UIT: HET TENTOONSTELLINGSLIED

1.

(Ach, weinig bevroedt de arbeider,

Hoe na zijn arbeid hem brengt tot God,

Den liefdevollen arbeider van het Al en het Eeuwig).

Niet enkel om uit het niet op te roepen, noch enkel om te

stichten,

Maar wellicht om aan het verre te ontleenen wat reeds goed

gesticht is,

En om er dan uw eigen karakter aan te geven, bezield en vrij,

Om van de ruwe en trage oerkrachten der natuur brandstoffen

te maken voor het levensvuur der religie,

Om minder af te wijzen en te vernietigen dan te aanvaarden,

te vereenigen, te verheffen,

Om te gehoorzamen zoo goed als te bevelen, meer te volgen

dan voor te gaan,

Ook dit alles leert ten slotte onze nieuwe wereld ons,

De nieuwe wereld, maar hoe weinig nieuw inderdaad, hoezeer

de oude, oude wereld!

Lang, zeer lang groeide het gras,

Lang, zeer lang daalde de regen neder,

Lang, zeer lang rolde de aardkloot om zijn as.

2.

Kom, Muze, keer Griekenland en Ionië den rug toe,

Sla het boek dier onmetelijk overschatte gloriën dicht,

Dat verhaal van Troye en van Achilles' toorn en van Aeneas',

Odysseus' zwerftochten,

Schrijf "Verhuisd" en "Te huur" op de rotsen van uw

sneeuwbekruinden Parnassus,

Doe dit ook te Jeruzalem, stel die kennisgeving hoog op de

poorten van Jaffa, en op den Moriah-berg,

En hoog op de muren van uwe Duitsche, Fransche en Spaansche

burgten, uwe Italiaansche paleizen,

Want een beter, vruchtbaarder, wijder levenskring, een onafzienbaar,

ongeploegd arbeidsveld wacht en roept U.

3.

Zij hoort en geeft aan onze roepstem gehoor,

Of liever, zij volgt haar langgekoesterd begeeren,

Zij komt door onweerstaanbare natuurlijke neiging gedreven!

Ik hoor het ruischen van haar gewaad,

Ik neem de ziel in mij op van haars adems lieflijken geur,

Ik zie haar godinne-tred, haar wonderbaar oogenbeweeg,

Als zij ommegaat en dit heerlijke schouwspel in 't rond ziet.

Zij, de edelvrouw der edelvrouwen! Kan ik dan gelooven

wat ik zie?

Kon geen dier antieke tempels, geen dier klassieke beeldgehouwen

haar langer bekoren?

Konden de schimmen van Vergilius en Dante, noch de

myriaden heldenfamen, heldendichten, heldendaden haar

langer bezielen en boeien?

Heeft zij allen verlaten om tot ons te komen?

Ja, indien het niet te stout een beweren is, vrienden,

Ik, zoo gij haar nog in het verleden waant, ik zie haar in

het heden en in ons midden;

Vindt zij in ons heden niet alles wat haar het verleden

schonk en beter nog?

Vindt zij ook niet hier de onsterflijke ziel der aarde en de

bezielende kracht van de daad, van de schoonheid, van

den heldenmoed?

Wat haar vroeger bekoorde leeft niet meer, wat haar vroeger

bezielde bezielt haar niet meer,

De heldendaden van het heden en de scheppingen van het

heden doen die van 't verleden vergeten,

Niet meer klinkt haar stem, verstorven in de tijden, aan de

bronnen van Castalië,

Zwijgend zijn de gebroken lippen der Egyptische sphinxen,

zwijgend al die pyramiden-graven die den tijd trotseerden,

Voor altijd uit: het epos van Azië's en Europa's gehelmde

krijgers, de wilde roep der muzen zwijgt,

Zwijgt! Voor altijd de roepstem van Calliope! Dood! Clio,

Melpomene, Thalia!

Stil nu, de plechtige rhytmen van Una en Oriana, niemand

nu zoekt meer den Heiligen Graal,

Jeruzalem, een handvol koude asch in de winden geworpen,

De middernacht-duistere heiren der kruisvaarders verdwenen

voor het licht van den morgenstond,

Amadis, Tancred namen slechts, Charlemagne, Roelant,

Olivier namen slechts,

Palmerijn en de bietebouw vergeten, verdwenen het torengespiegel

in de wateren der Usk,

Dood koning Arthur en zijne ridders, Merlijn en Lancelot en

Galahad heengegaan, weggetrokken allen als de ademwas

op glimmend staal,

Dood! Dood! Voor ons en voor alle tijden dood, die eenmaal

zoo machtige wereld, die nu ledige, onbezielde schimmenwereld,

Die gulden, verblindende wonderwereld met al hare heerlijke

legenden en mythen,

Hare koningen en fiere kasteelen, hare priesters en strijdvaardige

ridders en schoone riddervrouwen,

Dood, de lijken in de wade, in de rusting, gedekt door de

kroon, bijgezet in het knekelgewelf.

Toen, in zijn koninklijke dicht, schalde Shakespeare hun

dood uit met de klaroen der eeuwen,

En heeft Tennyson's liefelijk, droevig rijm den lijkzang gezongen.

