Daar deze neiging tot het gezellig maken van het Gemeenteleven elk

jaar duidelijker wordt en nieuwe uitvindingen op dat gebied

voortdurend gedaan worden, is het vergeefsche moeite aan te dringen op

terugkeer tot den eenvoud van het verledene, toen een Gemeente een

vereeniging van menschen was, die samenkwamen om God te vereeren en

Zijn wil te leeren kennen; maar het kan toch zijn nut hebben, te

bespreken hoe in sommige opzichten een achteruitgang valt aan te

wijzen. Want dat is zeker, indien het Gemeenteleven moet gaan voldoen

aan allerlei andere eischen, dan moet er een ander soort van

predikanten komen.

Voor deze soort van inrichting is er weinig behoefte aan een leeraar

om een Bijbel te verklaren of aan den herder om het karakter zijner

kudde te vormen en voorzeker zou zulk een niet worden gewaardeerd. De

voornaamste eisch, waaraan voldaan moet worden, is dat de predikant

zij een scherpzinnig man, met de talenten van een impressario, een

handelsreiziger en een vendumeester in zich vereenigd, met een heel

klein tintje van een rondreizend evangelist. Inplaats van een

studeerkamer, welks wanden bedekt zijn met boeken van ernstige

godgeleerdheid en klassieke letterkunde, geve men hem een kantoor met

een loketkastje voor zijn programma's en eindelooze briefwisseling;

kasten voor dikke boeken met uitknipsels uit dagbladen en verslagen

van andere genootschappen; een altijd tjingelende telefoon en een

verzameling van handboeken, als: «Hoe men een preek maakt in een half

uur", of «Een duizendtal treffende anecdoten van het zendingsveld".

Hier zit een vlugge, levendige, vindingrijke directeur, met zijn

snelschrijfster aan een hoektafeltje, een dik boek opslaande om te

zien aan wie het eerstkomende bezoek moet gebracht worden, en een

ander boek doorsnuffelende naar bijzonderheden omtrent gezinnen of een

haastig onderzoek instellende in aan een lias geregen voordrachten van

bekende sprekers over eenig onderwerp, dat dienen kan voor den

volgenden Zondag. Van den morgen tot den avond tobt hij zich af met

telephoneeren, telegrafeeren, dicteeren, bij elkaar zoeken,

rondvliegen, hier een gezelligen avond, daar een «schitterende

bijeenkomst" te leiden, «speechen" af te steken, menschen te

ontvangen--hij is een onvermoeid, handig, volhardend man. Niemand kan

nalaten zijn veelzijdigheid te bewonderen of de eerlijkheid van zijn

bedoeling te erkennen; maar als hij nu inderdaad het type is van den

dominee der toekomst, dan zal hij een beter mensch terzijde schuiven

en uitsluiten.

Er zijn menschen, die alle geëischte talenten van geleerdheid bezitten

en aan wier inzicht, toewijding en liefde niets ontbreekt, maar die

toch ten eenemale ongeschikt zijn om een kerk te «drijven" naar de

hedendaagsche manieren. Zij zouden een ziel in geestelijk gevaar

kunnen leiden, maar zij hebben geen talent om jonge lieden te

vermaken; zij kunnen het Eeuwig Evangelie van de Goddelijke Offerande

verklaren, maar zij hebben geen handigheid in het behandelen eener

machine; zij kunnen de beginselen der gerechtigheid uitleggen, maar

zij weigeren zich te bemoeien met een onlangs plaats gehad hebbende

werkstaking van motorbestuurders.

Wat het voordeel betreft, door die nieuwigheden gebracht, is het de

vraag of het gezellig maken van de kerk haar geloof en leven

aantrekkelijk zullen maken? Als er een wedstrijd zou komen tusschen de

vermaken van de kerk (of haar feesten) en de vermakelijkheden der

wereld (en haar feesten,) is er dan één verstandig mensch, die

gelooft, dat de kerk zou winnen? Gelijk aan Caesar biedt de wereld

haar prachtige schouwspelen aan; de Kerk, als Christus, biedt het

overwinnend Kruis.

