vooral wanneer hij zoo'n goede kerel is, maar cijfers zijn niet
voldoende om de zaak geheel uit te drukken, omdat er ook nog gelet
moet worden op het verschil in den aard van het werk, dat verricht
wordt, laat ons zeggen in een kantoor en in een studeerkamer. Ik weet,
dat zaken nauwkeurigheid vereischen, dat er voortdurende inspanning
noodig is en dat men telkens voor verrassingen staat en voor
teleurstellingen en dat er kans is op grooten tegenspoed, maar de man
van zaken heeft ook zijn eigenaardige voordeelen. In de eerste plaats
is er een grens aan zijn werk, en als hij des avonds thuis komt, laat
hij zijn werk achter. Aan den arbeid van den predikant nu is geen
grens. Hij blijft altijd boven zijn hoofd hangen, roept altijd zijn
gedachten tot zich, zijn werk spant altijd zijne zenuwen bovenmate,
het drukt altijd op zijn geweten. Wanneer hij zich een gezelligen
avond veroorlooft, dan verkeert hij niet in dezelfde gunstige
omstandigheden als de andere gasten, omdat zij hun brieven hebben
afgeschreven en hun geheele dagtaak hebben afgedaan en wanneer zij
naar huis gaan dan zal dat wezen om nog even een laatste hoofdstuk van
een boek te lezen vóór zij naar bed gaan; maar hij rukt zich los uit
werk, dat half af is en als zijn vrienden reeds zijn ingeslapen,
brandt op zijn lessenaar het licht nog. Daarenboven--en, Dick, gij
kunt u niet verbeelden, wat dat beteekent--de koopman weet, dat hij
een zekere hoeveelheid werk in acht uren kan verrichten, omdat het
over zaken handelt; maar de dominee weet nooit wat hij kan doen, omdat
zijn werk betrekking heeft op denkbeelden. De noodzakelijkheid van
voort te brengen, zelfs wanneer de geest niets heeft te uiten, werkt
op de zenuwen van den dominee en kan zijn gezondheid benadeelen.
«De dagbladschrijver schrijft elken dag, maar hij heeft nieuwe
onderwerpen om over te schrijven; de letterkundige werkt wanneer hij
gestemd is; de dominee moet schrijven over een oud onderwerp--ofschoon
het belangrijkste wat de geest kan bevatten--en hij moet schrijven,
onverschillig of zijn geest helder of dof is. Misschien is er niemand,
die zulke oogenblikken van vreugde kent als hij--wanneer hij bezield
is; zeker heeft niemand zulke uren van gedruktheid--wanneer hij niet
tot zijn onderwerp kan opklimmen. Alleen door geduldig lezen en
onophoudelijk gebed kan hij zijn taak vervullen, en dan is hij steeds
zoo sterk mogelijk ingespannen en kent nooit de rust van den man, die
zijn werk verricht met overvloed van tijd, kracht en denkbeelden.
Wanneer de dominee komt te overlijden, terwijl hij nog in de Bediening
is, dan zal hij op zijn sterfbed in zijn laatste oogenblikken van
bewustheid nog iets te zeggen hebben omtrent een brief, die niet
beantwoord is en nog eenige verklaringen te geven hebben aan een
gezin, dat niet bezocht is en wanneer zijn geest begint af te dwalen,
zal hij ronddolen tusschen teksten, waarmee hij gestreden heeft en
pogingen, die niet tot het doel hebben geleid."
«Hij behoorde elk jaar twee maanden te hebben," riep Dick, «en als ik
diaken word, zal ik zorgen, dat mijn dominee daarenboven elke zeven
jaar een half jaar vacantie krijgt, opdat hij daarna weer beginne als
een geheel nieuw mensch, naar geest en lichaam."
