In dien tusschentijd zullen de leden der Gemeente vergeten hebben,

dat het onmogelijk is voor welopgevoede lieden God te loven zonder

instrumentale muziek en in loutere onnadenkendheid zullen zij

hartelijker zingen dan zij in de laatste tien jaar gedaan hebben. Daar

er geen orgel is, moeten bekende wijzen worden opgegeven en de

menschen zullen verlof hebben God te vereeren uit volle borst. Wanneer

onwetende vreemdelingen in de kerk komen, die zich niet herinneren dat

er een orgel is, dan zeggen zij, dat zij nooit in hun leven beter

hebben hooren zingen en het koor zal zich beleedigd gevoelen door de

complimenten over de manier, waarop het de vergadering leidt, daar er

immers geen deftig koor is--een paar uitgezonderd--dat het niet als

een onbeschaamdheid beschouwt, wanneer de Gemeente het durft volgen en

dat er niet op staat alleen zijns weegs te gaan.

Als het orgel eindelijk weer in elkaar zit en de dag aanbreekt, dat er

weer op gespeeld kan worden, beweert de Gemeente verrukt te zijn; maar

zij heeft toch een boosaardig gevoel, dat de dagen harer vrijheid

voorbij zijn. Het was voor de leden der Kerk misschien nog mogelijk,

te trachten uit de verte een orgel te volgen, door water gedreven, en

gesteund door een daaraan geëvenredigd koor; maar zij zullen niet de

stoutheid hebben zich te bemoeien met een orgel, dat electrisch in

beweging gebracht wordt en dat bijgestaan wordt door een nog

verhevener koor. Indien de Gemeente echter al gewillig is uit een

gevoel van beleefdheid te zwijgen, dan wordt het electrische orgel

niet door zulke teere beweegredenen beheerscht, want de

buitensporigheden ervan zijn eindeloos. Als het vrijwillig er in

toestemt vooruit te spelen, dan zal het eindigen in een lang,

welluidend gejank, waarvoor niemand den organist aansprakelijk kan

stellen, en het zal een even welluidend getoet doen hooren onder het

gebed, welke geluiden misschien bedoeld zijn als antwoorden, maar niet

als zoodanig zijn gearrangeerd; en dan midden in een Te Deum zal het,

ten gevolge van den eenen of anderen bijzonderen aanleg tot het

stichten van verwarring, heil zoeken in een hardnekkig zwijgen.

Gedurende de eerste zes maanden na de opening zal het onder dokters

handen blijven en gedurende het daaraanvolgende jaar zal het min of

meer behept blijven met de gewoonten van een vroolijke en wispelturige

jeugd en de Gemeente zal heen en weer slingeren tusschen twee

meeningen, een geheime tevredenheid, wanneer het orgel niet speelt,

zoodat er een kans is op vrijheid bij het zingen en een sterke

begeerte om het op een kar te laden en het in de eerste de beste

rivier te doen werpen.

Wat het orgel, bij bouw en vernieuwing en vergrooting en stemming, elk

jaar kost aan rente van kapitaal en aan loopende uitgaven, zou

voldoende zijn om een zendeling te onderhouden in eenig vreemd land of

om een dominee te steunen in een arme stadswijk; en wat het den

organist, die zoo ongeveer van alles de schuld krijgt, kost aan

bezorgdheid, terwijl de goede man gewoonlijk een uur vóór den dienst

in zijn hemdsmouwen aan het tobben is in zijn schuilhoek en wat het

der Gemeente kost aan voortdurende verbittering, zou, indien het in

gelds waarde kon worden uitgedrukt en vermenigvuldigd met het aantal

der Kerken, die dan van een orgel verlost zouden zijn, voldoende zijn

om de schulden te delgen van de geheele uitwendige zending van de

Angelsaksische wereld.

