1.
Te voet en blijmoedig neem ik den open heirweg,
Gezond, vrij, heel de wereld voor mij uit,
De onafzienbare bruine weg voor mij uit, die mij brengt
overal waar ik wensch te gaan.
Voortaan zal ik nimmer naar geluk vragen, ik heb geluk in
mijzelf,
Voortaan zal ik niet meer klagen, niets meer verdagen,
voortaan zal ik mij niets voelen ontbreken,
't Is gedaan met in huiszitten en klagen, met boekenwijsheid,
met het nutteloos oordeel over anderen,
Sterk en tevreden ga ik den open heirweg op.
De aarde is mij voldoende,
Ik begeer mij de sterren niet nader,
Ik weet, wáár zij zijn is 't goed dat zij zijn,
Ik weet, dat zij genoegzaam zijn hun wier leven van hun
leven is.
Maar ook hier draag ik mijne oude lieve lasten met mij,
Ik draag ze mee, mannen en vrouwen, ik draag ze mee overal
waar ik ga,
Ik zweer U: 't is onmogelijk ze van mij af te schudden,
Zij leven in mijn leven, en ik wil hun leven vervullen van
het mijne.
2.
Gij heirweg, dien ik nu betreed en waarover ik mijn oog
laat ronddwalen, ik geloof dat hier meer is dan het zichtbare,
Ik geloof dat hier ook veel onzichtbaars is.
Gij leert de moeilijke les van Al-ontvankelijkheid, gij kent
voorkeur noch uitzondering;
De zwarte met zijn wollig hoofdhaar, de uitgestootene, de
melaatsche, de ongeletterde worden door U niet geweigerd;
De geboorte, het haastig halen van den doctor, de strompelende
bedelaar, de waggelende dronkaard, de vroolijke
troep werklieden,
De uitgelaten jeugd, de karos van den rijkaard, de pronker,
het vluchtende paar,
De vroeg ter markt gaande man, de lijkwagen, de verhuiskar
naar stad, de wagen die uit de stad terugkomt,
Zij gaan voort, aldus ga ook ik voort, geweerd wordt er
geen,
Allen deelen in dezelfde ontvangst en mij zijn allen lief.
3.
Links en rechts wijdt de aarde zich uit,
Een levend beeld van leven, alles in zijn beste licht,
Natuurmuziek gehoord waar men haar wenscht te hooren en
onhoorbaar als de ziel aanschouwen wil,
De blijde stem van den open heirweg en de blijmoedige,
frissche ziel van dien weg.
O, heirweg dien ik nu heb ingeslagen, zegt gij mij: _verlaat
mij niet?_
Zegt gij mij: _Waag U niet--gij zijt verloren indien gij mij
verlaat?_
Zegt gij mij: _Reeds ben ik welgebaand en drukbeloopen, geen
die mij niet roemt, houd U aan mij?_
O heirweg, ik antwoord U: niet bevreesd ben ik U te verlaten,
maar ik heb U lief,
Gij, beter dan ik 't doen kan, verklaart wat in mij is,
Gij zult mij meer zijn dan mijn gedicht.
Ik denk: alle heldendaden en alle vrije gedachten hebben
hun bezieling gevonden in de open lucht,
Ik denk: hier toevende zou ik wonderen kunnen doen,
Ik denk: wat ik ook op den heirweg ontmoete zal mij welkom
zijn en ieder die mij ziet zal mij liefhebben,
Ik denk: ieder dien ik zie moet gelukkig zijn.
4.
Van dezen stond af verklaar ik mij los van limieten en
gedachte grenzen,
Ik ga waar 't mij lijkt, geheel en volkomen mijn eigen
meester,
Luister naar anderen, overweeg wat zij zeggen,
Denk na, onderzoek, neem in mij op, bepeins,
Maar ik maak mij vriendelijk doch met onwrikbaren wil los
uit den greep die mij zou willen vasthouden.
Ik adem de ruimte met lange teugen in,
Ik bezit Oost en West en ik bezit Noord en Zuid.
Ik ben grooter, beter dan ik dacht,
Ik wist niet, dat ik zoo rijk aan goedheid was.
Alles lijkt mij schoon,
Ik kan tot mannen en vrouwen zeggen en herhalen: gij hebt
mij zooveel goed gedaan, ik woû U hetzelfde doen,
Wat ik op mijn weg zal vinden zal gelijkelijk voor U en voor
mij zijn,
Op mijn weg zal ik aan mannen en vrouwen geven van
mij-zelf,
Ik zal nieuwe vreugde en onstuimigheid in hen werpen,
Wie mij verloochene, het zal mij niet bedroeven,
Wie mij aanvaarde, hij of zij zal gezegend zijn en mij
zegenen.
5.
Indien thans een duizendtal volmaakte mannen verscheen
zou mij dat niet verbazen,
Indien thans een duizendtal schoone vrouwengestalten verscheen
zou dat mij niet verwonderen.
Thans ken ik het geheim om voortreffelijke menschen te
gewinnen:
Het is te leven in de open lucht en te eten en te slapen
met de aarde.
