Op onbetreden paden,
In het gewas der poelzoomen,
Ontsnapt aan het leven dat zich bloot geeft,
Aan alle standaardmaten, die tot nu algemeen golden, aan de
genoegens, voordeelen, gelijkvormigheid,
Waarmee ik te lang mijn ziel heb trachten te voeden,
Duidelijk nu voor mij dat er een eerlijke maat is nog niet
algemeen aanvaard, duidelijk mij nu dat mijn ziel,
Dat de ziel van den man voor wien ik spreek welbehagen
vindt in zijne gezellen,
Hier in eenzaamheid, weg van het gedruisch der wereld,
Leg ik den kerfstok aan en hoor ik mij toespreken door welgeurende
lippen,
Niet langer beschaamd (want op deze afgelegen plek kan ik
antwoorden wat ik elders niet zou hebben durven zeggen.)
Krachtig in mij het leven dat zich niet vertoont en toch al het
andere omvat,
Vast besloten heden geen andere zangen te zingen dan die
van mannelijke gehechtheid,
En neem mij voor ze door geheel mijn aardsche leven te doen
hooren,
Voortaan zal ik het voorbeeld geven van athletische liefde,
Op den namiddag van deze lieflijke Negende Maand van mijn
een en veertigste jaar,
Begin ik mijn arbeid voor allen die jonge mannen zijn of
geweest zijn,
Ik zal het geheim vertellen van mijne nachten en dagen,...
Ik zal de noodzaak van makkers loven.