ernstige vraag of hij, na de zestig eenigen tijd achter den rug te
hebben, nog wel in staat is zijn werk naar behooren te verrichten. De
menigte bijkomende werkzaamheden in een stedelijke parochie, het
drukke leven, de groote inspanning van den geest en de zware
verantwoordelijkheid eischen een man in den bloei des levens, met een
vlug begrip en een sterk lichaam. Zooals de toestand nu is, zou het
heel goed zijn, indien mannen na twintig jaren dienst in een stad zich
terugtrokken en een rustiger arbeidsveld zochten in een landelijke
Gemeente. Zij zouden, als het ware, geplaatst kunnen worden op de
lijst der half gepensionneerden.
Daarenboven is het niet te ontkennen, dat de man van middelbaren
leeftijd door geheel en al afscheid te nemen voor zich zelf van de
jeugd, ook in veel opzichten ophoudt in verbinding te staan met jonge
menschen. Zij mogen eerbied voor hem gevoelen en hij moge belang in
hen stellen, zij hebben niet meer een gemeenschappelijke wijze van
zich uit te drukken en koesteren verschillende sympathieën.
Zij zijn geneigd hem te beschouwen als een «stoffel" (en als man van
middelbaren leeftijd, meen ik, dat wij inderdaad wat onnoozel worden),
terwijl hij hen allicht wat «wuft" vindt. Er zijn weinig menschen, die
de gaping tusschen twee geslachten kunnen overbruggen en even goed
kunnen omgaan met de jongen als met de ouden en de moeielijkheid wordt
eer grooter dan kleiner. En dit alles is het nadeelig gevolg van het
oud worden of zelfs maar het overschrijden van den middelbaren
leeftijd.
Wat moet er dan gedaan worden met dien ongelukkigen man? De
moeielijkheid wordt zoo klemmend gevoeld, dat een voornaam godgeleerde
van onzen tijd--die nu overleden is--voorstelde, dat een dominee,
zoodra hij den bloeitijd des levens was gepasseerd, ergens zou heen
gebracht (ik vermoed naar de een of andere overdekte plaats) en daar
doodgeschoten worden. Zijn meening was, dat rustende geestelijken op
dezelfde wijze zouden behandeld worden als versleten paarden. Het is
altijd gevaarlijk geweest ironisch te spreken in Engeland sedert den
tijd van Swift, want ofschoon het Engelsche volk elke andere deugd van
de wereld bezit, het heeft zeker geen vlug begrip voor humor en ik ben
er niet zeker van, dat er niet menschen waren, die geloofden, dat dit
barbaarsche voorstel ernstig gemeend was. Voorzeker sprak hij in den
geest van eenige ondankbare armzalige Gemeenten, voor wie het een
heele opluchting zou wezen van een ouden dienaar af te komen op de
snelste en goedkoopste manier. Misschien zou het ook een
vriendendienst zijn aan den dominee, wanneer deze bemerkt dat hij een
sta-in-den-weg wordt voor hen, die hij liefheeft en die hem eens
liefhadden, wanneer men hem op de een of andere manier den genadeslag
gaf; maar daar zijn wetten, die deze krachtige methode van wegzending
verhinderen en men moet het denkbeeld van een slachtplaats voor
geestelijken opgeven.
