WIE GIJ OOK ZIJT DIE MIJ NU VASTHOUDT

Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt,

Indien gij mist wat gij boven alles behoeft is al wat gij doet

nutteloos,

Ernstig waarschuw ik U voor gij dieper in mij doordringt,

Ik ben niet zooals gij mij dacht maar heel anders.

Wie is hij die mijn volgeling wilde worden?

Wie wilde mij toonen naar mijn liefde te dingen?

De weg is gevaarlijk, het einde onzeker, misschien ondergang,

Gij zult al 't andere moeten opgeven, ik alleen zal eenig en

alleen den standaard moeten zijn waaraan gij U meet,

Ook dan zal uw discipelschap lang duren en uwe krachten

uitputten,

Al wat er in uw leven aan leer is en al wat uw leven gelijk

maakt aan de levens om U heen zult gij moeten opgeven,

Daarom laat nu van mij af voor dat uw leven nog erger door

mij wordt verontrust, laat uw hand vallen van mijne

schouders,

Laat mij mijn weg gaan en ga gij den uwe.

Zoo niet, kom ga dan stil met mij in de woudeenzaamheid,

waar ik U zal beproeven,

Of achter een rots in de open lucht,

(Want in geen bedekte ruimte van eenig huis verschijn ik U,

noch zult gij mij in gezelschappen zien,

En in bibliotheken ben ik als een stomme, als een zot, of een

ongeborene of een gestorvene),

Of mogelijk met U op een hoogen heuvel, waar wij eerst

zullen uitturen dat niemand voor mijlen in 't rond ons onbemerkt

kan naderen,

Of te zeilen met U, of met U van het zeestrand af op een stil

eiland,

Daar veroorloof ik U uwe lippen op de mijne te drukken,

Met de langbezielde kus van den makker of met de kus van

den jongen echtgenoot,

Want ik ben de jonge echtgenoot en ik ben de makker.

Of zoo gij wilt, en mij vertrouwt onder uw kleed,

Waar ik het kloppen van uw hart mag voelen of rusten mag

op uw heup,

Neem mij dan met U als gij landen en zeeën oversteekt;

Want U aldus enkel te beroeren is mij goed, is mij lief,

En dus U beroerende wenschte ik zachtekens in te slapen en

gedragen te worden eeuwiglijk.

Maar indien gij U drenkt met het levenssap dezer halmen,

zal er gevaar voor U zijn,

Want noch deze halmen noch mij zult gij verstaan,

De geest dezer halmen zal U bij het begin ontsnappen en

steeds meer en meer ontsnappen, ik zal U zekerlijk ontgaan,

Zelfs terwijl gij zult denken, dat gij mij twijfelloos gevat

haddet, zie dan toe!

Reeds dadelijk merkt gij dat ik U ontgaan ben.

Want 't is niet ter wille van wat ik er in heb nedergelegd, dat

ik dit boek heb geschreven,

Evenmin zult gij het bezitten terwijl gij mij leest,

Evenmin kennen zij mij 't best die mij bewonderen en mij

hoogdravend prijzen,

Evenmin zullen zij die dingen naar mijn liefde (tenzij op zijn

best een zeer gering getal) die liefde winnen,

Evenmin zullen mijne gedichten enkel goed doen, zij zullen

even veel kwaad doen als goed en meer nog misschien,

Want alles is te vergeefs zonder dat waarop ik zinspeel en

waarnaar gij menigmaal kunt raden zonder het te vatten;

Daarom verlaat mij nu het nog tijd is en ga uw weg.

Grashalmen · 第 18 / 65 题