Waarom zou de Kerk haar verheven standpunt verlaten en nederdalen in

het worstelperk, waar zij beschaamd zal worden? Komen de menschen ter

kerk voor nietige vermaken, alleen geschikt voor kinderen of om te

voldoen aan de behoeften hunner ziel en ter bevestiging van hun

geloof? Zou ooit het Christendom een begin van bestaan gehad hebben,

indien de Apostelen «aangename preekers" geweest waren en

«schitterende mannen", wanneer zij zich hadden ingelaten met

«gezellige bijeenkomsten" en «bazars" of «speeches!" De Kerk

zegevierde door hun geloof, hun heiligheid, hun moed en door deze

verheven deugden moet zij in deze eeuw ook staande blijven. Zij is de

getuige der onsterfelijkheid, het geestelijk tehuis van zielen, de

dienaresse der armen, de beschermster van wie verlaten zijn; en als

zij afdaalt tot een plaats van tweede-rangs-vermakelijkheid, dan ware

het beter dat haar geschiedenis eindigde, want zonder haar geestelijke

vizioenen en ernstige idealen is de Kerk niet waard in stand te worden

gehouden.

IV.

DE OPROERMAKER IN DE KERK.

Om een wereld te maken heeft men alle soorten van menschen noodig, en

bijna even veel worden er vereischt tot het vormen van een kerkelijke

Gemeente; maar dat er ook een oproermaker in komt is niet noodig voor

de gemeentelijke volledigheid. Onder een oproerling verstaat men een

persoon, dien men gemakkelijk kan herkennen en onder wiens bemoeiingen

de meeste Gemeenten van tijd tot tijd geleden hebben. Men moet hem

niet verwarren met een Christen van den ouderwetschen stempel, die bij

zekere gelegenheid in de war is gebracht door een preek over «Gods

Vaderschap" en dan in de studeerkamer van den dominee komt om te

verklaren, dat hij altijd geloofd heeft, dat God een rechter was. Deze

man is volmaakt eerlijk en behoort behandeld te worden met alle

welwillendheid, omdat hij eenvoudig getrouw is aan zijn overgeërfd

geloof en toch wel gaarne het nieuwe Evangelie zou opnemen. Laat hem

een warm hoekje hebben in de kamer, en een gemakkelijken stoel en geef

hem alle gelegenheid om zooveel teksten aan te halen, als hij wenscht

en luister bescheiden naar hem tot middernacht toe. Hij is vatbaar

voor overtuiging en zelfs, indien hij u verlaat zonder overtuigd te

zijn, zal hij toch de Gemeente niet in vuur en vlam gaan zetten. Hij

zal dat niet doen; integendeel zal hij overal gaan verklaren, dat de

dominee een eerlijke studie van den Bijbel maakt en een geduldig

herder is en dat het een voorrecht is bij hem te kerk te gaan als

zelfstandig, verantwoordelijk man.

Ook moet die naam niet gegeven worden aan een van die rustelooze

menschen, die altijd ergens een fout ontdekken en die elkeen vervelen

met hun onverwachte plannen. De eene week schrijft zoo iemand, dat een

vrouw werd weggezonden bij gelegenheid van den bidstond der Kerk,

omdat de zaal vol was--de dominee vindt dat altijd verblijdend en zou

de mytische persoon wel gaarne eens in levenden lijve zien--en hij

oppert het plan om voortaan den weekdienst te houden in de Kerk. Hij

kent honderd menschen, die zouden willen komen--en dit verblijdt den

dominee ook zeer, omdat de goede man zelf bijna nooit tegenwoordig is.