Men heeft dan vier manieren van handelen met dezen ongelukkigen man,
die, indien hij eenig gevoel van gepastheid had gehad, fatsoenlijk zou
gestorven zijn na een kortstondige en hartroerende ziekte in den
leeftijd van zestig jaar en de eerste manier is, dat de Gemeente niets
doet en hem zijn leven laat eindigen op den preekstoel. Naar alle
waarschijnlijkheid placht hij, ongeveer dertig zijnde, te zeggen, dat
hij nimmer dominee zou blijven na het geel worden zijner bladeren; dat
hij er zich over verwonderde, hoe oude menschen niet konden zien, dat
hun tijd voorbij was en dat zij beter zouden doen kool te gaan planten
in een dorpstuintje. Toen hij deze brave dingen zei, stond hij aan den
anderen kant van de heg, en nu, nu hij tweemaal zoo oud is, heeft hij
een heel anderen kijk op de dingen. Hij verklaart, dat hij zich nooit
in zijn leven jonger gevoeld heeft dan thans en nooit geschikter om
te preeken. Bij gelegenheid wordt hij heldhaftig en verklaart, dat,
zoolang hij de preekstoeltrappen kan opklauteren, hij zal voortgaan en
dat hij zal sterven in het harnas.
Dwaze menschen (meestal oude dames) zullen hem wijsmaken, dat hij
nooit zoo gepreekt heeft als den vorigen Zondag en hij zal het oor
leenen aan dezen kleinen kring van bewonderaars en weigeren raad aan
te nemen van verstandige menschen, die zijn welzijn op het oog hebben
en die het plan opperen, dat hij vrijwillig een ambt zal nederleggen,
dat hij zoo eervol vervuld heeft. Zoo zal het er toe komen, dat Kerk
en stad een van de droevigste treurspelen zullen aanschouwen: een man
bezig de Gemeente te verstrooien, die hij eens vergaderd heeft en zijn
goeden naam weg te werpen, dien hij eens won.
Of de Gemeente kan misschien zich verstouten en er op staan dat de
waardige oude heer een medewerker, een collega neemt. «Wij zouden
niet gaarne uwe diensten missen," zoo spreekt de een of andere sluwe
diplomaat, die weet, dat de dominee, om niet te spreken van diens
vrouw, hem voortdurend met wantrouwende blikken gadeslaat. «Wij
wenschen alleen u te ontlasten van het zwaarste gedeelte van uwen
arbeid. Zou het niet goed wezen, dat wij een sterken, jongen man
aanstelden, die de catechisaties op zich nam en al het bijkomstige
werk en die één keer per dag zou preeken om u vermoeienis te besparen
en u gelegenheid te geven van tijd tot tijd eens vacantie te nemen?
Gij zijt wel goed geweest, dat ge geen hulp voor de prediking gevraagd
hebt, maar de Gemeente voelt, dat het niet meer dan plicht is u
blijvende hulp te geven. Daarenboven," en nu verzwakt de afgezant en
voelt, dat de domineesvrouw hem met verachting aanziet als een ontdekt
bedrieger en een verbazend leugenaar, «het zou zoo goed zijn voor een
jong man het voordeel te hebben uw prediking te hooren en uw
raadgevingen in te winnen."
Zeer waarschijnlijk zal de oude heer, na een samenspreking met zijn
vrouw en haar vriendinnen, weigeren iets te maken te hebben met een
collega; hij zal verklaren, dat hij een dergelijken maatregel zal
voorstellen, zoodra hij dien werkelijk noodig acht, en erbij voegen,
dat er niets akeliger is voor een jongen man dan zijn tijd door te
brengen met niets te doen. Misschien zal hij nog erbij zeggen, en met
diep leedwezen zeggen, dat eenige invloedrijke lidmaten van de
Gemeente hem verzekerd hebben, dat de inmenging van een collega al het
werk zou vernietigen, dat hij heeft opgebouwd en oorzaak van scheuring
zou wezen.
Mocht echter de dominee er in toestemmen een collega te hebben, dan
zullen de gevolgen in negen van de tien gevallen bedroevend zijn. Een
van beiden, of de oude man zal zoo heerschen over zijn jongeren
broeder, dat de laatste geen kans zal hebben zelfstandigheid te
ontwikkelen en ooit tot volmaking te komen, of de jonge man zal zich
tegen den ouden inzetten en gesteund door de jongere lidmaten den
ouden dominee uit de Kerk drijven. Het was inderdaad een onverstandige
en onnatuurlijke positie, dat twee mannen gelijke macht zouden
bezitten en dat wordt er te erger op, naarmate beiden meer afhankelijk
zijn van de openbare meening. Heeft men er ooit van gehoord, dat er
twee kapiteins op hetzelfde schip waren, twee opperbevelhebbers van
één leger of zelfs twee machinisten bij één machine? En toch komt het
voor, dat verstandige menschen voorstellen, niet dat een dominee een
hulpprediker zal nemen, maar een collega om met hem gelijk te staan in
macht en verantwoordelijkheid.
