Indien hij niet beloofd heeft de benoeming te ondersteunen van een

commissie van veertig leden, die een tehuis voor twintig meisjes moet

besturen, dan brengt hij zijn tijd van ongeveer twee tot zeven uur

door met het bezoeken van menschen, die ziek zijn of vrienden verloren

hebben, die lijden onder wereldsche rampen of die pas tot zijn Kerk

zijn toegetreden of haar juist verlaten hebben, die hij wenscht over

te halen tot eenigen arbeid of die hij in langen tijd niet gezien

heeft en waarmee hij voeling wil blijven houden. Hij komt 's avonds

thuis, niet omdat zijn werk gedaan is, want deze soort van werk is

nooit afgedaan en het einde is er nimmer van te zien, zelfs niet al

begon men het des morgens te negen uur en zette men het voort tot 's

avonds negen uur, maar omdat niemand langer dan vijf uur achtereen

bezoeken kan afleggen.

Bij zijn thuiskomst--en ik beken dit vrijmoedig--veroorlooft de

dominee zich weer wat te eten, maar alweer moet het voor hem bewaard

worden, omdat een andere bezoeker, die hem in den namiddag was

misgeloopen, van een onnoozele dienstmaagd, die pas in dienst is

gekomen en nog niet goed op de hoogte is van de taak van een

predikants-dienstbode, het uur heeft vernomen, waarop de ongelukkige

man zijn volgenden maaltijd zal gebruiken en nu reeds een half uur op

hem gewacht heeft om den steun van den dominee te vragen voor een

genootschap van christelijke liefdadigheid, wat in twee van de drie

gevallen slechts een uitwas is van philantropie en in het derde geval

iets waarmee de dominee niet de minste aanraking heeft.

Menschen, die niet beter weten, zouden misschien veronderstellen, dat

de dominee, na zijn zeer bescheiden maal genuttigd te hebben, vrij zal

zijn met zijn vrouw en kinderen in de huiskamer te zitten om zijn

plicht te vervullen als hoofd van het gezin en zoo het grootste genot

van den geheelen dag te smaken. Het is iets zeldzaams als deze

ongelukkige man een avond voor zich zelf heeft, omdat hij gewoonlijk

dadelijk na het eten naar een of andere bijeenkomst in zijn kerk moet

gaan en terwijl de leden der Gemeente zich over de verschillende

avonden verdeelen, wat heel billijk en goed is, moet hij altijd bij

alles tegenwoordig zijn, want is hij er niet, dan begint het

onderdeel, waarvan hij wegblijft, te kwijnen.

Als hij een avond vrij heeft, dan komt een of ander lid van zijn

Gemeente hem vragen een bijeenkomst te bezoeken ten bate van iets,

waarin hij betrokken is en er zijn redenen, waarom de dominee niet kan

weigeren. Het is best mogelijk, dat diezelfde mijnheer de vorige week

gezegd heeft, dat de dominee zich overwerkte en niet zooveel op zich

moest nemen, maar als de tijd komt, dat hij zelf een bijl heeft, die

geslepen moet worden, dan zal hij niet de minste aarzeling hebben den

dominee te vragen den molen te draaien. En inderdaad wordt het

openbare werk van den dominee sterk vermeerderd door zijn eigen

gemeenteleden, die aan de secretarissen, de treuzelaars en de rest van

tijdroovers aanbevelingsbrieven geven met een slot, als: «Ik hoop, dat

ge het verzoek van mijnheer Tootle zult inwilligen als een

persoonlijke gunst aan mij." Dezelfde heer doet dat misschien maar

eens in een halfjaar, maar er zijn er een honderd, die hetzelfde met

tusschenpoozen doen en zoodoende wordt de dominee aan handen en voeten

gebonden door zijn eigen Gemeente.