«Ge zijt een beste kerel, Dick, en ge zijt verstandig voor uwe jaren
en als de Kerk haar predikanten behandelde op deze wijze, dan zou zij
daar veel voordeel bij hebben. Want elke nieuwe gedachte, die
doordringt tot den geest van den dominee, en elk nieuw boek, dat hij
leest en elke nieuwe landstreek, die hij ziet en elke nieuwe
kunstverzameling, die hij in zijn vacantie bezoekt, vermengt zich met
zijn woorden, met zijn leven en de goede zorg, de edelmoedigheid der
Gemeenten zou met woeker terugkomen tot hun eigen zielen."
XI.
HOE EEN DOMINEE HERLEEFDE.
Men kon niet zeggen, dat de dominee te oud was geworden, want hij was
nog in de kracht des levens; ook niet dat zijn gezondheid wankelend
was, want hij was sterker dan in de dagen zijner jeugd; ook niet, dat
hij had opgehouden te studeeren, want hij las meer dan ooit; ook niet,
dat hij zijn tijd niet begreep, want hij was door en door een denker
van het heden. Men mocht niet denken, dat hij minder ijverig was in
zijn herderlijk werk of minder bekwaam in het regelen van zaken, ook
niet, dat hij twist had gehad met zijn Gemeente of zijn Gemeente met
hem; ook niet, dat de geest van het district was veranderd of dat de
kerk haar lidmaten had verloren. Hij preekte even goed als hij ooit
deed, en met meer kracht en wijsheid dan twintig jaar geleden. Er
waren evenveel leden op de lijst en er werd evenveel geld
gecollecteerd en evenveel werk gedaan en de Kerk had een uitmuntenden
naam. Het was moeielijk den vinger te leggen op eenige wondeplek bij
dominee of Gemeente en toch was de dominee zich bewust en de menschen
hadden een onbepaald gevoel, dat er iets haperde. Er was minder
geestdrift in de Gemeente, de plichtsvervulling was trager, men
haastte zich minder, gehoor te geven aan een verzoek en er was minder
opkomst bij de extra-diensten. Er was minder enthousiasme, minder
vrijwillig werk, minder trouw.
Na vijftien jaren dienst in dezelfde parochie, na al dien tijd
dezelfde menschen te hebben toegesproken, en noodzakelijkerwijze
altijd hetzelfde te hebben gezegd, en altijd zich bewogen te hebben in
dezelfde wijk, was de dominee zonder eenige fout van zijne zijde, maar
eenvoudig tengevolge van de zwakheid der menschelijke natuur, een
weinig moede geworden. Hij had zijn frischheid verloren, niet van
gedachte of van uitdrukking, maar de frischheid van geest; hij had die
lichtheid van ziel, dat hoopvolle in den toon en die eeuwige
opgewektheid in de toespraak verloren, waardoor de menschen eens waren
aangetrokken en waardoor hij hun hart had gewonnen. En van hunne zijde
hadden zij de frischheid verloren te zijnen opzichte; niet dat zij
geen eerbied voor hem hadden of niet dankbaar waren voor vroegere
diensten of voor zijn tegenwoordigen arbeid, maar zij misten nu dat
gevoel van grootsche verwachtingen van hem en zij konden niet meer zoo
liefhebbend genieten in hem en zij spraken niet meer met zooveel
blijdschap over hem. Hunne harten klopten niet sneller, wanneer hij
preekte; het was niet een merkwaardige gebeurtenis, als hij een bezoek
bracht en men voelde geen groot ledig, wanneer hij weg bleef. Er was
nog steeds een eerlijke genegenheid tusschen den dominee en zijn
menschen, maar zij had den hartstocht en het romantische van vroeger
jaren verloren. Zij was nu niet opzienbarend, maar regelmatig;
misschien een ietsje te kalm en ingetogen om liefde te heeten.
