TOEN IK DEN AVONDSTOND HOORDE

Toen ik in den avondstond hoorde dat mijn naam in het

Capitool met toejuichingen was ontvangen, was voor mij de

nacht die volgde toch geen nacht van geluk,

En later in welslagen of wanneer mijn voornemens verwerkelijkt

waren, was ik toch niet gelukkig,

Maar de dag dat ik mij met zonsopgang van mijn bed verhief

volkomen gezond, verfrischt, zingende, ademende den

rijpen herfstadem,

Toen ik ten Westen de volle maan zag verbleeken en in het

morgenlicht verdwijnen,

Toen ik alleen over het strand wandelde en, ontkleed,

baadde, dartelend met de koele wateren en de zon zag

opstijgen,

En toen ik dacht dat mijn lieve vriend, die mij teeder liefheeft,

op weg was naar mij toe, o toen was ik gelukkig,

O toen smaakte elke bete mij zoeter en dien geheelen dag

voedde mijn brood mij beter en die heerlijke dag ging heerlijk

voorbij,

En de volgende kwam met gelijke vreugd en met den volgende,

's avonds, kwam mijn vriend,

En dien nacht, toen alles rondom stil was, hoorde ik de

wateren langzaam rollen, rollen op het strand,

Ik hoorde het gierend ruischen van water en zand die fluisterend

op mij toekwamen, om mij geluk te wenschen,

Want hij dien ik boven alles liefheb lag slapend aan mijn

zijde onder hetzelfde dek in den koelen nacht,

In de nachtstilte, in den herfstmaneschijn was zijn gezicht

naar mij toegekeerd,

En zijn arm lag zachtkens over mijn borst--en die nacht

was een nacht van geluk.

Grashalmen · 第 22 / 65 题