Natuurlijk kan een Gemeente het den man, die haar gediend heeft
gedurende de beste jaren van zijn leven, zoo zuur maken, dat hij geen
keus heeft en blij is te kunnen heengaan, zelfs al staan eenzaamheid
en armoede voor de deur. Wanneer een Gemeente dien weg inslaat om den
band te verbreken, dan begint men te wanhopen aan het Christendom. De
laaghartigste koopman, die op een cent dood blijft, zou een ouden
kantoorklerk niet zoo behandelen als Christenen soms een armen en
versleten dominee bejegenen. Zij hebben zijn jeugd en zijn mannelijke
krachten verbruikt en al zijn geestdrift en zijn vuur; zij hebben den
bloesem van zijn geest en den oogst zijner ziel genoten. Voor hen
leefde en dacht hij; voor hen putte hij zich uit in zijn krachtige
dagen elken Zondag en is hij voortgegaan zijn laatste krachten te
verslijten. Al wat er uit hem te halen was, hebben zij genoten en nu,
na een paar jaar hem te hebben gadegeslagen, zijn ze tot het besluit
gekomen, dat zijn beste tijd voorbij is en zij doen hem een misleidend
aanbod en verzoeken hem heen te gaan. Dan gaan zij, met de pet in de
hand, naar den een of anderen bekenden jongen dominee en smeeken om
zijn gunst, verklarende dat hunne harten naar hem zijn uitgegaan en
dat zij gelooven, dat het overeenkomstig Gods wil is, dat hij hun
dominee zij. En hij, op zijn beurt, komt en spoedig hoort men hem
zeggen, dat er geen getrouwer menschen zijn. Laat hem maar een poosje
wachten.
Zou het niet beter zijn, dat elk kerkgenootschap of elke Kerk een plan
voor emeritaat ontwierp op ruime schaal met twee voorwaarden? De
eerste voorwaarde behoorde te zijn, dat elke predikant, zeg op
vijf-en-zestigjarigen leeftijd zou uittreden uit den werkelijken
dienst en dat hij na dien tijd kon optreden als helper zijner
broederen of rustig leven, al naar hij verkoos. De tweede voorwaarde
moest zijn, dat hij een pensioen ontving van niet minder dan de helft
van zijn traktement, tot, laat ons zeggen, een bedrag van drieduizend
zeshonderd gulden (£ 300). Mocht iemand beweren, dat zulk een wet
willekeurig is, dan antwoord ik daarop, dat zeker elke predikant
liever nog door een wet dan door geweld gedwongen zou worden tot
aftreden en dat hij in goed gezelschap zou zijn, want hij zou het lot
deelen van alle zee- en landofficieren en elken burgerlijken ambtenaar
en elken geëmployeerde aan ieder groot lichaam in de gansche
beschaafde wereld.
En de Kerk mag niet onderdoen voor den Staat. Zij moet staat maken op
de personen, die haar dienen, voor haar zichtbaar wèlslagen en haar
doel behoort te zijn, dat elke Gemeente een dominee heeft in de volle
kracht zijns geestes en zijns lichaams, en dat elke man, die zich
heeft afgesloofd in den dienst der Kerk, behoorlijk onderhouden wordt
voor zijn overige levensdagen.