Een volgende week verneemt deze man van een of ander geheimzinnig

persoon, dat deze kou heeft gevat door den tocht uit een van de ramen

en onze vriend schrijft zestien bladzijden om te pleiten voor

gordijnen, die zelfs de St. Pieterskerk afzichtelijk en zeker de

godsdienstoefening onmogelijk zouden maken voor ieder, die eerbied

voor zich zelf heeft. Een maand later is diezelfde man overtuigd, dat

de heele Gemeente als los zand aan elkaar hangt en dat een band

behoorde gelegd te worden door een algemeen bezoek van de zijde der

ambtsdragers, waarvoor hij wel zoo goed is een plan te schetsen; en

elke nieuwe week openbaart hij een nieuw plan in een langen brief,

totdat zijn broeders zoover gebracht worden, dat zij harde woorden

zeggen over zijn bedilzucht.

Zijn broederen behoorden echter liever hun ziel in lijdzaamheid te

bezitten en den waardigen man vriendelijk te behandelen, want er is

geen grein boosheid in hem en ook is er geen goedhartiger mensch in de

heele Gemeente. Hij zal al heel in zijn schik zijn, als hij een

beleefd antwoord ontvangt en ik zou voor zulke gelegenheden dezen vorm

aanraden:

_«Waarde Heer Jump_,

Ik heb uw belangrijken brief ontvangen en nam goede nota van uw

voorstel omtrent de gordijnen. De zaak is er een, die veel overweging

eischt en ik haast mij u te verzekeren, dat het zeer aanmoedigend is

voor den dominee en de overige ambtsdragers van de Kerk te zien, dat

het welzijn van onze Kerk in elk opzicht u zoo zeer ter harte gaat.

Geloof mij, met de meest vriendelijke gevoelens

«Den Uwe

«JOB HOUVAST, predikant."

Mijnheer Jump zal zeer tevreden zijn met dezen brief en zal binnen

vierentwintig uur vergeten hebben, dat hij ooit een voorstel deed over

gordijnen. Het is de moeite waard voor een Gemeente om, laat ons

zeggen één Jump aan zich te verbinden om gebreken aan te wijzen en de

zaken aan den gang te houden. Twee Jumps zouden misschien te veel zijn

voor de Gemeente en men kan den tweeden beter voor wat anders

gebruiken.

Er is een andere persoon, die ook niet beschouwd moet worden als een

oproermaker, ofschoon hij een echte dwarsdrijver is en veel nadeel kan

berokkenen. Het is de man, die vatbaar is om zich beleedigd te

gevoelen en die er zich aan stoot, zoo als hij zegt, wanneer iemand

hem aan de kerkdeur voorbij loopt zonder spreken of «iets van hem

zegt"--hij weet niet wat,--achter zijn rug, of wanneer een ander zich

verzet tegen een plan, dat hij voorstelde of weigert iets te doen, wat

hij vraagt. Nadat hij zijn vrouw gekweld heeft met de zaak, en zich

zelf de koorts op den hals heeft gehaald tengevolge van gekwetste

ijdelheid, geeft hij iedereen te verstaan, dat hij een grief heeft en

neemt hij een martelaarsvoorkomen aan. Als een vormelijk protest

blijft hij zelfs misschien wel twee Zondagen uit de kerk weg en dan

wordt hij weer boos, omdat niemand bij hem komt om naar de reden te

vragen. Natuurlijk is hij zeer vervelend, maar overigens is er geene

boosaardigheid in den man en hij behoort zachtmoedig behandeld te

worden. Het is meer zijn ongeluk dan zijn fout, dat hij geen opperhuid

heeft en geheel onbeschut is tegen de wrijving des levens. Een zachte

aanraking en een mild gebruik van geestelijke zalf zal zijn wonden--of

liever zijn schrammen--genezen.