Mijn eigen ondervinding van een koor en ook van een organist is een

zeer aangename en een van de bijzondere zegeningen, die ik niet

waardig ben; maar ik beweeg mij in de wereld en ik hoor van tijd tot

tijd iets. Daar een koor, zooals men vermoedt, bestaat uit een zeker

aantal uitgelezen personen, mannen en vrouwen, die begaafd zijn met

muzikaal gehoor en prachtige stemmen en die liefde hebben voor de

meest teedere en geestelijke van alle kunsten--de meest beschaafde

lieden feitelijk in een Gemeente--is men geneigd aan te nemen, dat de

heele atmosfeer van een koor vol liefde en vrede is. Toch worden soms

geruchten vernomen, alsof de twisten in sommige kerkkoren alleen in

hevigheid kunnen overtroffen worden door de vurigheid van een

vereeniging van Iersche patriotten en dat er niets zoo kleingeestig en

onbeteekenend kan zijn of het is in staat een koor in vlam te zetten.

Alles is aanleiding tot ergernis, zelfs een niets: de directeur van

het koor geeft iemand een plaats, die hem niet bevalt, laat hem of

haar een partij zingen, die haar of hem niet aanstaat, maakt een

aanmerking of geeft een pluimpje aan den verkeerden persoon, een

korist waagt een opmerking,--dit alles zijn even zoo veel bronnen van

ergernis voor den fijngevoeligen koorzanger. Hij begint te pruilen,

maakt onaangename opmerkingen, neemt ontslag of is oorzaak, dat eenige

anderen het doen en dan bij de een of andere groote gelegenheid nemen

al de koorleden ontslag en nemen een zoo gewichtige houding aan, dat

de gebeurtenis even belangrijk beschouwd wordt als een oorlog. In het

algemeen mag een koor zoo'n standje wel, want het geeft een prikkel

aan een kunstenaarsgestel. Maar er zijn toch eenige menschen, die niet

ten volle deelen in die blijdschap. Een van dezen is de arme dominee,

die zich op een goeden Zondag in de moeielijkheid bevindt zijn eigen

voorzanger te zijn en die als middelaar moet dienst doen bij elk

twistgesprek; en de anderen zijn de lidmaten der Gemeente, die gevaar

loopen ook in vlam gezet te worden door de vonken van dezen muzikalen

brand en die nooit zeker ervan zijn of zij niet den een of anderen

Zondag verplicht zullen zijn zelf te zingen.

Er zijn oogenblikken, maar misschien zijn het dwaze, dat een zeker

iemand met overdreven en beteekenisvollen spijt terugdenkt aan een

dorpskerk, waar een voorzanger het van ouds bekende en geëerde

schotsche wijsje «Martelaarschap" aanhief met een krachtigen toon en

waar een vergadering van mannen en vrouwen met heldere stemmen en

sterke longen die wijs volgde, terwijl geen enkele zweeg en het

geheele lied gezongen werd vol vuur, met hier en daar een bas- en een

tenorstem, zelfs misschien een altstem er tusschen in om de muziek

voller te doen klinken. En er zijn andere tijden, dat diezelfde zeker

iemand, die toch eigenlijk beter moest weten, zeer ontroerd is in

zijn hart, wanneer hij bij een zendingsbidstond de menschen een van

die wijzen hoort zingen die misschien geen zeer goede muziek zijn

en die voornamelijk zich leenen tot luid gezang, maar terecht

opwekkingsliederen genoemd worden, omdat zij de ziel verkwikken en

uitdrukking geven aan de blijdschap dier ziel, die voor het eerst

ervaart, dat God haar lief heeft en tot haar redding Zijn eenigen en

veel geliefden Zoon heeft gegeven.

Het is een goed ding, dat men hij den lofzang ter eere Gods de hulp

heeft van den goeden smaak en de muziek, ondergeschikt aan de rechten

der menschen, maar het beste is, dat de menschen zingen met lippen,

die God opent en uit harten, die verlost zijn op Golgotha.

VII.

EEN EIGEN BANK.