De menschen waren zoo gewoon geworden aan hun dominee, aan zijn
voorkomen, zijn stem, zijn denkwijze, zijn eigenaardigheden, dat zij
in staat waren hem te critiseeren en zijn fouten met veel
nauwkeurigheid op te merken. Het kon hem niet schelen of hij
tegengesproken werd, en hij had aanleg om boos te worden, wanneer men
zich tegen zijn plannen verzette; hij was te zeer ingenomen met
zekeren gedachtengang en preekte niet altijd om te stichten; hij had
neiging om zich binnen een beperkten vriendenkring op te sluiten en
was niet voldoende ter beschikking van allen; hij gaf te veel aandacht
aan werk buiten de Kerk en verzuimde soms zijn herderlijke taak; hij
stond erop zijn vrije uren te gebruiken, zooals hem goed docht en
scheen er niet aan te denken, dat hij eigenlijk in het geheel geen
vrijen tijd behoorde te hebben; hij was soms knorrig, wanneer hem
extra-werk werd opgedragen en hij was niet altijd welwillend, wanneer
hij iets doen moest, dat niet tot zijn eigenlijke werk behoorde. Tien
jaar geleden zou niemand hebben durven zinspelen op deze fouten, want
dan zouden de medeleden hem hebben uitgemaakt voor een onredelijk
mensch. De dominee was toen juist zooals hij nu is, maar zijn fouten
werden toen eenvoudig beschouwd als groote opgewektheid en ernst en
vriendschap en toewijding en geestelijk plichtsgevoel. Hij was toen
volmaakt bij de schemering van het morgenlicht; hij is nu een gewoon
mensch, wiens onvolmaaktheden duidelijk gezien worden in den glans van
het volle zonlicht. De dominee ook is nu in staat zijn menschen op een
afstand te beschouwen en hen onpartijdig te beoordeelen, terwijl zij
eens hem allen lief toeschenen zonder vlek of rimpel of iets van dien
aard en gij hadt veiliger het voorkomen van een bruid kunnen gispen in
tegenwoordigheid van haar bruidegom, in de bruidsdagen zelfs, dan dat
gij één fout hadt mogen aanwijzen in de Gemeente van dien man. Hetzij
dat zijn oogen beter hebben leeren zien of dat zijn hart verkoeld is,
hij is niet meer onder bekoring; en ofschoon hij zulke zaken niet in
het openbaar zou willen zeggen, weet hij heel goed wat er hapert aan
zijn menschen. Eenigen van hen zijn hopeloos ingenomen met hun eigen
inzichten en ontoegankelijk zelfs voor het beste licht, wat hij
natuurlijk meent, dat het zijne is. Anderen zijn zoo liberaal, dat zij
bijna in het geheel geen geloof meer hebben en hij vergeet te
bedenken, dat hij verantwoordelijk is voor dit gemis aan geloof. Nog
anderen zijn zoo wereldschgezind, dat de ernstigste godsdienstige
roepstem geen invloed heeft op hun leven en dan zijn er nog, die zoo
liefdeloos zijn, dat zij voor de beste zaak niets over hebben om haar
te steunen. Het doet hem pijn, dat jonge menschen, die hij onderwees
en liefhad niet langer trouw aan hem zijn, maar anderen stemmen dan de
zijne de voorkeur geven en met evenveel geestdrift spreken over
anderen, als zij eens spraken over hem; en hij voelt het gemis van die
kleine vriendelijkheden, die hem zoo dierbaar waren niet om de waarde
ervan, maar omdat zij de heiligheid der vriendschap bezegelden. Hij
gelooft nog, dat zijn Gemeente beter is dan eenig andere; hij denkt
nog aan hun trouw in het verledene; maar de dagen der eerste liefde
zijn voorbij en zijn hart is somtijds bezorgd.
Op een avond waren de ambtsdragers van de Kerk bijeengekomen en toen
de zaken waren afgehandeld, raakten zij aan het praten over het
kerkelijk leven en over hun dominee. Zij waren over het geheel zeer
eerwaarde, gevoelige, goedhartige en oprechte mannen, die wenschten
hun best te doen met hun dominee en hem in geen enkel opzicht te
ergeren; zij droegen altijd zorg, dat hij behoorlijk zijn salaris
ontving en een aangename vacantie had; zij zouden nooit klagen zonder
reden en zouden zeker nooit ervan droomen iemand te vragen heen te
gaan of hem ter zijde te zetten na langen dienst zonder een
fatsoenlijk jaargeld. Maar zij waren niet in hun schik met den gang
van zaken en na veel over-en-weergepraat, na veel half uitgesproken
plannen, veel wenken, veel aanduidingen en veel omschrijvingen was het
bijna een uitkomst, toen de heer Judkin, de voorzitter, en een sterke
persoonlijkheid in woord en daad, uitdrukking gaf aan wat in hen
omging.
