Ik zag in Louisiana een levenseik,
Hij stond ganschelijk alleen en het mos hing neer van zijne
takken,
Hij leefde daar zonder een enkelen kameraad, toch uitte hij
zich in blijde donkergroene bladen,
En zijn uitzien ruw, vrij en krachtig deed mij denken aan
mij-zelf,
Toch verwonderde ik mij hoe hij zich in blijde bladen kon
uiten, daar in de eenzaamheid zonder een makker aan zijn
zijde, ik wist wel dat ik dit niet zou kunnen,
En ik brak een twijg af met wat bladeren er aan en wond er
wat mos om,
En nam haar mee en hing haar in mijn kamer op, zoodat ik er
altijd het oog op heb,
't Was niet noodig om mij steeds aan mijne lieve vrienden
te doen denken,
(Want in den laatsten tijd, geloof ik, denk ik aan weinig
anders dan aan hen,)
Toch blijft die twijg mij een wonderbaar zinnebeeld en doet
me aan mannelijke liefde denken;
Hoe dan ook, die levenseik moge daar in Louisiana vroolijk
gedijen, alleenig in een groot vlak land,
Hij moge zich kunnen uiten in blijde bladeren, terwijl hem
heel zijn leven lang geen vriend, geen die zijn liefde
zoekt nabij is,
Ik weet maar al te goed dat ik 't niet zou kunnen.