Er is, behalve onzedelijkheid en ongeloof, niets dat een grooter
beletsel is voor de geestkracht der Kerk dan naar verhouding een groot
aantal oude en zwakke dominees in werkelijken dienst. Want dit
beteekent verouderde godgeleerdheid, verwaarloozing van de jongere
leden, ontoegankelijkheid voor de nieuwere denkbeelden, en een
eindeloos gekibbel. Niets zou zekerder bijdragen tot vernieuwing van
de geestkracht der Kerk dan een bij een wet geregeld emeritaat op
voldoende voorwaarden voor elken predikant boven de vijfenzestig jaar.
Want dit zou beteekenen niet alleen een reserve van geschikte mannen,
waarop de Kerk kon rekenen in geval van nood, maar een onophoudelijken
toestroom frissche gedachten.
Tegenwoordig hebben de Gemeenten een grief tegen oude dominees, die
meenen, dat zij jong zijn en oude predikanten hebben een grief tegen
Gemeenten, die geen eerbied hebben voor den ouderdom en tusschen die
twee partijen komen vele onaangenaamheden en vredebreuken voor.
Wanneer de Kerk even goed bestuurd wordt als een koopmanszaak van den
eersten rang, dan zal die bestaande vijandschap verdwijnen en niemand
zal in de Christelijke Kerk meer geëerd en geliefd worden dan de
getrouwe predikant, die haar gediend heeft in de volheid zijner kracht
en nu gedurende zijn welverdiende rust haar verrijkt met zijn
raadgevingen.
VI.
DE DOMINEE EN HET KERKORGEL.
Lofgezangen maken een deel uit van de openbare godsdienstoefening bij
elke Christelijke Vereeniging--behalve bij de Kwakers, die ik soms
benijd--en ik wensch dadelijk te zeggen, dat ik niet voornemens ben te
preeken voor de afschaffing van het loflied. De vromen van het Oude
Testament hadden een muzikalen dienst, die voldoende was om het hart
van een ritualist met wanhoop te vervullen en men kan zich maar
flauwtjes voorstellen wat een zuur leven de priester had, wiens taak
het was het tempelorkest te verzorgen en die moest omgaan met de
bespelers van instrumenten. De heiligen van het Nieuwe Testament
begonnen zonder een orkest, en schenen waarlijk gedurende eenigen tijd
bij de regeling hunner lofzangen de beginselen van het gezond verstand
toegepast te hebben, zingende zoo goed mogelijk met blijde lippen en
kloeke harten in donkere gevangenissen. Maar even als vele andere
beste menschen, wisten ze niet precies, wanneer zij gelukkig waren en
langzamerhand vonden zij zwaarmoedige liederen uit, die een bijzonder
zwak zijn geweest van alle Christenen van alle geslachten.
Men is wel eens benieuwd ernaar, hoe de Kwakers er zoo vreedzaam
kunnen uitzien en waarom hun eeredienst zoo heerlijk is, en ik ben
eenigszins geneigd te gelooven, dat dit komt, omdat zij geen muziek
bij hun godsdienstoefeningen hebben. Hadden wij ze ook niet, dan--zou
ik willen zeggen--zou een vaak voorkomende oorzaak van twist zijn
weggenomen uit menige Gemeente en de dominee zou haast niet weten, wat
hij met zijn tijd moest uitvoeren. Toch wensch ik te gelijkertijd
duidelijk te verstaan te geven, dat ik de muziek beschouw als een
noodzakelijk onderdeel van den eeredienst, dat organisten een gedeelte
van de kracht der Christelijke Kerk uitmaken en dat ieder, die niet
ten volle den leider en de leden van het koor waardeert, een
onwetende, slechtaardige Philistijn is.