Hier heeft een groote persoonlijke daad ruimte,
(Zulk een daad legt beslag op de harten van heel het menschelijk
geslacht,
De uitvloeiing van haar kracht en wil breekt de wet en
bespot alle gezag en redenen die zich tegen haar mochten
willen kanten).
Hier is de toetssteen der wijsheid,
Wijsheid wordt niet in de scholen getoetst,
Wijsheid kan niet worden overgedragen van den een die
haar bezit op den ander die haar niet bezit,
Wijsheid is ziel, wijsheid laat zich niet toetsen, maar toetst
zelf,
Zij doordringt zich van alle tijden, dingen, eigenschappen en
is voldaan,
Zij is de zekerheid van wat waar en onvergankelijk is in
't leven en van wat volkomen is in 't leven,
Er is iets in de veelheid der zichtbare dingen dat haar
oproept uit de ziel.
Nu onderzoek ik opnieuw de religiën en de wijsbegeerten,
Zij kunnen voortreffelijk zijn in collegiezalen en toch niets
bewijzen onder de uitgestrekte wolken en langs het landschap
en de vloeiende stroomen.
Hier is werkelijkheid,
Hier is een mensch--hier openbaart hij wat er in hem is,
Het verleden, de toekomst, majesteit, liefde--indien zij
niet van U zijn vervuld, zijt gij niet van hen vervuld.
6.
Hier is de uitvloeiing der Ziel,
Wat uit de ziel vloeit komt uit het binnenste door bloembekranste
poorten en stelt vragen steeds.
Waarom toch dat smachten? Waarom toch dat gepeins in
stikdonkeren nacht?
Waarom toch zijn er mannen en vrouwen, die als zij dicht bij
mij zijn zonnelicht en zonnewarmte in mijn bloed doen
vloeien, waardoor het zich uitzet?
Waarom toch, wanneer zij mij verlaten, hangen mijne vreugdevanen
slap en plat neer?
Waarom toch zijn er boomen onder wier gebladert ik nooit
wandel of verheven en melodieuze gedachten dalen in mij
neer!
(Ik denk, dat zij daar winter en zomer aan die boomen
bloeien en als rijpe vruchten afvallen als ik voorbijkom;)
Wat ruil ik toch zoo plotseling met vreemden?
Wat met dien koetsier als ik op den bok aan zijn zijde zit?
Wat met dien visscher die aan de kust zijn zegen uitwerpt,
terwijl ik in 't voorbijgaan een oogenblik blijf kijken?
Wat geeft mij een zoo vrij beroep op de welwillendheid van
die vrouw of dien man? Wat geeft hun een zoo vrij beroep
op de mijne?
7.
Wat uit de ziel vloeit is geluk, hier is geluk,
Ik denk het vervult de open lucht en is van allen tijde,
Nu vloeit het op ons aan en zijn wij er welzalig van.
Hier stijgt het fluïdum op, hier wast de zielegehechtheid,
Het fluïdum en de zielegehechtheid is de frischheid en de
bekoring van man en vrouw,
(Het ochtendstondgras spruit niet frisscher en bekoorlijker
iederen dag uit eigen wortels voort, dan dezen voortspruiten,
frisch en bekoorlijk altijd, uit zich-zelf.)
Uit naar het fluïdum en de zielegehechtheid vloeit van jong
en oud het liefdezweet,
En als een regen daalt de verrukking die alle schoonheid en
rijkdom te boven gaat er uit neer,
Uit naar het fluïdum en de zielegehechtheid zwelt het
smachten en sidderen van de pijn der gemeenschap,
8.
Allons! wie gij ook zijt, kom en reis mede!
Met mij reizende zult gij vinden wat nimmer U vermoeit.
De aarde vermoeit nimmer,
De aarde is eerst ruw, zwijgzaam, onbegrijpelijk, de natuur is
eerst ruw en onbegrijpelijk,
Zij niet moedeloos, geef niet op, daar zijn godsdingen diep
verborgen,
Ik zweer U daar zijn godsdingen heerlijker dan woorden kunnen
zeggen.
Allons! Wij moeten hier niet toeven,
Hoe verlokkelijk deze overvloeden, hoe gemakkelijk deze
woningen zijn, wij kunnen hier niet blijven,
Hoe veilig deze haven zij en hoe kalm deze wateren zijn, wij
mogen hier niet ankeren,
Hoe welkom de gastvrijheid zij die ons omgeeft, slechts voor
een korte wijl is 't ons veroorloofd er van te genieten.
9.
Allons, de drang wordt krachtiger,
Wij zullen onbekende en wilde zeeën bevaren,
Wij zullen het gegier der winden en de stortvloeden der
golven trotseeren en gaan waar de Yankee-klipper voortsnelt
met volle zeilen.
Allons! Met kracht, vrijheid, de aarde, de elementen,
Gezondheid, moed, blijheid, zelf-achting, weetgierigheid;
Allons! weg van alle evangeliën!
Vooral weg van uwe evangeliën, O loensche materialistische
priesters.
Die mummie blokkeert den doorgang--wij zullen met het
begraven niet langer wachten.
10.
