Er zijn Kerken, die zeer onverstandig geven en het geld, dat zij

uitgeven om iets half goed te doen ware beter in de zee geworpen. Zij

onderhouden stichtingen voor inwendige zending in arme wijken der

stad, wat feitelijk niets anders zijn dan inrichtingen, waar

propaganda gemaakt wordt voor pauperisme en de Gemeenten, in die

wijken gevormd, bestaan grootendeels uit lieden, die bezwaar hebben om

tusschen twee maaltijden te werken. Elk jaar worden er verslagen

openbaar gemaakt, die aantoonen hoeveel personen de bijeenkomsten

bezochten en op hartverscheurende wijze rekening doen van de ellende,

die gelenigd is. Het is een feit, dat, wanneer gij aan een bekwaam

organisator zesduizend gulden per jaar geeft om in een flinke

achterbuurt te besteden, die man daar, wanneer ge maar wilt, een

Gemeente zal stichten van een vijfhonderd leden; en als de leden van

de moederkerk er heen wenschen te gaan en tegenwoordig te zijn bij een

geestdriftvolle bijeenkomst, dan is het eenig noodige daartoe, dat een

van de rijke kerkleden dien avond als gastheer fungeert. De

vergadering zal evenmin uit een oogpunt van getalsterkte als uit dat

van geestdrift iets te wenschen overlaten en de lieve menschen van de

rijke Kerk zullen naar huis gaan met het gevoel, dat zij een bloeiende

zending hebben en ontzachelijk veel goeds doen, terwijl er heel veel

kans bestaat, dat zij in den godsdienstigen zin des woords in het

geheel geen zending hebben en dat hun geld onberekenbare schade heeft

berokkend.

Over het geheel genomen komen zendingsinrichtingen, onderhouden op

ruime schaal door rijke Gemeenten precies overeen, wat het zedelijk

resultaat betreft met de armhuizen, gesticht door menschen, die meer

geld hebben dan zij weten te besteden en niet genoeg hersens om te

weten, hoe het te gebruiken.

Wanneer het geld, dat rond gestrooid wordt in soepuitdeelingen en

dergelijke stichtingen tot het instandhouden van bedelaars en hun

gezinnen, gebruikt was voor het bouwen van een dergelijke kerk, waar

de eerlijke armen God konden dienen met behoud van zelfachting, of van

gezonde woningen, waar de werkmenschen netjes konden wonen tegen

matige huur of tot het instellen van een beurs voor studenten, arm in

geld maar rijk in hersens om hun in de gelegenheid te stellen hooger

onderwijs te genieten, dan zouden de maatschappelijke hervormers reden

hebben de Kerk te zegenen en de Kerk zou vrij wat meer goeds

verrichten in de gemeenschap.

Een Kerk van het West-End behoeft echter juist niet naar het Oost-End

te gaan om zulk kwaad te verrichten, want zij kan, als zij dat wil een

kweekplaats van fatsoenlijke landloopers stichten binnen haar eigen

grenzen. Wanneer een dominee en de lidmaten zijner Kerk den naam

hebben van een week hart te bezitten, wat dikwijls beteekent dat zij

wat zwak van hoofd zijn, dan verspreidt zich dat nieuws wijd en zijd

en het aantal bezoekers der godsdienstoefening neemt onmiddellijk toe.

Kleinhandelaars, die hun zaak tot bloei willen brengen en niet

uitsluitend durven vertrouwen op de deugdelijkheid der goederen, die

zij verkoopen; jonge lieden, die hun betrekking verloren hebben, omdat

zij niet willen werken; dames, die het beneden zich achten om iets te

doen voor haar levensonderhoud en deskundigen zijn in wat men zou

kunnen noemen fatsoenlijke strooptochten; onbekwame kooplieden, aan

wie geen bank honderd gulden crediet zou willen geven, maar die hopen

duizend te krijgen door middel van aanhalingen uit de Bergrede--komen

zich gezamenlijk nederzetten binnen de beschuttende muren van deze

Christelijke schuilplaats.

Als men hen wil gelooven, komen zij allen om de uitmuntendste en

aandoenlijkste redenen: omdat bijvoorbeeld hun vorige Gemeente koud

was en zij in een warmer atmosfeer wenschten te leven; omdat zij een

zegen ontvingen onder de prediking van den dominee en het als een

voorrecht beschouwen zijn zielszorg te genieten; omdat zij begeeren

eenig goed werk te doen en uit de verte gehoord hebben van den ijver

van deze Gemeente; maar hoofdzakelijk wegens het hooge geestelijke

standpunt van dominee en lidmaten beiden, dat deze eenvoudige zielen

als een magneet heeft getrokken naar hun natuurlijk tehuis.