Was ik een leek en de een of andere gesalariëerde secretaris, die

niets anders te doen heeft--zooals het mij soms toeschijnt--dan

noodelooze brieven te schrijven en vervelende vergaderingen bijeen te

roepen en dominees te ergeren, kwam bij mij en vroeg mij om mijn

dominee te plagen totdat hij zijn eigen werk liet staan en de

bijeenkomst van den secretaris bezocht, dan zou ik dien secretaris

mijn gemoed bloot leggen in de woorden, die een vriendelijke

Voorzienigheid mij op dat oogenblik zou ingeven en één dominee zou ten

minste geen last hebben van dien secretaris. Als het godsdienstig

publiek ooit eenigen twijfel heeft omtrent het geld, dat uitgegeven

wordt aan secretarissen en omtrent het nut van hun arbeid, dan kan

het misschien een troost wezen voor dat publiek, te weten, dat, zoo

lang er gesalariëerde secretarissen van philantropische instellingen

zijn, geen stadsdominee ooit er toe zal kunnen komen zijn tijd te

verluieren, hetzij door moderne godgeleerdheid te bestudeeren of door

te praten met zijn gezin.

Veronderstel echter, dat door den een of anderen buitengewonen zegen,

de dominee een avond vrij heeft, werkelijk vrij--wat zoo ongeveer

zesmaal per winter voorkomt--en hij begint aan zijn vrouw eens iets

voor te lezen, of zij onthaalt hem op wat muziek of de heele familie

bladert een kunstwerk door, of--want ik wil zijn zwakke zijde niet

verbergen--zij spelen een spelletje samen, zijn vrouw, zijn kinderen

en hijzelf. De bel gaat over en de dominee ziet zijn vrouw aan; hij

weet, wat dat beteekent. Het is in zulke oogenblikken, dat zijn geloof

in een persoonlijken duivel, wiens slimheid even groot is als zijn

boosaardigheid, ten sterkste bevestigd wordt.

Niet dat de bezoeker op een vreemde zoo'n duivelachtigen indruk maakt,

want hij is eenvoudig een fatsoenlijk, niet bijzonder opmerkelijk

burgerman, behoorende tot de Gemeente van den dominee of tot die van

een anderen predikant, die even goed op elk ander uur had kunnen komen

en zeker op een anderen tijd zou gekomen zijn, als hij een koopman had

willen spreken, maar die inbreuk maakt op des dominees vrijen tijd met

de stille, doch onbepaalde gedachte, dat, daar de dominee den geheelen

dag voor zich zelf had, de avonduren wel ter beschikking van het

publiek konden zijn. Wat de boodschap van den bezoeker betreft, hij

had even goed kunnen schrijven, maar hij gevoelde, dat het beter kon

behandeld worden bij een persoonlijk onderhoud--een kwartier was lang

genoeg. Wat ten slotte erop uitloopt, dat deze spraakzame heer den

heelen avond bij den predikant in de studeerkamer zit en wanneer hij

heen gaat, vol van spijt, dat hij den dominee zoo lang heeft

opgehouden, dan zijn de kinderen naar bed en de domineesvrouw zit

eenzaam in de leege voorkamer.

Daar is geen tweede mensch, die op deze manier lijdt, zelfs een

geneesheer niet, want de menschen dringen niet in zijn consultkamer en

blijven er zitten, terwijl zij bij hun gezin behoorden te zijn en hij

bij het zijne zou willen wezen. Dokters hebben een hard leven, want

zij kunnen op elk uur worden geroepen en beziggehouden van 's morgens

tot 's avonds, maar zij hebben ten minste geen last van toevallige

bezoeken en beuzelachtige gesprekken om de eenvoudige reden, dat als

iemand bij hen komt, hij niet langer dan een kwartier mag blijven en

hij moet betalen voor den tijd, dien hij blijft. Natuurlijk is een

dominee ten dienste van zijn Gemeente op elk redelijk uur en op elk

uur is hij bereid den stervende en den achterblijvende te dienen; maar

als elke vreemdeling, die geen enkel recht op hem heeft en die tot hem

komt voor zijn eigen zaken, een billijk honorarium moest betalen en

het dubbele ervan, indien hij des avonds kwam, dan zouden wellicht de

kinderen van een predikant hun vader leeren kennen en de domineesvrouw

zou niet behoeven te klagen, dat zij bijna nooit haar man ziet.