Er zijn heel wat veranderingen gekomen in de inwendige inrichting van

de kerk sinds de tijden onzer vaderen, maar geen verandering is van

meer beteekenis dan die vrije plaatsen, die in verhouding van evenveel

gewicht is als de vermindering van de voorrechten in Engeland en de

afschaffing van staatkundige onbevoegdheid. Men herinnert zich de

goede dagen van ouds, die wij voor een groot gedeelte goed noemen,

omdat zij oud waren en nu omsluierd zijn door een nevel van eerbiedige

genegenheid. Men ziet de lange rijen van familiebanken, elk zorgvuldig

afgescheiden van alle andere en door een deur, die van binnen gesloten

werd met een stevigen grendel of in geval dat de bezitter van hoogeren

stand was met een klein koperen boutje, afgescheiden van het publiek

in de gangen.

Indien de huurder van de bank behoorde tot de hoogste kringen van het

district, dan bedekte hij haar met laken--rood of groen--, legde er

een kussen in van drie duim diep--, dat in zijn plooien het stof

verborg van vijfentwintig jaar--en een kastje voor Bijbels, goed

gesloten, waarin de boeken voor de godsdienstoefening beveiligd waren

tegen vreemde handen. Er waren ook bankjes van een zeer stevige

makelij, niet om er op te knielen--want niemand, die in zulk een bank

thuis hoorde, zou er ooit aan gedacht hebben zulk een ongepaste

houding aan te nemen--maar om er gemakkelijk de voeten op te zetten.

En er was zelfs zoo iets als een plankje, waarop de elleboog

gemakkelijk kon leunen, opdat een arme zitter gelegenheid had zijn

hoofd op te houden met zijn hand, terwijl hij naar de preek luisterde.

Het was een belangwekkend gezicht en men denkt er nog met genoegen

aan, hoe de plaatselijke waardigheidsbekleder des Zondagsmorgens de

kerk inkwam om bezit van zijn sterkte te nemen en deel te hebben aan

den eeredienst. De bankopsluiter, een slimme oude man, opgebracht in

een kerkatmosfeer en op wiens gezicht zelfs de meest duistere

leerstellingen te lezen stonden, die een ambtelijk gesprek had gevoerd

met de diakens en die vijftig leden van de smalle gemeente had laten

voorbij gaan zonder hun meer dan een nauw merkbaar knikje en een

opmerking over het weer waard te keuren--met heel onderdrukte stem

geuit--komt naar voren om de hoofden der synagoge te ontvangen en hen

naar hunne zetels te geleiden. Hij gaat hen voor met statigen tred

door de gangen, noch ter rechter- noch ter linkerzijde omziende,

gevolgd door de vrouw van Dives, achter haar de kinderen, achter dezen

den vreemdeling, die tijdelijk binnen hunne poorten gehuisvest was,

en, eindelijk heel achteraan, den zelf-voldanen en verheven Dives

zelf.

Bij aankomst aan de deur van de versterkte heerenplaats, kijkt de

bankopsluiter, terwijl hij behendig de deur opent met één hand en

ronddraait op één voet, den optocht achter de open deur in het

gezicht, terwijl deze nog halfweg de doorgang is. Hij maakt een lichte

buiging en kijkt recht voor zich uit, eerbiedig, maar toch niet

onbewust van de plaats, die hij inneemt onder de bestuurders der Kerk,

terwijl de leden van de familie een voor een binnenkomen en hunne

plaatsen innemen, totdat er eindelijk nauwelijks plaats overblijft

voor den grooten man zelf. Het is echter voldoende, als hij zich maar

juist kan neerzetten, want in dat geval is de invloed van een zwaar

lichaam zoodanig, dat de ruimte er door ingenomen, langzamerhand

grooter wordt, terwijl de lichtere lichamen in de bank als van zelf

inkrimpen onder den dienst, totdat Dives eindelijk op zijn gemak zit.

Zeker, het had eenige moeite gekost om de deur te sluiten en onder

den dienst hoorde men haar vaak kraken en men kon niet helpen, dat men

hoopte--maar dat was, toen men nog jong was--dat door het een of

andere fortuintje de deur eens zou losschieten, en dat Dives, die er

al te sterk op leunde, terneer zou komen in de doorgang.