«Er is geen mensch," zei hij, «voor wien ik inderdaad dieper eerbied
gevoel dan voor onzen dominee, want hij heeft hard gewerkt en onze
Gemeente er bovenop gebracht. Hij is een zeer belezen man en een goed
prediker en niemand kan de minste aanmerking maken op zijn leven of
zijn gedrag; maar er is geen twijfel en ik meen, dat het beter is zoo
iets te zeggen dan dat het in het geheim gevoeld wordt, dat op de een
of andere wijze onze dominee langzamerhand zijn invloed op de menschen
verliest en dat de Gemeente in toon en in hart niet is, wat zij placht
te wezen. Mijn indruk, broederen, is dat, hoewel het een gevaarlijke
onderneming voor ons is en hoewel wij waarschijnlijk nooit iemand
zullen krijgen, die voor ons doen kan wat onze dominee in het verleden
voor ons gedaan heeft, toch zijn werk hier is afgeloopen en dat het
best zou wezen, dat hij en wij eens veranderden." En toen Judkin de
vergadering rondzag, bemerkte hij, goed begrepen te zijn en daaruit
putte hij aanmoediging voort te gaan.
«Onze dominee staat zoo goed aangeschreven in de Kerk en zijn
reputatie is zoo groot, dat hij gemakkelijk een andere plaats zou
kunnen krijgen, als hij wilde. Inderdaad heb ik reden om te gelooven,
dat hij dikwijls in de gelegenheid is geweest om te veranderen, maar
hij heeft altijd geweigerd een beroep in overweging te nemen. Er is
niemand in de Gemeente, die den dominee zou willen vragen om heen te
gaan--zeker zal ik het niet doen; maar ik maak me sterk, dat een nieuw
begin in een nieuwe plaats het best zou wezen voor hem en ik voel mij
verplicht er bij te voegen, misschien het beste zou zijn voor ons.
Eén zaak zou ik echter nog willen zeggen en dat betreft een geldzaak.
Wij hebben geen arme Gemeente en wij zullen altijd wel in staat zijn
ons te redden, maar wij hebben een vrij groot tekort in kas en bij de
laatste aansporing van den preekstoel is er maar weinig weerklank
gegeven. Als de leden wat beter gestemd waren, zouden de noodige
vijfduizend gulden in een week zijn bijeengebracht."