De oproerling is van een ander deeg en is een stevig gebouwd

ongeloovige, die, zoodra de gelegenheid zich voordoet en op elk, dien

hij bereiken kan, zijn krachtige vuist zal doen neerkomen. Zijn eenige

begeerte is leed te doen en hoe meer pijn hij veroorzaakt, hoe beter

hij in zijn schik is. Hij schrijft beleedigende brieven aan den

dominee, hem beschuldigende van alle mogelijke zonden, van ketterij

tot leugen toe. Hij begint een openbaar twistgeschrijf over de zaken

der Gemeente in elk nieuwsblad, dat dwaas genoeg is zijn brieven op te

nemen. Hij valt de verstandigste voorstellen aan van de ambtsdragers

en beticht hen van de afschuwelijkste drijfveeren. Hij trekt de

Gemeente door als een brandstichter en zet elk ontvlambaar persoon in

vuur. Wanneer hij in zijn glorie is, dreigt hij met aanklachten bij de

kerkelijke hoven of bij de burgerlijke rechtbank; en ofschoon hij

nooit de bedreigingen uitvoert, daar hij even lafhartig als

schreeuwerig is, doet hij toch de voorbereidende stappen, die

aanleiding geven tot praatjes en kwaad gerucht.

Het behoort ook tot zijn rol om den schijn aan te nemen van groote

oprechtheid en eerlijkheid, een man te zijn van onbuigzame

rechtschapenheid en geestelijke bedoelingen. Wat hij doet, doet hij

altijd om des gewetens wille en met klankvolle welsprekendheid plaatst

hij altijd zich zelf en zijn tegenstanders voor de vierschaar der

eeuwige gerechtigheid. Hij is zoo groot en zoo schreeuwerig en de

eenvoudige menschen zijn zoo liefderijk en zoo gemakkelijk te

overbluffen, dat zij vaak dezen man houden voor den persoon, waarvoor

hij zich uitgeeft en hem zijn zin geven.

Feitelijk is hij niets anders dan een uitermate groot bedrieger in elk

opzicht en hij verdient geen genade te ontvangen. Noch zijn meeningen,

noch zijn gevoelens, noch zijn klachten, noch zijn bedreigingen moeten

één oogenblik in overweging genomen worden. Zijn eerste uitdaging moet

worden aangenomen als een oorlogsverklaring en dan moet de oorlog

gevoerd worden liefst zonder kwartier te geven; en het is opmerkelijk

in hoe korten tijd deze struikroover tot bezinning kan gebracht worden

en tot lafhartige onderwerping.

Mocht hij zich ergens in een Gemeente genesteld hebben en begonnen

zijn van zijn aard te doen blijken, dan is de wijste partij hem te

verzoeken heen te gaan. Het is niet gebruikelijk, dat men aan een

kerklid vraagt die Kerk te verlaten en zeer ongewoon, wanneer het

toevallig een man van beteekenis en stand is, zooals deze knaap

dikwijls schijnt; maar Gemeenten zijn in den regel al te bezorgd om

ieder te behouden en begrijpen veel te laat, dat de afwezigheid van

eenigen veel voordeeliger is dan hun tegenwoordigheid. Hun

aanwezigheid beteekent eenvoudig twist en zielskwelling, hun

afwezigheid vrede en voorspoed; hun tegenwoordigheid verdrijft rustige

menschen, terwijl, als zij wegblijven, men verlost is van een

struikelblok.

Mocht hij vragen toegelaten te worden tot een Kerk, waar zijn karakter

bekend is, dan behoort hij bedaardweg geweigerd te worden. Waarom zou

eenig predikant, als hij er iets aan doen kan, een man opnemen, die

het hart van een anderen dominee half gebroken heeft? Waarom zou een

Gemeente woning geven aan een man, die de zaken van een andere

Gemeente in de war gestuurd heeft? Er is veel kans op, dat hij precies

doet als de legers, die na één land opgegeten te hebben naar een ander

trekken om dat te gaan verwoesten. Als er eenige kracht is in de

Gemeente, waar hij toegang vraagt, laat dan de deur hem voor den neus

worden dichtgeworpen en misschien wordt hij verstandig, als hij zonder

Kerk rondzwerft.