De bout echter, om niet te zeggen de scharnieren er bij, was stevig

gemaakt en de bankopsluiter zag wel, dat alles in orde is zoowel met

het oog op veiligheid als op waardigheid, en dan ging hij statig weer

terug naar de kerkdeur, niet onbewust ervan, dat hij zich loffelijk

had gekweten en dat hij tenminste eenigen indruk had gemaakt bij het

plechtstatig nederzetten van den rijken man en zijn familie in hun

bank.

Dives ontsluit het bijbelkastje met een sleutel, die bevestigd is aan

zijn ring en deelt de boeken uit, alsof het een prijsuitdeeling was in

een school, terwijl de moeder van het gezin aan de jongste leden

zoodanig voorraad lekkers geeft als voldoende zal zijn om uitgeputte

schepsels tegen de twee volgende uren te doen stand houden.

Het geval kwam voor, dat Dives ongehuwd was en niets anders had dan

zijn eigen hoogwaardigheid om zijn heerlijkheid te bezetten; maar de

plechtige binnenkomst geschiedde geheel op dezelfde wijze en hij zette

zich met waardigheid aan het einde der eenzame bank. En als gij zoudt

veronderstellen, dat de een of andere vreemde, die een plaats wilde

hebben, in Dives' bank werd ondergebracht, dan zoudt gij toonen geen

verstand te hebben van de bescheidenheid van den bankopsluiter; en als

gij u verbeeldt, dat iemand, die zoo maar eens de kerk binnenliep, zou

probeeren om binnen te dringen in die majestueuze ledige plaats, dan

kan uw verbeelding sterk genoeg zijn, maar zij is nog niet bestand

tegen de uitdrukking op het gelaat van Dives.

Vreemdelingen kwamen in vroeger dagen niet in kerken, tenzij als

gasten van een der families, omdat ieder zijn eigen kerk had en daar

ging hij heen door regen en in de brandende zon, wie er ook preekte en

wat er ook daar of elders te doen was. De menschen pochten er in die

dagen op, dat zij nooit rondzwierven en het had kunnen gebeuren, dat

een geheel onbekende vreemdeling den bankopsluiter had doen wankelen,

maar dan zou hij hem, daar hij steeds zich zelf gelijk bleef, in elke

gebeurlijkheid, naar zijn eigen bank gebracht hebben, die, met het oog

op omstandigheden, dicht bij den preekstoel was, zoodat de zwerver

niet behoefde inbreuk te maken op het eigendom van een en ander en

tevens onder behoorlijk toezicht gesteld werd.

Wanneer de kerk vol was, dan zag men het haar aan, dat zij stevig en

eerbiedwaardig was; dan wekte zij ook de gedachte op aan waardigheid

en welvaart en het is billijk erbij te voegen, dat ook een geur van

gezinseenheid en huiselijken welstand u zeer aangenaam en troostend

aandeed in die gemeente van den ouden tijd.

Als een ouderwetsch man en iemand, die misschien al te zeer ingenomen

is met het verledene, met al zijn fouten, wenscht geschokt te worden,

dan heeft hij alleen maar een van de hedendaagsche kerken te bezoeken

van den nieuwsten trant, die gewoonlijk vrij en open heeten, alsof het

herbergen waren of stukken waardeloos land, waar een hoop vuilnis was

neergegooid. Het open zijn is zoo ver mogelijk uitgestrekt, want niet

alleen zijn er geen deuren aan de banken en geen kastjes voor de

Bijbels en geen rugbekleeding en geen kussens, waarin gij kunt weg

zinken,--misschien zijn er vloermatten en bidbankjes--en is er

nauwelijks eenige afscheiding tusschen de banken, maar wellicht zijn

er in het geheel geen banken, alleen stoelen, en gij steekt uw

psalmboekje in een rekje aan den rug van den stoel van uw voorman, die

gaat verzitten, als gij dat doet en gij knielt tegen dien stoel--als

er tenminste mogelijkheid is om te knielen--en dan geeft gij uw

voorman een duw, wat hij natuurlijk kwalijk neemt. Het spreekt

vanzelf, dat er geen bankopsluiter is, omdat er geen banken behoeven

open gedaan te worden en meer dan dat, er is geen bijzondere plaats

voor u om te gaan zitten, om de eenvoudige reken, dat ge u kunt

nederzetten, waar ge wilt en elken keer ergens anders kunt neervallen,

indien ge dat wilt.