Er was een pauze, waarin verschillende broederen met knikjes en
blikken den heer Judkin te kennen gaven, dat hij in hun geest
gesproken had en toen werd het stilzwijgen verbroken door den heer
Stonier, die in de Gemeente en er buiten bekend was wegens uiterste
zuinigheid in geldzaken, een totale afwezigheid van gevoel en een
ijselijke openhartigheid in het spreken. Men voelde, toen hij het
woord nam, dat als de heer Judkin een spijker had ingeslagen in de
goede richting, de heer Stonier dien zou inslaan tot aan den kop,
maar... men kan nooit weten! «We kunnen hier," zei mijnheer Stonier,
«veronderstel ik, zeggen wat we denken, en er zijn geen reglementen
of orders van den dag. Wat mij aangaat, ik wist niet, dat wij van
avond hier kwamen om onzen dominee te oordeelen en ik wist niet, dat
de heer Judkin en de overigen van plan waren hem min of meer ronduit
op beschaafde, Christelijke, deftige wijze te vragen naar een andere
plaats om te zien. O jawel, dat is jelui bedoeling, maar ge zijt een
troep van zulke poeslieve menschen, dat ge het woord niet uitspreekt
en niet zegt, wat ge meent! Wat mij aangaat, ik ben vijftien jaar lang
lid van deze Kerk en toen ik hier kwam, was het huis bijna leeg en nu
is het vol en de dominee heeft vijftien jaar lang hard gewerkt. Nu, ik
laat mij er niet op voorstaan, dat ik een philanthroop ben, en ik geef
nooit een cent voor de «bekeering der Joden" en ook niet voor de
«vereeniging tot voeding van de straatslijpers," noch voor eenig ander
plan, waarvoor jelui pleit. Ik ben niet, wat men noemt, een milde
gever, maar ik hoop, dat ik een eerlijk man ben; en ik zal u zeggen,
dat, indien ik een man op mijn kantoor had, die mij vijftien jaar
gediend en zijn werk goed gedaan had, en ik stelde dan voor om hem weg
te zenden, omdat het mij verveelde altijd hetzelfde gezicht aan zijn
lessenaar te zien en hetzelfde handschrift onder de oogen te krijgen,
dan zou ik mijzelf beschouwen als een schavuit; en ik dank God, dat ik
zoo iets nooit gedaan heb met een van mijn bedienden. Als gij iemand
kunt aanwijzen, die in mijn kantoor is werkzaam geweest en dien ik heb
weggezonden, omdat ik een nieuw gezicht wenschte te zien, dan geef ik
vijfhonderd gulden aan Timbucho of aan welke andere zending gij maar
wilt."
Niemand dong naar den prijs, want het was wel bekend, dat, ofschoon de
heer Stonier zoo hard was als ijzer voor liefdadigheid onder
onbekenden, hij een uitmuntend meester was in zijn eigen zaken.
«Wat betreft het tekort in de fondsen der Kerk, indien dat de reden
is, waarom de dominee ontslagen moet worden, dan ben ik bereid om de
geheele som zelf bij te passen; en ik doe dat, versta mij wel, als een
bewijs van eerbied en dankbaarheid--dankbaarheid, ziet ge, heeren,
voor vijftien jaren van harden arbeid!"
Deze man van duidelijke taal was nauwelijks gezeten of de heer
Lovejoy, de vriendelijkste en aangenaamste mensch van de heele
Gemeente, die eenigen tijd lang zeer beweeglijk was geweest, begon te
spreken.
«Ik wensch niet te twisten met de lieve broederen, die gesproken
hebben, want de heer Judkin is te sterk voor mij en niemand zou
broeder Stonier kunnen beantwoorden op zijn schoon aanbod. Zeer
edelmoedig en juist overeenkomstig zijn vriendelijk hart, dat ik
sedert vele jaren heb leeren kennen bij mijn kleine werken der liefde;
maar dat is een geheim tusschen mijnheer Stonier en mij. Wat ik wensch
te zeggen, is, dat ik onzen dominee liefheb om hetgeen hij is en om
hetgeen hij geweest is voor mij in tijden van groote droefheid.
Toen..... ik mijn lieve vrouw verloor, bracht hij dag aan dag troost
aan mijn hart en onze predikstoel zal voor mij nooit dezelfde zijn
zonder onzen dominee."
Dat was alles, wat de heer Lovejoy zei.
Het scheen echter, dat hij een verborgen snaar had aangeraakt in elk
der aanwezigen en de een na den ander had iets te zeggen. Het leek wel
of zij de zaak, waarover gesproken werd, vergeten waren, zoowel als de
kiesche opmerking van den heer Judkin. De een stond op om te zeggen,
dat de dominee hem getrouwd had, en dat hij nooit de toespraak bij het
huwelijk zou vergeten; een ander had eens plotseling een kiemen jongen
verloren en hij geloofde niet, dat zijn vrouw en hij ooit de
beproeving zouden doorstaan hebben zonder het meegevoel van den
dominee; een derde had wereldsche beproevingen doorgemaakt en het was
door een preek van den dominee, dat hij was staande gebleven; en een
vierde, die zooals iedereen weet, aan vreeselijke verleidingen had
blootgestaan, wenschte nederig te verklaren, dat hij dien avond geen
ambt in een Christelijke Kerk zou bekleed hebben zonder de hulp van
den dominee in tijden van moeielijkheid. Anderen keken, alsof ook zij
wel iets te zeggen hadden en een diaken gebruikte heimelijk zijn
zakdoek en eindelijk stond de heer Judkin zelf weer op en toonde zich
een man, waardig een Kerk te besturen en te leiden.