Luister! Ik wil oprecht jegens U zijn,
Ik loof niet de oude, smedige prijzen uit, maar ruwe, nieuwe
prijzen,
Aldus de zelf-overwinningen die uw deel moeten zijn:
Gij zult U niet ophoopen wat rijkdom genoemd wordt,
Gij zult met kwistige hand uitdeelen wat gij wint of verkrijgt,
Gij zult nauwelijks de stad bereikt hebben die het doel uwer
reis was, ter nauwernood hebt gij U er voldaan nedergezet,
of gij wordt opgeroepen door een onafwijsbaar bevel om
door te gaan,
Gij zult U niet storen aan de ironische glimlachen en den spot
van hen die achterblijven,
Welke liefdewenken gij ook ontvangt, gij moogt enkel antwoorden
met hartstochtelijke kussen van afscheid,
Gij zult niet veroorloven, dat zij die de armen naar U uitstrekken
U vasthouden.
11.
Alles wijkt terug van den voortgang der zielen,
Alle godsdienstvormen, alle tastbare dingen, kunsten, regeeringen--al
wat op deze of welke wereld ook zichtbaar was
of is trekt zich terug in nissen en gewelven voor de zielenprocessie
langs de verheven wegen des Heelals.
Den voortgang der zielen van mannen en vrouwen langs de
verheven wegen des Heelals is alle andere voortgang enkel
toevoegsel en steun.
Eeuwig leven, eeuwig voorwaarts,
Statig, plechtig, droef, terughoudend, bespot, woedend, onstuimig,
zwak, onvoldaan,
Wanhopig, trotsch, teeder, ziek, erkend door menschen, verloochend
door menschen,
Zij gaan! Zij gaan! Ik weet dat zij gaan, maar ik weet niet
waarheen zij gaan,
Toch weet ik dat zij heenwaarts gaan naar het beste--heenwaarts
naar iets verhevens.
Wie gij ook zijt, kom mee! Man of vrouw kom mee!
Gij moet daar niet staan druilen of leuteren in uw huis,
ofschoon gij het U bouwdet of het voor U gebouwd is.
Weg uit den duisteren schuilhoek! Weg van achter het schut!
Uwe maren zijn vergeefs, ik weet alles en openbaar alles.
Zie door U heen, gij zijt zoo krank als de anderen,
Zie door het lachen, het dansen, het feestvieren der menschen
heen,
Zie onder hun kleed en sieraden, zie onder hunne gewasschen,
propere gezichten,
Zie dan een geheime, stille walging en wanhoop.
Geen echtgenoot, geen vrouw, geen vriend vertrouwd genoeg
om de belijdenis te ontvangen,
Als een ander Ik, een dubbelganger van ieder, gaat het
schuilend en angstig door het leven,
Vormloos en woordeloos gaat het door de straten der stad,
beschaafd en lief in de salons,
In spoorwagens, op stoombooten, in openbare bijeenkomsten,
Thuis in de woningen van mannen en vrouwen, aan tafel, in
het slaapvertrek, overal,
Keurig versierd, beleefd-glimlachend, recht van houding: dood
in het hart, verdoemenis in het hoofd,
Onder laken en handschoenen, onder linten en bloemen,
Gebruiken nauwkeurig volgende, met geen syllabe sprekende
over zich-zelf,
Sprekende van alle andere dingen ter wereld, maar nooit over
zich-zelf.
12.
Allons! door gevechten en door strijden!
Het doel dat wij ons gesteld hebben kan niet worden ontgaan.
Was het einde van vroeger strijden overwinning?
Wat heeft overwonnen? Gij-zelf? Uw volk? de Natuur?
Welaan, versta mij goed--de Voorzienigheid heeft in het
wezen der dingen de eeuwige wet gelegd, dat uit het genot
zelf der overwinning, 't hindert niet wat zij geldt, iets groeit,
dat een moeilijker strijd noodzakelijk maakt.
Mijn roep is de roep ten strijde, ik kweek feitelijke rebellie,
Hij die met mij gaat moet wel gewapend gaan,
Hij die met mij gaat zal dikwijls karig voedsel, armoede, boosaardige
vijanden, verlatenheid vinden.
13.
Allons! De heirweg ligt voor ons open!
Hij is veilig--ik heb hem beproefd--mijn eigen voeten
hebben hem lang en vaak betreden--blijf niet achter!
Laat het papier liggen op de lessenaar onbeschreven en het
boek op de plank ongeopend!
Laat de gereedschappen liggen in de werkplaats! laat het
geld ongeïnd!
Laat de school voor wat zij is! Stoor U niet aan het geroep
des onderwijzers!
Laat den prediker prediken in zijn preekstoel! laat den
advocaat pleiten in het Hof en den rechter de wet verklaren.
Camerado, ik geef U mijn hand!
Ik geef U mijn liefde oneindig kostelijker dan geld,
Ik geef U mij-zelf buiten preek of wet om;
Wilt gij U-zelf aan mij geven? Wilt gij de reis met mij
maken?
Zullen wij te zamen en elkaar trouw blijven heel ons leven
lang?