Geen pelgrim of vreemdeling behoeft zich te schamen in een

hedendaagsche kerk, want alle menschen die er zijn, verkeeren in

dezelfde omstandigheden als hij; allen zijn vreemdelingen, daar zij

geen recht hebben op een duim breed gronds, en allen zijn pelgrims,

daar zij geen tweemaal op dezelfde plaats behoeven te zitten. Niemand

kan zich beklagen over de zelfzucht van anderen, want alle dingen zijn

gemeenschappelijk bezit.

Wanneer Dives, opgesloten achter zijn deur, deed denken aan

uitsluiting, dan kan tot zijn verdediging worden aangevoerd, dat het

de uitsluiting was, die huiselijkheid beteekent, en in die bank was

een kleine gemeenschap--die het huisgezin is. En als er iets gezegd

kan worden voor algemeene vrijheid en openheid op grond van de

Christelijke broederschap en menschelijke gelijkheid, dan klampt men

zich toch nog vast aan het geloof, dat men recht erop heeft onder zijn

»eigen" te zijn--dat is te zeggen, met zijn vrouw en zijn eigen

kinderen--in het huis van God, en dat men het best God zal vereeren,

wanneer men in eenigszins afgesloten kring is.

Misschien zal een bezoeker zich vrijer gevoelen in een vrije en open

kerk, maar daar staat tegenover, dat het huisgezin in stukken gebroken

wordt aan de deur en geen gemengde menigte kan ooit een zoo sterke

Gemeente vormen of een, die een zoo geweldigen indruk maakt op het

gezicht als de lange rij van banken, laat ons in dit geval zeggen,

zonder deuren en stoffeering, maar waar toch in elk een huisgezin zit,

met de moeder aan het hoofd van de bank, den vader aan het achtereind

en de jongelingen en jonge dochters tusschen die beiden in. Want de

familie bestond eer dan de Kerk en als de Kerk iets anders zal zijn

dan een priesterlijk eigendom of een zaal voor voordrachten, dan

behoort zij te berusten op het huisgezin.

De bank is een getuigenis voor de familie en behoort gehandhaafd te

blijven, zonder de deuren, en het komt er volstrekt niet op aan of

iemand honderd gulden per jaar huur betaalt voor zijn bank of drie

gulden. De machthebbenden in de Kerk moeten er voor zorgen, dat ieder

gezinshoofd zijn eigen bank heeft, met voldoende ruimte erin voor hem

zelf, zijne vrouw en de kinderen, die God hun gegeven heeft. Er is

geen enkele reden te bedenken, waarom de rijke niet een flinke som zou

betalen voor zijn tehuis in het kerkgebouw. En velen onzer hebben

nooit kunnen begrijpen, waarom niet een handwerksman ook iets zou

geven voor zijn kerkelijk tehuis. Behoort een Christen niet te doen

wat goed is om zijn Kerk te steunen? Ieder man, die zich zelf acht,

wenscht te betalen voor zijn huis, hetzij het groot of klein is, en

iemands eer is er mee gemoeid te wonen in een armhuis, waar hij geen

huur betaalt en afhankelijk is van het publiek. Het is volstrekt niet

noodig, dat dit gevoel voor een eigen tehuis en persoonlijke

onafhankelijkheid verloochend wordt in het Huis Gods, maar het schijnt

eer wenschelijk, dat de man, die werkt en genoeg verdient om een huis

te onderhouden waar hij en zijn kinderen zes dagen van de week in een

zekere weelde en zelfachting samenleven, ook zijn deel draagt in de

onderhouding van het Huis, waar zij God vereeren op den zevenden dag.