Hun eigenlijke reden, om het in zuiver Hollandsch te zeggen, is, dat

zij geen lust hebben te werken voor hun brood, zooals eerlijke

menschen doen en dat zij van plan zijn zich op de Christelijke

liefdadigheid te werpen. Zij stellen niet het minste belang er in, wat

de dominee preekt of is, mits hij maar geen oordeel des onderscheids

hebbe; zij komen alleen en heel eenvoudig om te bedelen. Zij zijn zeer

bekwaam voor hun eigen vak en hebben het fatsoenlijk bedelen opgevoerd

tot de hoogte eener schoone kunst. Zij beginnen niet, zoodra zij

aankomen, te vragen en de allerslimsten onder hen zullen zelfs nooit

over geld spreken. Hun wensch is, zooals zij aan den predikant in zijn

studeerkamer duidelijk maken een bedeesdheid en kieschheid, die een

diepen indruk maken op hem, als hij een eenvoudig vroom man is zonder

ervaring, niets anders dan een hoekje in zijn kerk te hebben, waar zij

kunnen nederzitten en zich drenken met de zuivere melk van het Woord

en het eenige, waarover zij zich bekommerd maken, is, dat zij in de

eerste zes maanden niet in staat zullen zijn eenig plaatsengeld te

betalen of iets bij te dragen in het fonds voor de zending.

Zij hebben betere tijden gekend en toen was geven hun levensgenot. Een

groote tegenspoed heeft de familie gedrukt en zij maken onduidelijke

toespelingen op een groote som, verloren of door slecht gedrag van een

familielid of door een bankroet en nu zijn zij verplicht hoogst zuinig

te leven. Hun strijd om het bestaan, de dominee mag dat aannemen, is

zeer moeilijk; maar zij zijn niet gekomen om over zulke dingen met hem

te praten, doch, alleen om hem te verzekeren, dat hij hun tot zegen

geweest is en om te zeggen, dat zij zoo gaarne zich nuttig zouden

willen maken in zijn Kerk. Al kunnen zij niet geven, zij zijn

tenminste willig om te werken en kiezen in den regel bij toeval een

afdeeling van Christelijken arbeid, waarvan het hoofd rijk is in de

goederen dezer wereld en bekend als mild.

Onder het oog van zulk een chef is er geen eind aan de werkzaamheid

van onze bedelende vrienden. Zij bieden aan om alles te doen. Zij

geven nieuwe plannen voor armenzorg aan de hand; zij brengen de oudere

arbeiders in de afdeeling van de wijs door hun drukte en den een of

anderen avond komen zij, op een ongelegen uur aandragen met een paar

guldens, die zij--zooals toevallig blijkt--uit hun mond gespaard

hebben voor een goede zaak. Daar zij niet in staat zijn om iets bij te

dragen in de kerkelijke fondsen, maken zij met hun eigen handen eenige

onmogelijke kerkezakjes, die zij in alle deftigheid aanbieden aan de

ambtsdragers der Kerk en die ontoonbaar zijn en ongeschikt voor

gebruik.

Daar zij op geen andere wijze hun dankbaarheid aan den dominee kunnen

toonen, komen zij op een avond, man en vrouw samen als collega's in

het bedelvak, en verzoeken hem een groote bouffante aan te nemen, die

zijn keel zal beschermen tegen de winterkoude te midden van zijn

onmetelijken arbeid, maar waarvan de kleuren en het model hem zouden

blootstellen aan een ontslag uit zijn bediening, indien hij het ding

droeg. De voorname leden der Kerk ontvangen met verjaardagen en met

Kerstmis kaartjes, vol vrome spreuken en opmerkingen; en als een kind

het ongeluk heeft eenigszins ernstig ziek te worden, bijv. windpokken

of mazelen krijgt, dan komen de bedelende vrienden regelmatig en op

treffende wijze vragen. Zij willen niet graag de moeder storen, maar

zij hebben zulk een genegenheid opgevat voor den kleinen lieveling,

dien zij in de kerk hebben gadegeslagen, dat zij rust noch duur hadden

voor zij wisten of de lieve jongen een rustigen dag heeft

doorgebracht. Zij willen niet indringerig zijn en zij vergeten niet,

dat hun omstandigheden veranderd zijn, maar zij hopen, dat het niet

als een beleediging zal beschouwd worden, dat zij een kleinigheidje

hebben meegebracht voor het zieke engeltje en zij vragen aan de moeder

om een onoogelijk stukje kandij aan het lieve lammetje te willen

overbrengen. Er zijn moeders en moeders, maar er is kans, dat de

moeder zeer getroffen wordt en in het algemeen, aangenaam aangedaan

door zoo veel belangstelling in haar kind, en ofschoon zij verstandig

genoeg is om de gift in het vuur te gooien, zal zij toch niet nalaten

de gevers met Kerstmis te gedenken.