Ik zeg, vrienden, ik, zooal gij niet, zie de verheven zoekster,

('t is waar, hoewel altijd dezelfde, sinds dien veel veranderd

op haar reis door eeuwen en landen,)

En, bezield als ooit, streeft zij er naar ons te vinden, met

kracht haar weg banende dwars door de warreling heen,

Niet afgeschrikt door het gegons der machines en de schrille

stoomfluit,

Vindt zij draineer-pijpen, gazometers en fertilisators niet beneden

haar aandacht,

Glimlachend, bekoord, blijkbaar besloten bij ons te blijven,

Daar is zij! onze moeder, onze vrouw, onze zuster, en bereidt

ons middagmaal!

4.

Maar hoe? Weet ik niet langer hoe 't behoort?

Ik leid de gast, O Columbia, uw huis binnen; (en wat anders

zou dan mijn levensdoel en dezer zangen doel zijn?)

In naam der vrijheid een onsterflijk Welkom! Laat ons

juichen dat Europa tot ons komt!

En in het altijd en eeuwig der toekomst zijt beiden mijne

lieve zusters, oude en nieuwe wereld.

Vrees niet, Muze! Een echt nieuw leven en een echte nieuwe

tijd ontvangen U en zullen U bezielen,

Ik beken u oprecht, mijn volk is een vreemd, een wonderlijk

volk, het doet zijn eigen nieuwe doen,

Toch vindt gij er dezelfde oude menschheid in, dezelfde van

binnen en van buiten,

Dezelfde gezichten en harten, hetzelfde gevoel, hetzelfde

smachten naar het onbereikbare,

Dezelfde oude liefde, oude schoonheid, hetzelfde oude leven.

5.

Zwijge dan de verheerlijking van den oorlog, zwijge dan

oorlog zelf,

Weg van mijn huiverend zien, en dat het nimmer terugkome,

dat veld vol zwart gebrande, verminkte lijken!

Die onbeschrijflijke hel met stroomen bloeds, waar ontketende

tijgers en wolven, wier tong uit den muil hangt, geen

denkende menschen zich in verlustigen,

En daarvoor: verheft U, strijd van denkende hoofden en

nijvere handen,

Komt met onversaagde legerscharen, machinenbouwers,

Kom met uwe vaandels, arbeid, laat hen dartelen op den

wind,

Laat luide en klaar uwe trompetten schallen.

Zwijge dan de oude roman!

Zwijge novelle, spijt en spel van hovelingen,

Zwijge het minnelied van suikerzoete rijmen, het lied dat

lusten en liefden van lediggangers bezingt,

Enkel geschikt om gezongen te worden bij het banketteeren

in den nacht, als de late dansers huppelen op de maat

van vroolijke klanken,

De ongezonde genoegens en buitensporige vermaken der

enkelen,

In geuren, gloed en wijn, onder het schitterlicht der kaarsen.

Voor U eerbiedwekkende, krachtige zusteren,

Verhef ik mijn stem om kunst en dichter te bezielen voor

onderwerpen die hunner waardiger zijn dan dezen.

Dat kunst en dichter het heden en de realiteit verheffen,

Dat de dichter niet voor enkelen zinge, maar voor den middelmaat-mensch

en diens roem van dagelijkschen wandel

en handel,

Dat hij in liederen roeme arbeid en het gistend leven, en hoe

dezen grootscher zijn dan alles,

Dat hij bezinge den handenarbeid van ieder en allen, het

ploegen, wieden en graven,

Het planten en kweeken van den boom, van den boomstruik,

het moesbed en de bloemen,

De dichter zegge, dat iedere man zijn grootsche taak in het

leven heeft en vervult en iedere vrouw tevens;

De dichter zegge: neem hamer en zaag ter hand en gevoel

U-zelf hoog,

Hij zinge het lied van den timmerman, den stuc-werker, den

schilder,

Het lied van den kleêrmaker en kleêrmaakster, van de

dienstmaagd, van den stalknecht en den portier,

En vooral prijze hij het vernuft, dat het wasschen, koken en

reinigen helpt door kleine uitvinding,

En vooral achte hij 't niet beneden zich-zelf de hand aan

den arbeid te leggen, welke ook.

Ik zeg: ik breng U, Muze, heden en hier,

Allen arbeid en allen plicht, verheven of gewoon,

Ik breng U het zwoegen, het gezonde zwoegen in het zweet,

het eindeloos zwoegen zonder rust,

Ik breng U de oude lasten van het werkzame leven en zijne

belangen en zijne vreugden,

Het huisgezin, de bloedverwantschap, kinderen, man en

vrouw,

De welvaart van het huis, het huis zelf en wat het huis

toebehoort,

Levensmiddelen en het conserveeren van levensmiddelen,

door de scheikunde geholpen,

En al wat den mensch sterk maakt, den gezonden man, de

gezonde vrouw, den volkomen lang levenden mensch,

Wat dien mensch in dit leven gezondheid en geluk schenkt en

zijn ziel loutert,

Voor het eeuwige toekomstige leven.

Dàn de jongste paringen der volken, hun arbeid, het onderling

verkeer der werelddeelen,

De stoomkracht, de sneltreinspoorwegen, gas en petroleum,

Al deze triomfen van onzen tijd: de kabels van den Atlantischen

Oceaan,

De Pacifiek-spoorwegen, het Suez-kanaal, de Mont-Cenis,

Gothard en Hoosac tunnels, de Brooklyn-brug,

Deze geheele aarde door ijzeren banden omspannen, met de

stoomvaartlijnen die als draden over de zeeën zijn getrokken,

Dezen wereldkloot in zijn tuimeling door het heelal breng

ik U.

Grashalmen · 第 32 / 65 题