«Broederen," zei hij, «ik drukte de meening uit, die in mijn gemoed
was, en ik ben dankbaar, dat ik haar onder woorden gebracht heb, want
het spreken heeft mij verlicht en u goed gedaan. Ik neem nu terug, wat
ik zei: ik was een weinig moedeloos. Broeder Stonier heeft volmaakt
gelijk en hij heeft ons allen een hart onder den riem gestoken; en als
hij het tekort dekt, waarvoor wij hem allen zeer verplicht zijn, dan
zal ik gaarne zien, mannen broeders, dat ge mij toestaat de kerk in
het najaar te schilderen, want de verf wordt een weinig bleek en ik
zou dat willen doen als een erkentelijkheid voor hetgeen de dominee
geweest is voor mijn vrouw toen onze jongen tusschen leven en dood
zweefde."
Het voorbeeld van den heer Judkin bracht de ambtsdragers op een nieuw
spoor; de een bood aan nieuwe liederenboeken te geven voor de
Zondagsschool, waaromtrent eenige moeielijkheid was gerezen; een ander
verklaarde, dat als de kerk opnieuw geschilderd werd, hij er voor
wilde zorgen, dat ook het wijkgebouw een nieuw kleed kreeg; een derde
bood aan een vierde gedeelte te betalen van het salaris voor een
zendeling om den dominee er van te ontlasten en drie andere
ambtsdragers eigenden zich de overblijvende drievierden toe, totdat er
op het laatst niemand was, die zich niet het recht had verzekerd,
persoonlijk voor zichzelf, om iets te doen, klein of groot, voor de
Kerk, en iedereen deed, wat hij aanbood, uit dankbaarheid aan den
dominee voor al wat hij voor hen was geweest en gedaan had gedurende
vijftien jaar. En ten slotte maakte de heer Lovejoy al zijn broederen
week in een gebed, waarin hij dominee en lidmaten bracht voor den
Troon der Genade en zoo pleitte, dat elk, toen hij de plaats verliet,
voelde, dat de zegen des Heeren op hem rustte.
De preekbeurt in de week werd gehouden op Woensdagavond en werd in den
regel zeer slecht bezocht. Dezen keer was de dominee naar de
consistorie gekomen met een benepen hart, en hij bad om de genade den
heer Lovejoy en een handvol vrome en eerzame vrouwen te kunnen
toespreken zonder blijk te geven van ontmoediging en zonder hen
moedeloos te maken. Daar waren tijden geweest in het verleden, dat de
dienst in de kerk was gehouden en de heer Judkin placht in de stad op
de opkomst te pochen; toen was men uit de kerk naar de groote zaal
gegaan; maar in den laatsten tijd werden de weinigen, die kwamen,
bijeengeroepen in een kamer, omdat het aangenamer is een kamer bijna
vol te zien dan een voor driekwart ledige zaal.
De kamer was vlak naast de kerkekamer en vóór hij naar binnenging, kon
hij tellen of er meer of minder dan het gewone dertigtal zouden zijn.