Indien er eenige twist in de Gemeente is door de muziek, en indien de
dominee ooit zich ergert, laat ik dan op den voorgrond zeggen, dat
alleen de Gemeente en de dominee te laken zijn. Maar er zijn toch
moeielijkheden en het kan goed zijn er over te spreken in een geest
van gepaste menschlievendheid. In de eerste plaats dan, is de organist
een kunstenaar en elke kunstenaar heeft een bijzonder fijngevoeligen
aard, die de gewone holderdebolder manieren van het dagelijksch leven
niet verdragen kan. Met een man, gevormd uit gewone klei, zoudt gij
spreken op praktische, recht op het doel afgaande, desnoods lompe
wijze; ge zoudt met hem redeneeren, hem berispen en hem terecht zetten
als hij ongelijk had. Maar met een van kostbaar porselein moet niemand
op die wijze handelen of, de kunstenaar zal dadelijk gekwetst worden
en zijn ontslag nemen en zijn hartroerende geschiedenis overal
rondvertellen, want hij staat boven de kritiek en de openbare meening.
Het is onmogelijk hem iets te leeren; het is een beleediging te
veronderstellen, dat er verbetering mogelijk is; het is het best aan
te nemen, wat hij geeft en te erkennen, dat hij recht heeft te doen
zooals hem behaagt en het de plicht is van ieder ander te verklaren,
dat, hetgeen hij doet, bij elke gelegenheid, te liefelijk is om onder
woorden gebracht te worden en dat de uitwerking ervan bijna te sterk
is voor de vermoeide menschelijke natuur. Dit is de schatting, welke
de Gemeente behoort te betalen aan den meest geestelijke onder de
artisten, den organist.
Men wordt werkelijk boos op den dominee, die beter behoorde te weten
en toch zijn eigen plaats vergeet, ten gevolge van gemis aan
waardeering der kunst en van een overschatting van zijn eigen werk.
Hij is aanmatigend tegen den organist en wordt billijkerwijs gestraft.
De dominee behoort zich te herinneren--en de Gemeente mag hem wel eens
erop wijzen--dat zijn werk ondergeschikt is aan dat van den
kunstenaar, en dat het overige gedeelte van den dienst geen andere
bedoeling heeft dan een steun en een achtergrond aan de muziek te
geven. Wat de Gemeente wenscht te hooren is, niet zijn preek, ofschoon
ik nooit een organist zich tegen de preek heb hooren verzetten, tenzij
de prediker te veel tijd in beslag nam. Werkelijk heb ik reden om te
gelooven, dat vele organisten de preek beschouwen als een welkomen
rusttijd voor hun overspannen zenuwen. Wat de Gemeente werkelijk
begeert is een lofzang te hooren en het wèlslagen van den dag hangt af
van den goeden afloop daarvan. Wanneer een predikant dit feit goed ter
harte neemt en zorg draagt, dat de menschen, die opgevoerd zijn tot
een hemel, die niet door menschelijk geluid kan beschreven worden,
niet onbehoorlijk gekweld worden doorzijn domme praatjes, dan is hij
ten minste aan één steen des aanstoots ontkomen.
Het is eveneens zeer kwalijk te nemen, als een dominee zich wil
bemoeien met de keuze der liederen en altijd denkend aan zijn preek,
liederen wil uitzoeken in verband met den inhoud daarvan. Het is best
mogelijk, dat de door hem aangewezen liederen uitstekend passen bij
den tekst en zeer geliefd zijn bij het volk, maar alleen de organist
weet of de wijzen ervan in het liederenboek verheven of platte muziek
zijn. De wijsjes vallen zoo in den smaak van het publiek misschien,
dat ieder er naar haakt ze te zingen met zijn geheele hart en uit
volle borst, maar de organist verbleekt van schrik eenvoudig bij de
gedachte, dat een duizendtal menschen zich, om zoo te zeggen, te goed
zullen doen aan zijn lekkernij. Het is een voorrecht, en op zijn minst
genomen blijft het altijd nog de vraag of het wel een recht is, dat
zij in het geheel mogen zingen; maar als het toegestaan wordt, dan
moeten zij met beving en vreeze hun vreugde genieten.