Wanneer de spinnen het web van fijne draden gespannen hebben, en het

aan alle hoeken der Kerk stevig bevestigd is, dan is het opmerkelijk

hoeveel vliegen en niet enkel onnoozele, er in vast raken en hoe groot

de buit is. De kleerenklasten van de Kerk, zoowel van mannen als

vrouwen, staan te hunner beschikking en elke maand wordt gij bij de

ontmoeting met onzen bedelaar herinnerd aan den een of anderen ouden

vriend en het is zeer belangwekkend de kleeren, die de Gemeente

gewoonlijk droeg in de Kerk in nieuwe omstandigheden te zien

verschijnen. Hun huishuur wordt om beurten betaald door een troepje

barmhartige Samaritanen, waarvan elk gelooft, dat hij de eenige is,

aan wien ooit werd toegestaan den dienst te bewijzen en die het doet

onder belofte van geheimhouding, uit vrees dat schroomvallige

menschen, arm maar trotsch, zich gekrenkt zouden gevoelen en dat zij

de achting voor zich zelf, die nu, zooals zij zeggen, hun eenige

bezitting is, misschien zouden verliezen. De een of andere

vriendelijke dokter in de wijk bezoekt hen in geval van ziekte, zooals

dat vaak gedaan wordt door deze mannen, zonder geld of eenig ander

loon te ontvangen. Medische hulp in den vorm van versterkende

middelen, geleiën, vruchten, lekkernijen stroomen zoo voortdurend toe,

dat het niet bevreemdend is, dat de lieve kleine Alice niet spoedig

herstelt en dat de hulp van het gezin moet worden ingeroepen om de

snoeperij op te krijgen.

Later moet de kleine Alice, die met zorg ingewikkeld in doeken en

blijkbaar erg zwakjes rondgevoerd is om haar weldoeners persoonlijk te

bedanken en die daartoe den meest ongelegen tijd schijnt gekozen te

hebben, uit puur medelijden voor een maand naar buitengezonden worden

en de liefhebbende familie, die niet leven kan zonder Alice--zij

kunnen maar niet vergeten, dat zij vroeger rijk waren--moet

noodzakelijk met de herstellende gaan.

Ik zou te veel tijd noodig hebben om te spreken van al de leeningen,

die zij aangaan met bijna iedereen, rijken en armen. Als zij zoo iets

vragen, dan is het alleen door den uitersten nood gedrongen en onder

bittere schaamte; elke leening is de eerste, die zij ooit aangingen en

binnen veertien dagen zal het geld zeker worden teruggegeven; als pand

voor de richtige nakoming dier belofte wordt een ouderwetsche gouden

broche gegeven--het laatste erfstuk der familie. Niet eer dan nadat de

lange strooptocht geëindigd is en de bedelaars verhuisd zijn naar een

andere deftige Kerk, die op een behoorlijken afstand ligt, beginnen de

menschen hun verschillende aanteekeningen te vergelijken en de

rekening op te maken en dan komt men tot de ontdekking, dat naar de

laagste schatting het gezin op kosten van de Gemeente heeft geleefd

tegen ongeveer twee duizend gulden per jaar.

Deze berekening is natuurlijk, om tot de totale uitgaven te komen, te

vermeerderen met wat zij zelf verdiend hebben; maar in den regel kan

men aannemen, dat de balans daardoor weinig opgevoerd zou worden.

Indien men aan de vrouwelijke helft onzer bedelaars eenigen vorm van

arbeid voorstelt, dan krijgt zij het te kwaad met haar aandoeningen,

maar kan toch het feit niet verbergen, dat zij zeer beleedigd is. Het

is misschien dwaas van haar, verklaart zij onder een tranenvloed, maar

haar arme vader, die gewoonlijk in het leger gediend heeft, heeft vaak

gezegd, dat geen dochter, die zijn naam droeg, ooit tot werken mocht

afdalen en zij voelt aan zijn nagedachtenis verschuldigd te zijn deze

edele houding te blijven aannemen en men is dan natuurlijk zoo

beschaamd over het barbaarsche voorstel, dat men gaarne een

schadeloosstelling betaalt.