Dezen avond gingen zoovele voeten voorbij zijne deur en er was zoo'n
levendige drukte, dat hij geloofde, dat er wel veertig zouden wezen,
wat een belangrijk aantal was en hij begon zich lafheid en ongeloof te
verwijten. Hij keek den liederenbundel door om een keus te doen, toen
de deur openging en de heer Lovejoy binnenkwam met zooveel blijkbare
tevredenheid op zijn beminnelijk gelaat, dat de dominee zeker was van
iets prettigs. «Vergeef me, dat ik u stoor," zei de goede man, «maar
ik kwam vragen of gij niet in de groote zaal zoudt gaan van avond? De
kamer is al vol en er komen elke minuut meer menschen. Het zou mij
niets verwonderen, als er honderd, misschien tweehonderd kwamen," en
mijnheer Lovejoy's gelaat straalde en zonder het te weten drukte hij
voor de tweede maal des dominee's hand.
«Ge kunt zeker zijn, dat ik maar al te blij zou zijn, maar.... wat
beteekent dit? Weten zij, dat ik zelf zal preeken?" En de dominee leek
bezorgd, uit vrees dat de menschen misschien toegestroomd waren in de
hoop, dat de een of andere vreemdeling van naam zou spreken.
«Natuurlijk weten zij het en daarom zijn ze gekomen," antwoordde de
heer Lovejoy met groote blijdschap; «voor geen mensch anders zouden er
zooveel gekomen zijn en als gij van avond niet preektet, zou dat de
grootste teleurstelling zijn, die de menschen ooit ondervonden; maar
ik moet mij haasten om toe te zien, dat alles in de zaal in orde
komt," en een minuut later hoorde de dominee het geluid van vele
stemmen, toen de menschen vroolijk verhuisden van de kamer naar de
zaal en zelfs in de consistorie was het te merken, dat er een groote
schare zou zijn. Terwijl hij peinsde over de beteekenis hiervan, werd
al weer de deur geopend en weer kwam de heer Lovejoy binnen.
«We hadden niet genoeg geloof," riep hij, «we hadden dadelijk naar de
kerk moeten gaan. Broeder Stonier zei op zijn gewone besliste manier:
'geen halve maatregelen, vooruit naar de kerk;' maar ik was bang, dat
er niet genoeg zouden zijn. Ik had ongelijk, heelemaal ongelijk, de
kerk zal mooi vol worden van onder tot boven, want de menschen komen
gestadig toestroomen--het is een prachtig gezicht, zoo'n stroom. Ik
zal u komen halen, als zij allen gezeten zijn; maar geef hun tijd,
want het is niet gemakkelijk van de eene plaats naar de andere te
gaan, zooals wij van avond gedaan hebben; maar we zullen het anders
aanleggen den volgenden Woensdag, dan gaan we dadelijk in de kerk
juist als in vroeger tijden" en de heer Lovejoy verliet de consistorie
als op vleugelen.
Toen de dominee in de kerk kwam, was deze bijna vol en hij gaf met
eenige moeite den eersten psalm op, want het schoot in zijn ziel, dat
deze menschen gezien hadden, dat hij moedeloos was en dat dit een
vernieuwde genegenheid was. Het gebed viel hem zelfs zwaarder dan het
lied, ofschoon zijn hart diep bewogen was door dankbaarheid aan God en
teeder pleitte voor de menschen. En toen hij genaderd was aan de
toespraak, wierp hij zijn papier met punten ter zijde, want het leek
hem te koud en te vormelijk en hij las den honderd-zesentwintigsten
psalm langzaam en met bevende stem en in plaats van uitlegging, hield
hij op tusschen de verzen en de menschen begrepen. Toen hij het
laatste vers las: «Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al
gaande en weenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen,
dragende zijne schoven"--aarzelde hij een oogenblik en toen.... sprak
hij den zegen uit. Na een oogenblik stil gebed lichtte hij het hoofd
op en zag, dat de menschen nog wachtten. De heer Judkin stond op, en
naar voren komende voor den lessenaar, dankte hij den dominee
verstaanbaar voor al zijn werk--en toen kwamen zij allen, mannen,
vrouwen en kinderen--en elk zei op eigen manier hetzelfde; en het
gerucht heeft geloopen, dat Richard Stonier, die het laatst kwam en
niets zeide, voor de eerste en eenige maal in zijn leven van zijn stuk
was gebracht.