Als een koopman zijn kantoor verlaat en naar zijn huis gaat, zou hij

zeer verwonderd zijn, indien daar een makelaar hem kwam opzoeken en

een zaak voorstellen. Een arbeider heeft rust in zijn eigen huis, maar

een domineeshuis is een doorloop, waarin alle soorten van menschen

zich bewegen. Waarom kan het tehuis van een predikant niet even heilig

zijn als dat van een handelaar? Waarom mag hij niet even goed als een

advocaat zijn uren van dagelijksche rust hebben? Wanneer zullen de

Gemeenten en het publiek toch eens begrijpen, dat indien een man

verplicht is op de hoogte te blijven van de beste gedachten van den

tegenwoordigen tijd en zich meester te maken van de schoonste

denkbeelden uit het verleden, wanneer hij zijn herderlijke plichten

behoorlijk moet vervullen en zijn aandeel moet hebben in de

voornaamste zaken der gemeenschap, zijn tijd dan beschermd moet

worden tegen indringers en zijn krachten niet moeten verknoeid worden

in onbeduidende vergaderingen? Wanneer zullen de menschen begrijpen,

dat zijn arbeid even ernstig is en even geregeld is als die van elk

anderen man, die een ambt bekleedt en dat, dewijl zijn tijd behoort

aan zijn Meester, even goed als zijn talenten en al wat hij overigens

bezit, diezelfde tijd niet behoort aan gesalariëerde beambten en

spreekgrage bezoekers? Wanneer dat duidelijk begrepen wordt, dan zal

het voor de eerste maal tot zekere verstanden doordringen, dat, hoewel

de predikant vele zaken moet doen, een daarvan niet is, dat hij in de

maatschappij de plaats moet innemen van menschen, die het druk hebben,

of dat hij een spreekmachine is op tweede-rangs godsdienstige

bijeenkomsten.

X.

VACANTIE.

Daar is geen predikant, met een gezond hoofd en gevoelig hart, die

niet in vrede en vriendschap wenscht te leven met alle afdeelingen

zijner Gemeente, maar in het bijzonder is elke dominee gesteld op den

eerbied en het vertrouwen der jonge lieden. Dit is niet, omdat dezen

wijzer dan de oudere menschen; ook niet omdat zij geestelijker zijn,

maar omdat zij minder vormelijk en in hooge mate oprecht zijn.

Een vrouw zal, uit welwillendheid en eerbied een dominee eer bewijzen,

omdat hij dominee is; een jonge man respecteert hem wegens zijn

persoonlijke eigenschappen. Als de predikant een ondegelijk,

gekunsteld, laf of lui man is, dan, al was hij twaalf maal geordend en

zoo welsprekend als Apollo en al had hij een zalvende stem en

voordracht en al was hij nog zoo innemend in zijn omgang, doorzien

jonge mannen hem; zij verachten hem, willen niets met hem te maken

hebben, en weigeren naar de kerk te gaan om zijnentwil, terwijl zij

daarentegen, al is de dominee niet knap en zijn preek oppervlakkig, al

praat hij maar heel eenvoudig en heeft hij weinig verstand van de

gebruikelijke godsdienstige termen, naar hem zullen gaan luisteren, en

voor hem zullen opkomen, als achter zijn rug over hem gesproken wordt,

hem zullen bezoeken in zijn studeerkamer en hem raadplegen, zoodra zij

in de klem zitten, indien zij hem kennen als een degelijk man, die

hard werkt en den moed zijner overtuiging bezit in woord en daad.