Het heeft volstrekt geen nut een betrekking te zoeken voor een jongen

man van deze soort, want de plaats, die gij voor hem vindt is of niet

geschikt voor zijn bijzondere bekwaamheden of nadat hij er drie dagen

geweest is, ontstaat er een geschil tusschen hem en den bestuurder der

zaak, dat bewijst, dat die directeur niet gewoon is geweest met heeren

om te gaan; en natuurlijk, zooals de moeder van den jongen man u

vertelt, kan haar zoon de geschiedenis van de familie niet vergeten.

Als de bedelaar een handelsman is en gij zendt hem klanten, waarom hij

inderdaad gebedeld heeft, dan zijn zijn waren zoo slecht, dat geen

mensch ze gebruiken kan en de prijs is zoo hoog, dat niemand lust

heeft hem te betalen; en daarbij behoort de handelsman gewoonlijk tot

die hooge en machtige klasse, die niet zich wil verlagen tot het maken

van iets op een andere, dan de degelijke, ouderwetsche wijze en die

vooral niet, al moest men van honger omkomen, beneden den prijs wil

leveren. Het feit is--het naakte feit--dat deze verheven handelaar

niet wenscht te werken, zoolang dwaze menschen hem willen onderhouden.

Langzamerhand doorziet de vriendelijkste dominee bij de toeneming van

het onderling verband tusschen de verschillende Kerken deze klasse en

hij komt er toe hen te onderwerpen aan een flinke arbeidsproef,

meenende dat vroomheid en bedelarij niet kunnen samengaan en

weigerende te gelooven, dat ooit iemand zegen geniet onder zijne

prediking, die niet wil werken voor zijn brood. Men mag ook aannemen,

dat een Christelijke Gemeente, al was zij de licht geloovigste

vereeniging op aarde, eindelijk al haar moed bijeen zal garen en

tegelijkertijd haar gezond verstand te werk zal stellen en dan zal

weigeren om de Christelijke kringen te maken tot een jachtveld voor

fatsoenlijke bedelaars, zoodat de godsdienstige levensmoeden een nieuw

middel zullen moeten uitvinden om te ontduiken aan de wet, dat wie

niet werkt, niet zal eten.

En het geld, dat wordt bezuinigd op deze parasieten, worde gevoegd bij

het fonds tot ondersteuning van emeritus-predikanten.

IX.

IS DE DOMINEE EEN LEEGLOOPER?

Niemand heeft meer reden tot dankbaarheid aan zijn publiek dan een

dominee, want ik ken geen dienaar, die vriendelijker behandeld wordt.

Hoewel er ongetwijfeld in een zoo groot lichaam als de Christelijke

Kerk vitlustige en slecht gemanierde Gemeenten zijn, juist zooals er

luie en verwarring stichtende dominees zijn, kan men toch zeggen, dat

over het algemeen de Gemeente liefderijk is in haar oordeel over haren

predikant, geduld heeft met zijn fouten, ten zeerste elk goed werk,

dat hij doet, waardeert en zeer dankbaar is voor al zijn goede

diensten. Er zijn niet veel klachten, die een welwillend dominee met

gezond verstand kan inbrengen tegen een gewone Gemeente, doch hij

heeft soms een grief tegen zijn vrienden, die hij niet openbaart, maar

die voortwoekert in zijn hart. Het is niet iets, dat zij zeggen of

iets, dat zij doen; het is het stille en misschien onbewuste

vermoeden, onbewust van hun zijde, dat hij niet genoeg te doen of dat

hij een aanmerkelijke hoeveelheid ledigen tijd heeft.

Kon hij staat maken op hunne woorden, dan zou dat vermoeden nooit in

hem opkomen, omdat zij slim genoeg zijn, en dat is heel vriendelijk

van hen, des Maandags tegen hem te zeggen, dat hij wel heel vermoeid

moet zijn na tweemaal zoo wondermooi gepreekt te hebben en dus moet

hij wel, daar hij toch maar een mensch is, meenen, dat zij zich

verbeelden, dat hij geheel op is na zulk een verstandelijke

uitputting. Weer een anderen keer vermanen zij hem, zoo langs hun neus

weg, na een praatje over het weer, zich voor overwerking te wachten en

zeggen zij niet te kunnen begrijpen, hoe hij in staat is, zooveel te

doen. Dit alles is heel vriendelijk en opbouwend en de dominee heeft

een aangenaam gevoel, dat zijn werk gewaardeerd wordt en dat hij een

van de hardste zwoegers van de wereld is.