Mocht iemand zeggen, dat wij den muiteling onvriendelijk en

onchristelijk behandelen, dan wordt hij te ver gevoerd door een

overmaat van liefde en let hij niet op de feiten. Wie vriendelijk

handelt met een oproerling is wreed voor den dominee en de Gemeente.

Al staat hij geheel alleen, er is geen eind aan de ellende, die zulk

een man kan teweegbrengen. In ieder geval zal hij den predikant

ernstig schokken en dat op wijzen en langs wegen, die de Gemeente

nauwelijks kan bevroeden. Geen predikant, die dien naam waard is,

schrijft zijn preeken zonder eenig verband met zijn Gemeente, alsof

hij op een andere planeet leefde en alleen maar rekening hield met

afgetrokken denkbeelden. Wanneer hij aan zijn schrijftafel zit, dan

staat hij als op den preekstoel en de Gemeente zit voor hem; hij

spreekt tot de menschen en zij antwoorden; hij ziet het eene hoofd

opgeheven en het andere ter neder gebogen; den een ziet hij ter neder

geslagen en een ander opgebeurd, tot dat zijn studieboeken verdwijnen

en de kamer vervuld is van menschelijk gevoel. In deze atmosfeer maakt

de dominee zijn beste werk en vervult hij het meest zijn roeping.

Veronderstel nu, dat aan het hoofd van een bank--en daar is hij

altijd, de muiteling, op een goed uitkomende plaats--zulk een

oproerling zit, strijdzuchtig, onbeschaamd en wantrouwend: zal hij

niet zijn invloed op de preek uitoefenen?

Ongetwijfeld zijn er menschen, die zooveel verstandelijke

zelfbeheersching bezitten en zoo totaal onverschillig zijn voor

omstandigheden, dat zij kunnen nalaten op hem te letten en zijn

bestaan vergeten. Dit zijn mannen van den hoogsten rang en men kan

niet verwachten, dat zij talrijk zijn onder de predikanten noch in

eenigen anderen stand. Voor hen bestaan er geen regels en ook geen

hinderpaal; zij zijn onverstoorbaar en onweerstaanbaar. Op gewone

menschen oefent de oproerling een verbitterenden en ontstemmenden

invloed uit, zoodat een prediker, bewust of onbewust, altijd rekening

met hem houdt en de volgorde van de punten der preek wordt tot op

zekere hoogte geregeld door het bestaan van dien man. Als de dominee

een vriendelijk en vreesachtig man is, dan kan het gebeuren, dat hij

al te zorgvuldig is en dingen verzwijgt, die hij behoorde te zeggen

uit vrees van te beleedigen. In plaats dat de preek recht op haar doel

afgaat en haar bestemming bereikt met zoo weinig mogelijk verlies van

tijd en ruimte, wordt zij vreesachtig en nederig van stijl. De

prediker maakt allerlei noodelooze omschrijvingen om toch maar niet

gegrepen te worden door zijn vitter of hij maakt voortdurend allerlei

voorbehoud uit vrees aanstoot te geven aan dezen machtigen man. De

menschen zullen een vaag gevoel krijgen van zwakte, maar zij kunnen de

oorzaak ervan niet gissen.

Veronderstel, daarentegen, dat de predikant een sterk en beslist man

is, maar niet behoort tot de geestelijk zeer hoogstaanden van ruimer

opvatting, dan beroert de oproerling hem op eene andere wijze. Zoodra

de predikant begint te spreken, zet hij zich ertoe dezen man onder

handen te nemen en hem tot bezinning te brengen. Diens karakter en

daden worden omschreven, veroordeeld; de prediker bespot en bedreigt

hem. De oordeelen der Heilige Schrift worden hem naar het hoofd

geworpen; hare bevelen worden hem als een last op den rug gelegd; hij

wordt buiten gesloten van de uitnoodigingen van het Evangelie en hij

wordt voorgesteld als sprekend te gelijken op alle slechtaards uit de

Bijbelsche Geschiedenis. Iemand, die de toespeling begrijpt, zal

meenen, dat deze man hard behandeld is; maar wie iets verder in het

geval doordringt, zal inzien, dat de dominee slachtoffer is. De

prediker is bitter en wraakzuchtig geworden; de preek heeft

bevalligheid en teederheid verloren; en ik weet niet, wat erger is:

een prediker zonder grootmoedigheid of een preek zonder adel. Neem

dien man weg van zijn plaats in de kerk en de dominee zal er zich toe

zetten om vromen en zondaars toe te spreken in de liefde Gods.

De oproerling doet zich ook kennen door het belemmeren van de

werkzaamheid der Kerk, zoowel in arbeid als in liefdegaven.

Mocht hij bijvoorbeeld een plaats bekleeden in de Zondagsschool, dan

zal hij twist maken niet het hoofd ervan en met elk der andere

onderwijzers om beurten, totdat hij heel alleen staat voor de school

en dan begint hij te jammeren over het gemis van Christelijke

offervaardigheid. Als hij wordt aangesteld tot penningmeester van een

fonds, in de gedachte, dat hij daardoor iets te doen zal hebben, dan

zal om zijn persoon niemand meer iets willen geven eraan; en als hij

geen penningmeester is, zal hij overal gaan vertellen, dat het fonds

meer kwaad doet dan goed en dat zij, die het goed meenen met de Kerk,

niet eraan moeten bijdragen.

Boven en behalve al deze onheilen, die hij te weeg brengt, vergiftigt

hij het kerkelijk leven zoodanig, dat het in plaats van tot zegen en

eendracht te voeren, slechts bitterheid en krakeel kweekt. Als er een

twist is in de Kerk, dan zal deze man hem opblazen tot een ruzie; en

als het mogelijk is twee menschen tegen elkaar op te zetten, zal hij

het zeker doen. Als er een eerlijk meeningsverschil is, draagt hij

zorg, dat een veete ontstaat en als er een nieuw voorstel te berde

gebracht wordt, dan verbittert hij de bespreking ervan.

Wellicht is de beste handelwijze tegenover zoo'n man hem niet uit te

schelden of tegen hem te razen, maar hem alleen te laten staan. Even

als de natuur soms een ettergezwel vormt en het met de een of andere

stof zoodanig omgeeft, dat het afgescheiden wordt van het lichaam,

zoo moet die man ingesloten worden in een plaats voor hem alleen.

Mocht hij een aanmerking maken op kerkelijke zaken, laat dan een ander

antwoorden met een opmerking over het weer; als hij begint te vitten

op een preek, laat dan iemand hem beklagen over zijn slechte

spijsvertering. Als hij opstaat om te spreken in een kerkvergadering,

laat de stilte dan voelbaar zijn en laat de voorzitter dadelijk, als

hij uitgesproken heeft, tot het volgende punt van bespreking overgaan,

alsof er niets gezegd was. Als men er niet buiten kan hem toe te

spreken, dan is de beste manier hem te behandelen als een

onmogelijkheid en hem te omringen met een net van belachelijkheid,

want daardoor geeft men veel onschuldig vermaak aan andere menschen en

men treft hem in zijn eenige zwakke punt. Zoo verlaten of uitgelachen,

zal hij naar een andere Kerk gaan en dan--dan zinge de verloste

Gemeente een Te Deum!

V.

BEJAARDE PREDIKANTEN.

Te een of ander tijd, en misschien heel plotseling, komt een Gemeente

tot inzicht van het feit, dat een zekere wederwaardigheid den dominee

heeft getroffen, die zijn kracht van dag tot dag sloopt en misschien

zijn leven zoowel als dat van de Gemeente met den ondergang bedreigt.

