1.
Vloedstroom daar omlaag! Ik zie U van aangezicht tot aangezicht!
Wolken ten Westerhemel--gij daar, zon, ter halfuurshoogte--ook
U zie ik van aangezicht tot aangezicht.
Menigten mannen en vrouwen in uw dagelijksch kleed, hoe
belangwekkend vind ik U!
De honderden en honderden die op de veerbooten naar
Brooklyn oversteken om huiswaarts te keeren vind ik belangwekkender
dan zij kunnen denken,
En gij allen die van oever tot oever zult oversteken in volgende
tijden, gij zijt mij meer, gij hebt grooter deel in mijn
gepeins dan gij kunt denken.
2.
Tijd noch plaats doet zich gelden--afstand geldt niet,
Ik ben met U, gij mannen en vrouwen van de volgende generatie
of van alle volgende generatiën,
Juist wat gij gevoelt wanneer gij rivier en hemel gadeslaat,
gevoelde ik,
Juist zooals ieder uwer een mensch in een menigte menschen
is, was ik een mensch in een menigte menschen,
Juist zooals gij U verkwikt gevoelt door het blijde leven van
de rivier en den schittervloed, gevoelde ik mij verkwikt,
Juist zooals gij staat te leunen over de borstwering en toch
voortsnelt met den haastigen vloed, stond ik en snelde
voort,
Juist zooals gij ziet naar de tallooze scheepsmasten en de
dikstammige schoorsteenen der booten, zag ik.
Ook ik menig en menig keer stak de aloude rivier over,
Sloeg de Twaalfde-maands zeemeeuwen gade, zag hen hoog
in de lucht drijven met beweginglooze vleugelen en wiegelende
lichamen,
Zag hoe het glinstergeel lichtte op een deel hunner lichamen,
terwijl het overige in zwarte schaduw bleef,
Zag ze in langzaam beschreven cirkels zachtkens in het
Zuiden dalen,
Zag den weerschijn van zomerlicht in het water,
Werd verblind soms door den glinsterenden zonnestroom,
Keek naar de fijn uitsprankelende lichtspaken om de weerspiegeling
van mijn hoofd in het zonneweerkaatsende water,
Keek naar den nevel over den rug der heuvels Zuidwaarts en
Zuidwestwaarts,
Keek naar den stoomdamp in dikke violetgetinte vachten
heendrijvende,
Keek in de richting van den beneden-baaij om de aankomst
der schepen te zien,
Zag ze naderen, zag aan boord hen die mij na waren,
Zag de witte zeilen der schoeners, zag de sloepen, zag de
schepen voor anker,
De matrozen aan hun werk in het want of schrijlings op de
sparren,
De ronde masten, de schommelende beweging van de kielen,
de ranke, kronkelende wimpels,
De groote en kleine stoomers in vaart, de loodsen en de
loodshuizen,
Het witte zog in de vaart achtergelaten, de snelle, sidderende
wenteling der raderen,
De vlaggen aller natiën en hoe zij bij zonsondergang gestreken
werden,
De uitgeschulpte golven in den schemer, het scheppen der
raderborden, het dartelende, glinsterende gekuif,
Het verre verschiet dat steeds neveliger werd, de grauwe
muren van de steenen pakhuizen der dokken,
Op de rivier het schemerachtig beweeg, de zware stoomsleepers
dicht naast elkaar aan weerskanten bij de sloepen,
de hooischepen, de door den nacht verraste lichters,
Aan den naderenden oever de vuren der gieterij-schoorsteenen
hoog op en helder vlammend in den nacht,
En hun flikkering van zwart en bloedrood en geel licht werpende
over de daken der huizen en omlaag in de straatspleten.
3.
Wat is de som der tientallen en honderdtallen jaren, die ons
scheiden?
Wat het zij, het geldt niet, afstand noch tijd geldt.
Ook ik leefde eens, het Brooklyn der breede heuvelen was
mijn Brooklyn,
Ook ik liep in de straten van Manhattan-eiland en baadde in
de wateren die het omspoelen,
Ook ik voelde die vreemde plotselinge vragen mijn binnenste
bewegen,
Op den dag midden in de menigte kwamen zij in mij op,
Als ik in den laten nacht huiswaarts ging, of in bed, kwamen
zij in mij op,
Ook ik dobberde in den stroom der eeuwig onopgeloste
raadselen,
Ook ik had de identiteit mijns lijfs ontvangen,
Wat ik was wist ik was mijns lijfs en wat ik zou worden wist
ik, zou ik worden door het lijf.
4.
Niet enkel over U vallen schaduwen,
Over mij ook zijn schaduwen gegaan,
Het beste wat ik gedaan had leek mij ijdel en verdacht,
Waren mijne gedachten die ik zoo verheven waande niet in
waarheid zeer onbeduidend?