Een van de voornaamste pogingen van een degelijken beschaafden
organist--er zijn uitzonderingen, dat herinner ik mij nog dankbaar--is
bekende zangwijzen uit te roeien en ze te vervangen door
arrangementen, die geschikt zijn om de Gemeente te leeren zwijgen. Ik
vernam eens een geval--en als ik zoo iets hoor, dan weet ik niet meer,
hoe het met mijn broederen geschapen staat--waarbij een dominee in een
gloeienden toorn ontstak tegen een organist, omdat deze verheven
persoon een wijs op zijn eigen handje had uitgevonden voor «Rots der
Eeuwen," die de vergadering in diepe bewondering deed wegzinken, als
het ware in een schoonen droom. Niets verbittert meer een muzikaal
gestel dan te hooren, dat het volk, dat altijd bezield is met een
ongezonde begeerte om een vreugdevol geraas te maken, zich meester
maakt van een werkelijk schoone wijs en haar later totaal ongenietbaar
maakt voor fijne ooren. Niets is noodzakelijker dan den lofzang der
Gemeente te vrijwaren tegen deze verkeerdheden en daarom dadelijk op
te houden met het gebruiken van al was het de edelste wijze, als de
menschen haar eindelijk gepakt hebben.
Alleen onafgebroken waakzaamheid van de zijde van den organist kan de
muziek behoeden tegen den strooptocht der Gemeente, want de lieden
zijn zoo vol zotte eerzucht, dat zij zelfs er zich toe zullen zetten
om vreemde wijzen te leeren en in den loop van een maand het koor
zullen overstelpen met muziek, die men voornemens was buiten hun
bereik te houden; en de dwarsdrijverij van een predikant, die de
Gemeente helpt bij dien verraderlijken inval op een andermans
grondgebied verdient al de moeielijkheden, die hem daardoor te beurt
vallen.
Er waren tijden--en sommigen onzer, die niet meer tot de jonge lieden
behooren, herinneren ze zich--dat geen enkel instrument werd gebruikt
bij den eeredienst en toen alle hulp van iets dergelijks, met
uitzondering van een stemvork, werd beschouwd als een terugkeer tot
de beginselen van het Oude Testament. Maar dit waren tijden van
duisternis. Heden leven we echter in een meer verlichte eeuw. Een
Gemeente zal misschien tegenwoordig zoo weinig aan een dominee geven,
dat zijn vrouw nauwelijks weet, hoe ze aan fatsoenlijke kleeren voor
het huisgezin moet komen; zij zal wellicht niets, dat de moeite waard
is, bijdragen voor uitwendige zending of voor ziekenverzorging--er is
geen Gemeente, die eerbied voor zich zelf heeft en niet zal zorg
dragen een orgel te bezitten. Menschen, die hun hart verharden tegen
de meest nuttige liefdadigheid zullen bijdragen voor een orgelfonds en
wat niet door inschrijvingen verkregen kan worden, zal door een bazaar
met loterij opgebracht worden. Wanneer het orgel wordt bespeeld door
een erkend musicus, die van verre is gehaald, dan zal de Gemeente dien
man met ontzag aanzien als een bovennatuurlijk wezen en zij zal de
gebeurtenis beschouwen als van meer gewicht dan een herleving van den
godsdienst. Men zal ten zeerste verbaasd staan over de kracht en de
verscheidenheid van het geluid, dat hij uit het instrument haalt en
als hij de Vox-Humana (register der menschelijke stem) gebruikt, dan
kunnen moeders van gezinnen niets meer doen dan elkander aankijken en
met het hoofd schudden, als hoorden zij geluiden uit de andere wereld.
Wanneer hij behendig den donder nabootst door het orgel in volle
kracht te zetten, dan zullen de hoofden der Gemeente zich zelf door
teekenen gelukwenschen, omdat iedereen nu kan zien, dat men volle waar
voor zijn geld heeft gekregen.