Als hij ouder wordt echter, en meer waarde begint te hechten aan den

inwendigen toestand van het gemoed der menschen, dan aan de los door

hen daarheen geworpen woorden, dan gevoelt hij zich niet op zijn gemak

erbij, dat de menschen toch nog niet zoo bepaald overtuigd zijn van

zijn regelmatige bezigheden en zijn bezette uren. Lieve dames, en alle

dames zijn lief, noodigen hem op een theepartij en dergelijke

feestjes, waarbij hij de eenige heer zal zijn; of als er misschien nog

een is, dan is het een bejaard man, die zich reeds lang uit de zaken

heeft teruggetrokken. Terwijl de dominee de dame dankt voor haar

vriendelijke uitnoodiging, komt het hem in de gedachte, dat haar eigen

man niet op het aangename partijtje zijn zal, evenmin als haar zoon,

omdat zij het te druk hebben en zij zou er niet aan denken, een

advocaat of een koopman of een geneesheer of een dagbladschrijver te

vragen, tenzij het was voor een groote partij, waarop iedereen komt.

Het zou haar een dwaasheid toeschijnen een man van zaken van zijn werk

te halen zelfs om een uur door te brengen met haar en andere even

bekoorlijke vrouwen. De andere mannen zouden niet komen, omdat zij

niet konden. Zij moeten hun werk doen. De dominee wordt uitgenoodigd

omdat, zoo als de gastvrouw veronderstelt, hij geen werk heeft, dat

hem verhindert. En zij zou hem misschien weinig hoffelijk noemen en

zeker heel onvriendelijk, wanneer hij weigerde; en als hij zijn

weigering verdedigde door het bezet zijn van zijn tijd, zou wellicht

haar oordeel liefdeloos worden en kon zij wel eens meenen, dat hij een

andere reden had. Zat hij dan niet in zijn studeerkamer? Waarom kon

hij niet even goed in haar huis zijn? En zij zou nooit kunnen

begrijpen, dat hij juist op dien achtermiddag moest gebruik maken van

een eenige kans om een noodzakelijk boek meester te worden. Was hij

niet een half uur geleden haar huis voorbijgegaan en indien hij kon

uitgaan voor een wandeling, waarom kon hij dan dien tijd niet

doorgebracht hebben in haar tuin, en hij kan haar niet aan het

verstand brengen dat hij een zieke was gaan bezoeken.

Secretarissen van philantropische vereenigingen zijn hem komen vragen

om uit een buitenwijk naar het midden van de stad te gaan, en een

voorstel te steunen op een openbare vergadering van acht bejaarde

heeren en zeven-en-zeventig vrouwen van onzekeren leeftijd, met vier

fatsoenlijke bedelaars, die gekomen zijn om te zien of ze niet eenige

guldens kunnen leenen van den een of anderen barmhartigen Samaritaan.

Het was een uitmuntende vereeniging en ongetwijfeld was het noodig,

dat het bestuur herkozen wordt, en de dominee zei dat na verloop van

tien minuten, maar terwijl hij naar huis ging, moede en geërgerd is de

gedachte bij hem opgekomen of dit nu het beste gebruik was, dat hij

van zijn tijd kon maken en zou de secretaris, hoe onvermoeid die man

ook was en hoe dringend ook, er toe gekomen zijn een man van

zaken--dat is iemand, die werkelijk iets doet--te vragen zijn kantoor

te verlaten te midden van de drukte om drie volle uren van zijn tijd

te besteden om naar een buitenwijk te gaan en daar te zeggen, wat

totaal onbelangrijk was voor de menschen, op wie het geen bijzonderen

indruk zou maken? De dominee weet en de secretaris weet en iedereen

weet, dat de man van zaken met de minst mogelijke woorden neen zou

gezegd hebben, en dat iemand hem dat kwalijk zou hebben genomen,

terwijl iedereen hem een dwaas zou hebben genoemd, als hij er heen was

gegaan.

Zulk een tijdverknoeien is onmogelijk behalve voor overoude heeren en

voor dominees. En, natuurlijk, als de predikanten inderdaad hun tijd

thuis verbeuzelen met het lezen van tijdschriften of het kijken door

de ramen of als zij niets anders doen dan hun wijk rondslenteren om

beleefdheidsbezoeken te brengen en praatjes over het weer te houden,

dan zou het heel goed zijn, al was het maar voor de verandering, als

zij eens een achtermiddag zoek brachten met naar een vergadering te

gaan en het gehoor te overtuigen, dat inderdaad het bestuur behoort

herkozen te worden.