Zij zijn geen rechters in heiligheid en loopen gevaar werkelijk goede

mannen te onderschatten, omdat dezen soms week en verwijfd zijn, maar

zij zijn onfeilbare rechters in manlijkheid en bovenal gelooven zij

in een dominee, die een flink man is. Zij vragen niet van hem, dat hij

meedoet aan hun spelen, want hij wordt misschien al wat oud of heeft

een gebrekkig lichaam, maar zij eischen van hem, dat hij in de

levenssport zich dapper en eervol gedrage.

De ware dominee is er volmaakt mee tevreden geoordeeld te worden naar

den maatstaf der jonge lieden--hoe hij het groote levensspel

speelt--maar het hindert hem soms, dat jonge mannen denken, dat hij op

één punt een bijzonder voordeel heeft, en hij is de laatste man om een

voorgift in den wedstrijd te begeeren. Hij wenscht niet beschut te

zijn tegen kritiek of iets toe te krijgen wegens zijn positie, maar

hij wil zijn werk doen en gebruik maken van zijn goede kansen, hij wil

zijn tegenspoed verdragen en zijn strijd strijden precies als elke

andere man. En daarom is de dominee terecht prikkelbaar omtrent één

punt van beoordeeling en dat is zijn vacantie.

Verleden zomer--willen we aannemen--bracht hij de maand Augustus op

het land door en deed daar niets noemenswaard, behalve wandelen en

klimmen en visschen en kolven en rijden en vijftig andere dingen, die

hij als jongen ook gedaan had. Hij had zijn vacantie verdiend met elf

maanden te preeken, te onderwijzen, te studeeren, vergaderingen te

presideeren, raad te geven, te troosten, te berispen, te bezoeken, te

regelen en vijftig anderen dingen, die hij, toen hij een jongen was,

nooit gedacht heeft ooit te zullen doen. Zijn geweten was aan het

einde van den dag volmaakt zuiver, ofschoon hij geen woord geschreven

had, omdat hij den volgenden Zondag geen preek behoefde te hebben, en

ofschoon hij geen enkel bezoek had afgelegd, omdat er geen mensch te

bezoeken was, en hij wenschte zich zelf geluk, omdat hij in de lange

dagen van ledigheid lichaamskracht opdeed en zijn geest nieuw leven

verwierf voor het werk, dat in den winter hem wachtte.

Eens op een avond kwam een tweewieler langs den eenzamen weg in

vollen spoed en de rijder sprong eraf aan de poort; hij kwam, gekleed

in zijn luchtig costuum en blootshoofd door den tuin; zijn gezicht was

verbrand tot chocolade-kleur toe, hij zelf overdekt met stof, prettig

vermoeid na zijn rit van veertig mijlen, maar vol gezondheid, kracht

en vroolijkheid. Hij daagde den dominee uit als eerlijk man precies te

zeggen of hij hem kende.

Hem kende! de dominee, zonder te kort te doen aan de deugd der

waarheidsliefde, mocht zeggen, dat hij wist, wie hij was; want hij was

immers de jonge man, die Zondags morgens altijd op de punt van de

voorste bank in den zijvleugel zat en des Zondags avonds orde hield in

een jongensschool in het Oost-einde en die altijd bereid was een oogje

te houden op den een of anderen kameraad en die zoo'n flink jongmensch

was, als er maar konden wezen.

Hij werd in vroolijken triomf binnengehaald en na zich gewasschen te

hebben en een stevig maal te hebben gebruikt, zwierven de dominee en

hij rond langs de helling van den heuvel en zij spraken over vele

zaken; toen zij terugkwamen, zetten zij zich neder in den tuin te

midden der geurige bloemen, totdat zij van slaap niet langer konden

spreken. Des morgens beklommen zij den heuvel van de achterzijde en

bekeken de landstreek en toen aanvaardde de jonge man zijn reis weer

en bij een kromming van den weg nam hij afscheid; en terwijl hij

vaarwel zei, schudde hij eenigszins treurig het hoofd, want hij ging

naar het naaste spoorwegstation en den volgenden dag zou hij weer hard

aan het werk zijn in het brandende kantoor in de city. «Mijn laatste

dag", zei hij tot den dominee, toen zij scheidden, «en het is een

allerprettigste geweest" en ofschoon de jonge man den dominee niet

benijdde, dat hij nog veertien dagen vacantie had, kon deze toch niet

nalaten te gevoelen, dat zijn vriend wel dacht, dat de dominee beter

af was dan hij.

