De vreeselijke twijfel van den schijn,
De onzekerheid ten slotte dat wij misschien misleid worden,
Dat misschien vertrouwen en hoop slechts hersenschimmen zijn,
Dat misschien het identieke leven aan gene zijde des grafs
slechts een mooie fabel is.
Misschien de dingen die ik waarneem, dieren, planten, menschen,
heuvelen, weerspiegelende en vloeiende wateren,
De luchten van dag en nacht, kleuren, het vaste, en de vormen
slechts verschijningen (zooals ook zonder twijfel het geval
is) en wat zij werkelijk zijn nog onbekend,
(Hoe vaak treden zij uit zich-zelven naar voren als wilden zij
mij verlegen maken en mij bespotten!
Hoe vaak denk ik, dat ik noch iemand het geringste van hen
weet,)
Dat misschien hun schijn dien ik van mijn tegenwoordig
standpunt zie (en die schijn tenminste is zeker) indien ik op
een geheel ander standpunt naar hen uitzie zal blijken
anders te wezen (zooals die schijn dan ook even zeker
anders zal zijn) en niets gemeen te hebben met den schijn
van nu of in 't geheel niets is;
Deze en dergelijke vragen worden wonderbaar beantwoord
door hen die mij liefhebben, mijn lieve vrienden,
Wanneer hij die mij liefheeft met mij reist of langen tijd
naast mij zit, terwijl hij mijn hand in de zijne houdt,
Als de ijle lucht, de ontastbaarheid, de zin dien woorden en
redenen niet bevatten ons omringt en in ons doordringt,
Dan ben ik zalig van ongezegde en niet te zeggen wijsheid,
ik ben stil en vraag niets meer,
Wel kan ik de vraag van zijn en schijnen of die van het
identieke leven aan gene zijde des grafs niet beantwoorden,
Maar ik ga voort of zit neder en stoor er mij niet verder aan,
ik ben tevreden,
Hij die mijn hand in de zijne houdt heeft mij volkomen
bevredigd.