Evenmin zijt gij 't alleen die weet wat het is slecht te zijn,
Ook ik wist, wat het is slecht te zijn,
Ook ik verwarde mij in den eeuwigen knoop van tegenstrijdigheid,
Leuterde, gevoelde schaamte, berouw, wangunst, ik loog
en stal,
Was valsch, toornig, geil, had begeerten die ik zelfs niet
durfde uitspreken,
Was grillig, ijdel, gulzig, bekrompen, sluw, lafhartig, boosaardig,
De wolf, de slang, het zwijn leefden in mij,
De steelsche blik, het ijdele woord, de overspelige wensch
leefde in mij,
Weigering, haat, uitstel, laagheid, luiheid, dit alles ontbrak
mij niet,
Ik was een met de anderen, was een met het leven en de
gebeurlijkheid van anderen,
Ik werd bij mijn streelnaam toegeroepen door heldere, luide
stemmen van jonge mannen als zij mij zagen naderen of
voorbijgaan,
Voelde hun arm om mijn nek als ik stond, of het achteloos
leunen van hun lichaam tegen het mijne als ik zat,
Zag velen die ik liefhad in de straten of op de veerbooten of
in openbare bijeenkomsten en sprak hun toch met geen
woord van die liefde,
Leefde hetzelfde leven der anderen, hetzelfde oude, lachende,
knagende, slapende leven,
Speelde de rol die altijd den speler of de speelster zal blijven
nastaren,
Altijd dezelfde oude rol, de rol die is wat wij er van maken,
zoo groot als wij wenschen,
Of zoo klein als wij wenschen, of beiden groot en klein
tegelijk.
5.
O, wat kan mij ooit luistervoller en schooner zijn dan het
mastomboorde Manhattan?
Rivier en zonsondergang en geschulpte golven van den vloedstroom?
De zeemeeuwen en hunne wiegelende lichamen, het hooischip
in den schemer en den lichter in den nacht?
Wat zijn heerlijker goden dan die mij de hand drukken en mij
met stemmen, lieflijk voor mijne ooren, luide en krachtig
bij mijn streelnaam toeroepen als ik voorbijga?
Wat is teerder dan wat mij verbindt aan de vrouw of den
man die mij nu aanziet?
En mij nu met U vereenigt en mijn ziel in de uwe doet leven?
Want wij begrijpen elkander, doen we niet?
Wat ik U beloofde zonder het te noemen, hebt gij dat niet
aanvaard?
Wat de geleerdheid niet kan onderwijzen--wat het sermoen
niet kan vervullen, is nu vervuld, niet waar?
6.
Stroom voort, rivier! Zwel aan met den vloed, neem af met de
ebbe!
Dartelt voort, gekuifde en geschulpte golven!
Heerlijke wolken van zonsondergang! doordringt mij van uw
pracht, of de mannen en vrouwen van alle volgende
generatiën!
Steekt over van oever tot oever, ontelbare menigten passagiers!
Verheft U, hooge masten van Manhattan! Verheft U, schoone
heuvelen van Brooklyn!
Klop, bedrogen en wonderlijk brein! Werp uw vragen en antwoorden
uit!
Sleurt hier en overal met U voort, stroom van eeuwig onopgeloste
raadselen,
Staart oogen van dorstende liefde, staart in huis of op straat
of in de openbare bijeenkomst!
Klinkt op, stemmen van jonge mannen! roept mij luide en
welklinkend bij mijn speelnaam!
Leef, oud leven! Speel de rol die hem of haar die speelt
eeuwig achterna staart,
Speel de oude rol, de rol die groot is of klein, naar men
haar maken wil.
Bedenk wel, gij die mij leest, of ik U niet onzichtbaar aanzie;
Zij sterk, borstwering boven het water, steun hen die achteloos
tegen U aanleunen en zich toch met den stroom
meehaasten;
Vliegt voort, zeevogels! Vliegt op uwe zijde of wentelt in
wijde cirkels hoog in de lucht;
Weerkaats den zomerhemel, gij water en bewaart hem tot
aller neerziende oogen tijd hebben gehad U te zien,
Sprankelt uit fijne zonnelichtspaken om de weerspiegeling in
het zonbeschenen water van mijn hoofd of ieders hoofd!
Nadert schepen in den beneden-baaij! Vaart op en af witbezeilde
schoeners, sleepen, lichters!
Praalt uit, aller natiën vlaggen! Wordt naar behooren gestreken
bij zonsondergang!
Brandt uwe vuren hoog op, gij gieterij-schoorsteenen! Werpt
zwarte schaduwen in het vallen van den avond, werpt rood
en geel licht over de daken der huizen!
Verschijnselen bewijst nu of in de toekomst wat gij zijt,
Gij noodzakelijke nevel omhul de ziel,
Voor mij om mijn lijf, voor U om uw lijf, geuren de goddelijkste
aroma's,
Gedijt steden--brengt uwe ladingen, brengt uwe fiere
schouwspelen, breede en genoegzame wateren,
Bloei op, Wezen dat misschien meer ziel heeft dan al wat leeft,
Behoudt uwe plaatsen, dingen, duurzamer dan al het andere.
Gij hebt gewacht, gij wacht altijd, stomme heerlijke getuigers,
Wij nemen U gretig in ons op en toch blijven wij steeds
onverzadigd,
Zoo abel zijt gij niet, dat gij ons kunt teleurstellen of U-zelven
buiten ons bereik houden,
Wij nemen U in ons op en verwerpen U niet--wij bevestigen
U voor altijd in ons hart,
Wij vademen U niet--wij hebben U lief--ook in U is volmaaktheid,
Gij zijt ook een deel der eeuwigheid,
Groot of klein, gij zijt een deel van de ziel.