Niet enkel in wat ik mij van de borst werp,
Niet in mijn zuchten, in mijn wanhoop 's nachts, als ik in
strijd ben met mijzelf,
Niet in die lange, kwalijk onderdrukte bange zuchten,
Niet in de vele eeden en beloften die ik brak,
Niet in het krachtige en ontembare willen van mijn ziel,
Niet in de ijle levenskracht der lucht,
Niet in dit kloppen em bonzen van mijne slapen en polsen,
Niet in dat wonderbare samentrekken en uitzetten in mijn
binnenste, dat eenmaal zal ophouden,
Niet in de vele wellustige wenschen die ik enkel aan de wolken
heb toevertrouwd,
Niet in de kreten, het gelach, de verwenschingen door mij
uitgestooten als ik diep in de wildernissen alleen was,
Niet in het schor gehijg door vastgeklemde tanden,
Niet in klinkende en weêrklinkende woorden, kakelwoorden,
echo's daarvan, doode woorden,
Niet in het gemurmer mijner droomen terwijl ik slaap,
Noch in dat andere gemurmer dier ongelooflijke droomen van
elken dag,
Noch in de leden en zinnen van mijn lijf, die U voortdurend
aannemen en verstooten--niet dààrin,
Niet in een hunner noch in allen, O aantrekkingskracht! O
mijns levens polsslag!
Wensch ik dat gij meer wordt gevonden of meer U-zelf bewijst
dan in deze zangen.