Nadat de voordracht is afgeloopen, speelt de groote man nog wat voor
zijn eigen genoegen en wanneer gewone menschenkinderen tot hem kunnen
doordringen, dan vraagt een groep van eerbiedige ambtsdragers hem, wat
hij denkt van het orgel. Wellicht geeft hij dan op beschermende en
voorzichtige manier zijn goedkeuring te kennen, maar hij zorgt er voor
goed het getal registers aan te geven, die nog aangebracht moeten
worden en aan te wijzen, welke verbeteringen nog volstrekt
noodzakelijk zijn. Inderdaad doet hij de gedachte oprijzen, dat zij
nog maar een begin van een orgel hebben en dat de voltooiing ervan
vele jaren zal duren en een eindelooze gelegenheid zal aanbieden tot
het uitgeven van geld. Misschien zal hij zoo goed zijn te zeggen, dat
een duizend gulden drie, vier, besteed voor een of twee verbeteringen,
die hij in de gauwte in schets brengt, het instrument vrij bruikbaar
zullen maken voor een gewoon organist; maar hij zal hen verlaten onder
den indruk, dat de Gemeente minstens tien jaar lang al haar geldelijke
hulpbronnen zal dienen uit te putten om het geschikt te maken voor een
meester, zooals hij.
Indien de Gemeente een weinig in de hoogte gestoken is door het
bezit van een orgel, dan zal niets zoo zeer de ijdelheid en de
zelfmisleiding kastijden dan het bezoek van een musicus, die een
examen heeft afgelegd en verscheidene letters achter zijn naam heeft;
en indien iemand zijn raad verdacht maakt als die van een al te
vitlustig speler en veronderstelt dat er nu verder geen twist over
dat orgel zal wezen, dan is zeker zijn onnoozelheid aandoenlijk en een
bewijs, dat hij nooit iets te maken heeft gehad met muziekinstrumenten
op plaatsen van openbaren eeredienst.
Welke beproevingen de Gemeente te voren moge gehad hebben door tocht
in het gebouw of kwesties over verwarming of geldelijke moeielijkheden
of rustverstoring door oproerlingen, al deze zaken zijn minder dan
niets in vergelijking van de buitensporigheden en eischen in verband
met haar nieuwe orgel. Als de lucht erin gebracht wordt door werken
met de hand, dan blijkt het zoo groot, dat twee blazers noodig zijn en
daarom wordt er voorgesteld een hydraulische machine aan te schaffen.
Deze machine werkt gewoonlijk twee van de vier Zondagen niet, omdat er
geen druk genoeg te krijgen is en dan moeten eenige leden der Gemeente
de blaasbalgen bewerken--als men ten minste zoo wijs is geweest die te
laten zitten voor voorkomende gelegenheden en vóórdat zij klaar zijn
met hun werk hebben de diakens, wel forsch gebouwd maar niet gewoon
aan handenarbeid, een heel nieuwe gedachte omtrent dat orgel gekregen
en bepalen zij zich voortaan bij hun plichtplegingen tot de
Hebreeuwsche taal.
Langzamerhand zal iemand de meening trachten ingang te doen vinden,
dat het orgel behoort bespeeld te worden met electriciteit en de
Gemeente, maar vooral de dominee en zij, die bevel voeren in de
afdeeling muziek, komen nu te weten, wat eigenlijk wederwaardigheid
beteekent. De verandering zal, naar gezegd wordt, zes weken duren en
betrekkelijk weinig te beduiden hebben. Inderdaad is er een jaar mee
gemoeid, met nog eenige maanden als toevoegsel, en gedurende dien tijd
heeft de Gemeente de gelegenheid de verschillende samenstellende
deelen van haar orgel te bezichtigen in de zaal en in de lokalen voor
bijbellezing en de doorgangen en in de nevengebouwen, waar het ligt in
geheimzinnige stukjes en brokjes.