Toen die gelukkige zomerdag alleen nog maar in de herinnering bestond,

zaten beiden eens weer te zamen in de studeerkamer van den

dominee--dezen keer voor de brandende houtblokken. Zij spraken over

vele dingen--onder andere ook over dien tuin met zijn rijkdom aan

anjelieren--en de dominee maakte den jongen man deelgenoot van zijn

overdenking en verklaarde te gelooven, dat elke jonge man dezelfde

meening koesterde in den grond van zijn hart. Men kwam overeen, dat

men dadelijk een bespreking zou openen en de dominee nam op zich te

bewijzen, dat hij minder vrijen tijd had dan een kantoorklerk en dat

niet om een belachelijke stelling te verdedigen, maar omdat hij

meende, dat het de waarheid was. De jonge man had er schik in om

tegenpartij te wezen.

Het was inderdaad een eenvoudige rekensom om twee rijen cijfers neer

te zetten op een velletje papier en het kleinste getal van het

grootste af te trekken; het verschil zou over den uitslag van het

twistgesprek beslissen.

Daar de dominee een stadsparochie had en een voorname Gemeente, werd

hij edelmoediger behandeld dan menig ander van zijn collega's en had

hij zes vrije weken per jaar, welke hij verdeelde in twee deelen, een

maand aan het eind van den zomer en veertien daag in de lente, wanneer

het zware winterwerk geëindigd was. En dit maakte samen twee en

veertig dagen. Tusschen Januari en December had hij waarschijnlijk

behalve zijn vacantietijd nog wel eens een dag, dat hij uit de stad

ging of een halven dag, dien hij in de stad naar vrije verkiezing

besteedde. De heele dag buiten werd zeer dikwijls doorgebracht met

kolven en den halven dag in de stad gebruikte hij om in een

bibliotheek te snuffelen en de boekwinkels te plunderen. Laten al die

halve en heelen dagen in het geheel te zamen acht dagen uitmaken,

zoodat des dominees vacantie in alles en alles vijftig dagen bedroeg.

Terwijl de dominee zelf dit totaal nederschreef, meende zijn

tegenstander, dat het nauwelijks de moeite waard was zijn zaak te

verdedigen. Toen de dominee aanhield en den jongen man een blad papier

gaf en een potlood, had het er veel van, dat de geheele zaak niet veel

meer dan op een grap zou uitloopen.

«Twaalf dagen is de regel in ons kantoor en het is een bijzondere

tref, wanneer men in Augustus kan gaan, want het kunnen ook dagen in

April zijn," zei de jonge man. En hij was reeds bezig twaalf af te

trekken van vijftig en benieuwd wat de dominee zou zeggen over een

meerderheid van acht en dertig.

«Tellen de Zondagen mee bij uw verlof?" vroeg de dominee. De jonge man

gaf toe, dat dit niet zoo was en zoodoende werd het getal twaalf

veranderd in veertien, maar dat maakte niet veel verschil.

«Is uw kantoor open op Kerstdag?" ging de dominee voort. «Ik denk van

neen; evenmin als op Nieuwjaarsdag, op Paaschmaandag, of op

Pinkstermaandag. Gewoonlijk is de tweede Kerstdag ook een vrije dag en

Goede Vrijdag ook. Zoo gaan we aardig de hoogte in; dat zijn zes

dagen, die gij niet gerekend hadt en dan is er een vrije beursdag in

het begin van Augustus, dien gij liefst buiten uw jaarlijksche

vacantie sluit. Hoever zijn wij nu? Een en twintig dagen, dat wil

zeggen--drie weken. Het is niet veel voor iemand, die zoo hard werkt;

maar het is toch meer dan gij hadt uitgerekend."

