in zijn eeuwig gedobber,
Ik weet niet wàt het is behalve dat het grootsch is en dat
het geluk is,
En dat de beteekenis van ons leven niet ligt in een bespiegeling
of een bon-mot of eenig onderzoek,
En dat het niet iets is, dat bij geluk ten goede kan keeren
en bij ongeluk ons kan ontgaan,
En niet iets, dat wij door een of andere omstandigheid
kunnen verliezen,
Het licht en de schaduw, de wonderbare beteekenis van het
lichaam en zijn identiteit met de ziel, de tuk die met
volkomen bereidwilligheid alle aardsche dingen verslindt,
De alomvattende fierheid en het kunnen van den mensch,
zijn onuitsprekelijke vreugden en smarten,
Het wonder dat iedereen ziet in iedereen dien hij ziet en
de wonderen die elke minuut der komende tijden van zich
zullen vervullen,
Wat is het doel van dit alles, dacht gij, Camerado?
Dacht gij dat het enkel was voor uw handwerk of landwerk?
of voor de winsten van uw winkel?
Of om U aan een of andere betrekking te helpen? Of voor
een spelletje in het beuzeluur van dezen heer en die
dame?
Hebt gij gedacht dat het landschap leven, vorm en kleur had
enkel om in een schilderij geschilderd te worden?
En dat de menschen leefden enkel opdat men hun leven
konde beschrijven of bezingen,
Of dat de zwaartekracht en de natuurwetten en de harmonieuze
samenstelling van het Heelal en de luchtstroomingen
enkel waren om aan schoolmeesters geleerdheid te
verschaffen?
Of dat het bruine land en de blauwe zee waren voor de
atlassen en de landkaarten?
Of de sterren om in sterrengroepen verdeeld te worden en
dan aangeduid bij fantasie-namen?
Of dat de groei en ontluiking der zaden zijn voor landbouwkundige
tabellen of den landbouw zelf?
Oude instellingen, kunsten, boeken, verhalen en de vaardigheid
in een beroep, zullen wij dit alles hoog stellen?
Zullen wij ons eigendom, onzen handel hoog stellen? Ik heb
er niets tegen.
Ik stel dit alles even hoog als het hoogste--maar boven dit
hoogste stel ik het kind dat geboren wordt van eene
vrouw en een man.
4.
De som van al wat eerbied verdient tel ik op in U, wie gij
ook zijt,
De President bevindt zich in het Witte Huis om uwentwil,
gij zijt niet hier ter wille van hem,
De secretarissen arbeiden in hun bureaux voor U, gij arbeidt
niet voor hen,
Het Congres vergadert elke Twaalfde Maand voor U,
Wetten, hoven, staatsconstituties, stedelijke charters, het
komen en trekken van handel en verkeer, dit alles is
voor U.
Luistert goed, lieve discipelen,
Leer, staatkunde, beschaving vloeien uit U,
Standbeelden en monumenten en alle roem-inschriften waar
ook zijn gehouwen in U,
De waarde van geschiedenis en statistiek, zoo ver als haar
geest het verleden mag zijn doorgedrongen, bevindt zich
dit uur in U en die van mythen en verhalen evenzoo,
Indien gij op dit oogenblik geen adem haddet en geen
kracht, wat zou er van hen allen zijn?
Het heerlijke epos zou niets zijn en oratiën en tragediën
zouden ledig zijn.
De paleizen zijn wat gij er van maakt als uw oog hen aanschouwt,
(Dacht gij dat hun waarde lag in den witten of grijzen steen?
Of in de lijnen hunner bogen en kroonlijsten?)
De muziek is wat er uit uw ziel opvloeit als de instrumenten
U aan uw werkelijk leven doen denken,
Zij is niet de violen en cornetten, niet de hobo noch de
trommen, noch de klanken van den bariton-zanger die zijn
liefelijke romanza zingt, noch die van het mannenkoor,
noch die van vrouwenkoor,
Zij is dichter bij en verder dan dezen.
5.
Zal dan alles eenmaal zijn weg terug afleggen?
Kan dan ieder de eeuwige schoonheid zien door een blik in
den spiegel? Is daar niets hoogers of beters?
Bevat gij alles, bevat de mystiek-onzichtbare ziel alles?
En vreemd en zwaar zeker is mijn paradox;
Het ruwste ter wereld en de onzichtbare ziel der wereld
zijn één.
6.
Wilt gij dan de zaligheid verre zoeken? Gij zult zeker op
uwe schreden terugkomen.
In de dingen uws dagelijkschen levens vindt gij het beste, of
zoo goed als het beste,
In de menschen uws dagelijkschen levens vindt gij de edelste,
krachtigste, liefdewaardigste!
Geluk, kennis vindt gij niet elders maar hier, niet in de
toekomst maar nu,
In den man dien gij 't eerst ziet en aanraakt vindt gij altijd
een vriend, een broeder, een naasten buur--in de vrouw
een moeder, zuster, vrouw,
De liefde en de arbeid der volken hebben de eerste plaats
in poëmen en overal,
Gij arbeidsters en arbeiders dezer Staten, gij bezit uw eigen
goddelijk en krachtvol leven,
En alles daarbuiten heeft plaats voor mannen en vrouwen
zooals gij.
Wanneer de psalm gaat zingen in steê van den zanger,
Wanneer de Schrift zal prediken in steê van den leeraar,
Wanneer de kansel afdaalt en onder de menschen gaat in
steê van den prediker,
Wanneer ik bij dag of bij nacht het lichaam van boeken kan
beroeren en zij dan mijn lichaam beroeren in keer,
Wanneer eens professors collegie zooveel bewijst als een sluimerende
vrouw of een slapend kind,
Wanneer de goudstukken in de kelders glimlachen als des
nachtwakers dochter,
Wanneer de gevolmachtigde bazelt in den presidentsstoel en
ik zijn vriend ben en metgezel,
Dan, en niet eerder, zal ik dezen de hand reiken en hen zoo
hoog verheffen als ik U doe, mannen en vrouwen aan den
arbeid.