Gij die getuigen zult in de volgende eeuwen,
Komt, ik wil U vertrouwen in het innigste onder dit onlijdelijk
uiterlijk, ik zal U zeggen hoe gij mij heeten moet,
Noem mijn naam en hang mijn beeltenis op als van den man
die de teederste minnaar was,
Het portret van den vriend, den liefdezoeker, die door zijn
vriend, zijn liefdezoeker zeer teeder werd bemind,
Die zich niet verhief op zijne zangen maar wel op de onmetelijke
zee van liefde in zijn ziel, die hij mildelijk uitstortte,
Die vaak in groote verlatenheid waarde en dan dacht aan
zijne lieve vrienden, aan die hem lief hadden,
Die vèr verwijderd van hem dien hij liefhad peinsde in slapelooze
nachten, vol onvoldaanheid,
Die maar al te goed de pijnlijke, pijnlijke vrees kende, dat hij
hem dien hij liefhad toch heimelijk onverschillig was,
Wiens gelukkigste dagen die waren als, in de verte van alles,
in velden, wouden en op heuvels, hij en een ander wandelden
hand in hand, zij tweeën alleen, van andere menschen
verwijderd,
Die vaak in de straten drentelde zijn arm gebogen over den
schouder van zijn vriend, terwijl de arm van zijn vriend
op zijn schouder rustte.