«Ja, het vermindert uw meerderheid, maar die is toch altijd nog

aanmerkelijk--negen en twintig dagen meer voor den dominee dan voor

den klerk."

«Misschien," antwoordde de predikant, «maar uw firma moest zich toch

eigenlijk schamen,--en zij heeft zoo'n goeden naam en doet zulke

groote zaken!--dat haar klerken den geheelen Zaterdag moeten werken

inplaats van een halven vrijen dag te hebben. Niets, zou ik zoo

zeggen, zou voor een jongmensch aangenamer zijn dan eens op zijn fiets

naar buiten te gaan op den Zaterdag-achtermiddag, in den tijd, dat de

bloemen beginnen uit te komen en dat de heggen het eerste groen

vertoonen of op een anderen tijd een paar uur te gaan schaatsenrijden

in het heldere, reine versterkende winterweer. Ik heb medelijden met

u," zei de dominee, «dat gij dien halven vrijen Zaterdag niet hebt.

Gij zijt al even slecht af als ik, voor wien Zaterdag op een na de

drukste dag van de week is."

De predikant stond op en wierp een nieuw blok op het vuur, want hij

was een edelmoedig man, met een tikje humor, en hij wilde zijn vriend

niet verlegen maken.

«Daar heb ik nooit aan gedacht," zei de jonge man rondborstig, «dat is

eerlijk waar. Ik herinner me, dat ik eens medelijden met u kreeg, toen

ik ging schaatsenrijden en bij u aanliep om te vragen of ge meegingt

en dat ge bezig waart met het maken van uw avondpreek."

«Welnu," zei de dominee, «twee-en-vijftig maal een halve dag is

zes-en-twintig heele dagen, en daar afgetrokken de twee halve dagen,

die in uw geregelde vacantie vallen, blijven er vijf-en-twintig heele

dagen over, die moeten opgeteld worden bij uw een-en-twintig dagen,

dat maakt zes-en-veertig, of ik moet heelemaal niet kunnen tellen.

«O!" zei de dominee, «heb ik gelijk of niet? Gij staat nu

zes-en-veertig tegen mijn vijftig. Ik moet u gelukwenschen met uw

minderheid. Geen dominee klaagt over zijn werk, zelfs niet over de

drukte en beslommering van den Zaterdag, maar ik vertel u eerlijk,

Dick, er zijn oogenblikken, dat hij een leek den Zondag benijdt, want

de Zondag is de rustdag van den leek en voor den dominee de dag van

harden arbeid. Op dien dag slapen de meeste menschen des morgens iets

langer--ofschoon gij waarschijnlijk des Zondagsmorgens te vijf uur

opstaat om Duitsch te bestudeeren--en dan ontbijten zij op hun gemak;

want waarom zouden zij zich haasten, het is immers geen werkdag?

Tusschen het ontbijt en den kerktijd praten zij over alle soorten van

zaken en doorbladeren boeken en lezen brieven, die van verre gekomen

zijn en gevoelen zich geheel op hun gemak. Als het mooi weer is,

kiezen zij den langsten weg om naar de kerk te gaan, liefst door een

plantsoen of een park en zij drentelen kerkwaarts met ongedwongen

geest. De vader zit met zijn gezin in hun bank en kan zonder afleiding

en zonder vrees zich geheel wijden aan den eeredienst. Misschien denkt

hij nooit eens aan de domineesvrouw, die als was zij een weduwe in

haar bank zit met hare als verweesde kinderen, want het hoofd des

gezins vervult op dien dag zijn zwaarste taak en heeft zooveel te doen

bij het leiden van de godsdienstoefening der anderen, dat men

nauwelijks kan zeggen, dat hij tijd genoeg heeft om zelf God te

vereeren. Wees zoo goed niet in de rede te vallen"--want de jonge man

gaf teekenen van toenadering om zich over te geven.