Treuzelaars van allerlei slag dringen de studeerkamer van een dominee

binnen bij voorkeur vóór twaalf uur 's morgens, omdat zij dan zeker

zijn hem thuis te vinden, en leggen hem in verbazend lange verhalen

uit, dat wij de afstammelingen van de verloren tien stammen zijn; dat

alle onzedelijkheid reeds lang uit de wereld verdwenen zou zijn, als

wij maar wortelen in plaats van vleesch aten; dat het werk, gedaan

door zeker iemand, wiens naam de dominee niet kan uitspreken op een

plaats in Klein-Azië, waarvan hij nooit gehoord heeft, het

allerbelangrijkste is onder dat der uitwendige zending, altijd alleen

afgaande op de mededeelingen van den man, die het salaris beurt in

Klein-Azië. Indien een van deze woordenrijke menschen en het zijn er

nog maar drie van een honderdtal, elk met het een of ander bijzonders

in het hoofd, het waagde een koopmanskantoor te bezoeken, dan zou hij

waarschijnlijk niet toegelaten zijn in de kamer van den patroon, en

als hij wel erin was gelaten, zou hij zeker gauw verzocht worden de

deur van achteren te bekijken.

De onbeschaamdheid van een treuzelaar is verbazend, maar zij heeft

grenzen en na eenige ervaring laat zoo iemand den koopman met rust en

in den regel probeert hij niet eens een geneesheer aan boord te komen,

maar hij nestelt zich als bij instinct en met een gevoel van «ik ben

hier thuis" in de studeerkamer van een dominee. Als deze een werkelijk

goed man is, dan is de bezoeker in zijn nopjes, want hij heeft een

hulpeloos slachtoffer gevonden; maar als de dominee maar onvolmaakt

heilig is, dan gaat de zeurkous bijna even vlug de deur uit als bij

den koopman, maar dan weet de dominee ook, dat zijn leven voortaan in

de macht is van de tong des beuzelaars.

Wat den dominee ergert en te meer naarmate hij minder zijn ergenis

luchten kan is, dat al die menschen gelooven, dat hij werkelijk niet

weet, wat hij met zijn tijd moet uitvoeren en dat die tijd tot ieders

beschikking is. Het feit is echter, dat de predikant van een

stadskerk, die getrouw zijn plicht doet, harder werkt dan iemand

anders in de maatschappij, behalve een arts met dagelijksche praktijk,

een dagbladschrijver en een naaister op een atelier, waar de zweep

gebruikt wordt. Hij kan des avonds zoo laat op zitten, als hij wil--en

inderdaad moet hij, laat ons zeggen, tot minstens twaalf uur op

blijven--om niet ten achteren te raken met zijn leesstof, maar hij

moet des morgens weer vroeg bij de hand zijn, omdat wellicht een

koopman hem komt spreken vóór negen uur, en omstreeks dien tijd moet

hij de eerste brievenzending geopend hebben, die zoo ongeveer uit een

twaalftal brieven bestaat en als hij het noodig oordeelt--en het is

noodzakelijk in een stad--moet hij dan ook een blik geslagen hebben

in de feiten, die den vorigen dag voorvielen in zijn stad en in de

wereld. Van negen tot een moet hij zich voorbereiden voor zijn taak op

den preekstoel, voor avondbeurten in de week, voor catechisaties, en

voor toevallig werk in kerk of vergadering, zoo vlug hij kan en het

uur, dat hij verliest met het ontvangen van bezoekers, moet laat in

den avond met interest ingehaald worden. Te een uur veroorlooft hij

zich iets te eten, ofschoon hij vaak niet aan de koffietafel in het

gezin kan verschijnen, omdat de een of andere slimme bedelaar weet,

dat dit de beste tijd is om hem thuis te treffen en, terwijl hij in

het drukst van het gesprek is, betreurt hij het verlies van zijn

maaltijd en verlangt naar den dag, dat Amerikaansche vindingskracht,

vruchtbaar in denkbeelden en spaarzaam met den tijd, een vloeibare

voedingsstof zal uitvinden, die hij door een buis tot zich kan nemen,

terwijl hij studeert.

De Dominee en zijn Gemeente · 第 5 / 8 段