Het is een armzalig schepsel, die wil dulden, dat een rijke man zijn

huishuur betaalt voor de zes dagen, en ik ben nooit in staat geweest

eenig onderscheid te zien tusschen het zijn van bedelaar op Zondag of

een bedelaar te wezen op Maandag.

Ik zou er echter willen bijvoegen, en met nadruk, dat het bezit van

een bank in den zin, waarin iemand zijn huis bezit, een maatstaf is

voor karakter en een gelegenheid tot gastvrijheid. Daar is een soort

van menschen, wie het niet alleen spijt, dat zij geen deur aan hun

bank mogen hebben, maar die liefst hun bank zouden willen afsluiten

met een dak, die het een vreemdeling kwalijk nemen als hij er in

komt--ofschoon er overvloed van ruimte is--als was dat een

persoonlijke beleediging en die vreemdelingen zullen verjagen, indien

zij bij ongeluk erin gebracht zijn vóór hun aankomst. Als zoo'n man

maar een halve bank gehuurd heeft, dan durven de kerkedienaars geen

andere huurders aannemen voor de andere helft, omdat hij met hen

twisten zal over de vraag welke helft zij mogen bezetten, over de

kwestie, wie het eerst moet binnen gaan, over een liederenboek, dat

niet op zijn plaats ligt of over een vriend, dien zij eens meebrachten

en die twee duim van zijn plaats in bezit nam. Billijkerwijze zij

gezegd, dat die man in de kerk niet erger is dan elders, want hij is

overal een vlegel--jaloersch, twistziek, onherbergzaam, onhandelbaar.

Maar zet als een tegenwicht tegen zulk een misbruik van de bank nu

eens mijn besten ouden vriend Jeremias Goedhart. Hij is nu alleen met

zijn lieve, beminnelijke gade, want de kinderen hebben zich een eigen

tehuis gevormd; maar hij houdt de familiebank en wil in geen geval die

opgeven. Somtijds lijkt het den bestuurders van de kerk toe, dat

Goedhart wel een banklooze familie bij zich kan nemen, maar zij

dringen niet op de zaak aan, daar zij er aan denken, hoe lang hij en

de zijnen de bank voor zich gehad hebben en hoe goed hij de ledige

ruimte gebruikt. Hij heeft een tal van boezemvrienden, die nu oud en

grijs zijn en die van tijd tot tijd met hem en zijn vrouw naar de kerk

komen en voelen, dat zij in zeer goed gezelschap zijn. Hij heeft ook

een grooten kring van kennissen, die bij honderden geteld kunnen

worden, en de personen van dien kring hebben ook de gewoonte wel eens

binnen te komen en in zijn bank te gaan zitten; en als hij een

vreemdeling aan de kerkdeur ziet, dan kan Goedhart niet laten een

woordje tot hem te zeggen, hem welkom te heeten en het beste te

wenschen. Als de vreemdeling toevallig een jonge man is, dan neemt hij

hem onder den arm en mee naar zijn bank en er bestaat veel kans, dat

hij hem naar zijn huis brengt en ten eten vraagt en hem zegt, dat hij

maar nooit alleen op zijn kamers moet blijven zitten, maar zijn huis

moet beschouwen als een tehuis.

En mevrouw Goedhart vertelt haar vriendinnen met veel voldoening de

grootte van den kalfsbout, dien zij op Zondagen hebben, omdat,

ofschoon hun eigen zoons zijn heengegaan, zij toch nooit nederzitten

zonder eenige jonge mannen als gasten en mijnheer Goedhart leerde hen

kennen door de kerkbank. Indien de een of andere familie in de Kerk

logés heeft en behoefte aan zitplaatsen, wel dan komen de kinderen van

de familie in de bank van Goedhart zitten en worden met open armen

ontvangen. Gezegend mogen zijn witte haren en scherpzinnig gelaat

zijn, nooit is hij volkomen gelukkig of geniet hij de preek ten volle,

tenzij hij zijn behoorlijk aantal gasten heeft; daar zijn tijden, dat

hij er een teveel meebrengt en dan wedijveren de andere bankbezitters

om het eerst een plaats aan Goedhart aan te bieden.