«Weet je," zei de dominee, in het dansende vuur starend, «dat ik

eenige jaren geleden eens een Zondag voor mij zelf had met mijn gezin,

en ik kan nog het aangename van dien dag smaken in mijn herinnering.

Wij begonnen na het ontbijt te praten over Bijbelsche personen en

godsdienstige onderwerpen en ik kwam voor het eerst te weten, hoe mijn

jongens er over dachten. Wij zochten boeken op, waarover gesproken

was en ik las mijn geliefkoosde gedeelten uit dichters en liet

zeldzame uitgaven zien en deed mijn kast met gebonden boeken eens

open, waar de banden tegen licht en stof beschermd stonden. We

babbelden, we verbeuzelden onzen tijd een weinig, we vermeidden ons in

onze schatten. We dronken thee in den tuin, we praatten over den ouden

tijd, we maakten plannen voor de toekomst. Wel, ik wandelde met mijn

gezin naar de kerk, met licht gemoed en zonder reden tot haast. Zoo

zeer genoot ik den dag, dat ik besloot er al van te halen, wat te

halen was.

«Denkt gij, dat ik in de kerkekamer ging vóór den dienst, omdat het

mijn consistorie was en dat ik den dominee inlichtingen gaf omtrent de

aankondigingen, omdat het mijn kerk was? Zeker niet. Ik ging binnen

door de voordeur, precies als ieder ander lid van de Gemeente en

knikte vriendelijk de kerkeknechts toe, als ik hen voorbij ging. Ik

liep door de gangen achter mijn gezin en ging zitten aan het eind van

de bank net als ieder ander hoofd van een gezin. Na den dienst ging ik

naar de kerkekamer en na binnen gelaten te zijn, dankte ik den dominee

voor zijn preek als een van zijn hoorders en toen ging ik naar huis en

praatte met mijn jongens over den dienst, want het gesprek liep over

de preek van een ander en ik kon op al de mooie gedeelten wijzen. Dien

achtermiddag tijd te mijner beschikking hebbende, bezocht ik een zaal,

waar een man met een eigenaardige gave aan twee honderd ongeleerde

boeren de beginselen van den godsdienst ontvouwde en kwam tehuis

heerlijk verfrischt en toen lazen wij weer en praatten en mijn gezin

en ik werden heel innig, omdat wij tijd hadden en omdat het Zondag

was.

«Bij de avondbeurt had ik het genoegen een jongen man aan de deur op

te visschen, die op een plaats wachtte en ik nam hem mee naar mijn

bank en legde hem uit, dat hij 's avonds altijd daar kon gaan zitten

en dat ik blij was, dat hij was gekomen, omdat wij stellig een

heerlijke preek zouden krijgen. Hij keek mij eenigszins nieuwsgierig

aan en wilde wat zeggen, toen ik hem voor was en uitlegde, dat ik dien

dag niet de dominee van de kerk was, maar eenvoudig zelf toehoorder.

Ik praatte al weer met mijn gezin na den dienst--het aangename van den

hak op den tak springen, wat echter niet nutteloos behoeft te zijn,

van menschen, die niet vermoeid, overspannen zijn en zoo eindigde de

dag van rust in een vriendelijke gezelligheid en innerlijke rust. Wij

moeten allen iets opofferen, Dick, maar de zwaarste opoffering, die

een dominee heeft te doen is zijn Zondag, want zij is tot schade van

zijn eigen ziel en die van zijn familie. Wees dankbaar voor uw rustige

Zondagen en behoud ze met jaloerschheid voor de rust van geest en

lichaam."

«Ge hebt uw zaak bewezen," zei Dick; «door vijftig Zondagen en vijftig

halve Zaterdagen er bij te voegen, wordt mijn vacantie zes-en-negentig

dagen tegenover vijftig van u."

De Dominee en zijn Gemeente · 第 6 / 8 段