Zooals hij in de kerk is, is hij tehuis, hand en hart geopend, nooit

tevreden, tenzij vrienden komen en gaan, nooit boos dan wanneer zij

niet willen blijven eten bij hem, nooit zoo verheugd als wanneer hij

een flinke wandeling maakt of een praatje houdt over den ouden tijd

met hen, aan wie hij verbonden is door honderd banden van vriendelijke

woorden en daden. Zooals hij gehandeld heeft met alle menschen,

vreemdelingen zoowel als vrienden, in zijn Kerk en in zijn huis, zoo

zal God met hem handelen en wij kunnen als zeker aannemen, dat hem een

gastvrije ontvangst wacht daar waar de kerken der aarde veranderd zijn

in: het Huis onzes Vaders.

VIII.

DE FATSOENLIJKE BEDELAARS IN ONZE KERKEN.

Het is geen overdrijving, wanneer men zegt, dat men in het gebruik dat

iemand maakt van zijn geld een maatstaf is voor zijn karakter en een

openbaring van zijn aard. Er zijn menschen, die geld verliezen door

hun dwaasheden: zoeten inval; daar zijn anderen, die het uitgeven ten

gevolge van hun ondeugden--verkwisters; er zijn menschen, die het

opgaren met jaloerschheid--gierigaards; er zijn er ook, die het

uitzetten in weldaden--zij zijn de wijzen.

Wanneer ik zeg weldoen, dan denk ik niet aan die onberedeneerde

liefdadigheid, die geen onderscheid maakt en die, hetzij zij den vorm

aanneemt van aalmoezen aan een luien vagebond of van een ruime gift

tot het kweeken van armlastigen, een vloek is en geen zegen, een zonde

en niet een plicht. Wij behoeven den raad van onzen Heer aan den

rijken jongeling om zijn bezittingen te verkoopen en aan de armen te

geven niet letterlijk op te vatten, want ofschoon zulks misschien het

eenige bewijs van oprechtheid was, dat hij in die dagen kon geven, zoo

zou het een groote ramp zijn in onzen tijd.

Indien een millionair zijn bezittingen te gelde maakte en de opbrengst

uitdeelde onder dat droes onzer bevolking, dat niet werkt zoolang het

kan bedelen, dan zou hij het grootst mogelijke nadeel doen aan zijn

medemenschen. Indien diezelfde millionair zijn fortuin gebruikt om

gelegenheid te geven tot eerlijken arbeid, waardoor de menschen zich

zelf en hunne gezinnen kunnen onderhouden, dan zal hij aan zijn

medemenschen den grootsten zegen verschaffen, die in zijn macht is.

Wat het geval moge geweest zijn in den ouden tijd, er kan niet ontkend

worden, dat de man, die in onze dagen een fabriek vestigt in een

kleine stad tien maal beter doet dan hij, die zijn kapitaal zou willen

gebruiken om een armhuis te stichten.

Wanneer een man behoorlijk voldaan heeft aan de eischen van zijn

gezin, en waarvan hij goed heeft zorg gedragen voor de aanvulling der

fondsen voor zijne zaken, dan zijn misschien de beste twee dingen, die

hij kan doen met het overtollige van zijn kapitaal, het te gebruiken

om de kennis van God te doen brengen aan hen, die in de duisternis

zitten of de onschatbare gift eener goede opvoeding te doen toekomen

aan hen, die hongeren en dorsten naar kennis. Het is zoo treurig, dat

vele menschen niet hebben geleerd te geven, maar het is even treurig,

dat velen niet weten, waar zij geven moeten. Om goed te geven, moet

men zoowel zijn hoofd als zijn hart raadplegen, en leeren geven is een

oefening van het brein zoowel als van iemands gevoel.

De Dominee en zijn Gemeente · 第 4 / 8 段