Het heeft niets te maken met zijn karakter, want hij is werkelijk een

veel heiliger man en misschien ook een veel wijzer man dan hij vóór

twintig jaren was en stellig begaat hij minder vergissingen in woord

en daad dan in de dagen zijner jeugd. Ook staat het niet in verband

met zijn herderlijken arbeid--want hij is meer dan ooit de raadgever

en vriend der menschen, die tot hen spreekt met rijker levenservaring

en grooter liefde. Het zou ook niet geheel juist zijn te zeggen, dat

zijn preeken aanstoot geven, want die zijn waarschijnlijk even

degelijk en nuttig als vroeger. Inderdaad, hij zegt dezelfde dingen,

die hij placht te zeggen tot groote voldoening en op dezelfde wijze

als hij gewoon was ze te zeggen... lang geleden.

Er hapert niets aan hem, tenzij dan dat hij niet meer zoo vlug loopt

als eertijds, dat hij wat langzamer spreekt en dat hij de vorige week

een sterker bril moest aanschaffen, dat hij niet altijd hoort, wat men

tot hem zegt, dat zijn haar van grijs tot wit overgaat, dat hij

vermoeid wordt bij het beklimmen van een heuvel. Er is met hem

gebeurd, wat er met alle andere menschen gebeurt: hij wordt oud.

Zoodra de Gemeente dat feit merkt--en het kan soms jaren duren, eer

men het ziet--beginnen de bestuurders der Gemeente zich minder op hun

gemak te gevoelen. Ouderdom heeft zijn voordeelen in de Bediening des

Woords, maar hij heeft ook zijn duidelijk merkbare nadeelen en wanneer

men de balans opmaakt, heeft de Gemeente misschien gelijk in de

meening, dat zij aan den verliezenden kant is en niet aan den

winnenden onder de Bediening van een oud man. Eén zaak is zeker--en

dat is een zeer ernstige zaak--een dominee wordt op een zekeren

leeftijd bijna ontoegankelijk voor nieuwe denkbeelden. Natuurlijk

verschilt die leeftijd voor onderscheiden mannen en het is gevaarlijk

ook maar een gissing te wagen, daar de lezer altijd wel de een of

andere uitzondering zal weten. Er zijn menschen, die na hun dertigste

jaar geen nieuwe gedachten toelaten tot hen door te dringen--mannen

van hopelooze stompzinnigheid, die al hun levensdagen een nachtmerrie

voor hun Gemeente zijn; en er zijn mannen, wier geest op hun

tachtigste jaar nog open staat voor de nieuwste ideeën--mannen van

buitengemeene verstandelijke frischheid en levendigheid.

Voor den middelmatigen mensch komt er een tijd, dat zijn geest vast

wordt en dat zijn meeningen totaal onveranderlijk blijven. Wellicht

neemt hij geen aanstoot aan de ontdekkingen der jongeren; maar zich

ermee vereenzelvigen doet hij zeker niet. Hij zal zich misschien niet

verzetten tegen nieuwe wijzen van optreden maar ze aannemen zal hij

stellig niet. Zijn prediking kan juist zoo goed zijn als zij vroeger

was, omdat zij dezelfde is, zonder eenige toevoeging of nieuwe

gedachte; maar zij kan wellicht verkeerd zijn, vergelijkenderwijs

sprekend, omdat er eigenlijk nieuwe stof in wezen moest en dat zij ook

meer verband moest houden met den tijd, waarin wij leven.

De middelbare leeftijd is geneigd eenig wantrouwen te koesteren tegen

het opkomend geslacht en een zekere jaloerschheid te gevoelen van zijn

standpunt, zoodat de man van middelbaren leeftijd soms vervalt tot

vitlust en kwaaddenkendheid. Hij wordt langzamerhand een rem aan het

rijtuig en hoewel de rem een nuttig ding is in zekere omstandigheden,

is zij toch niet geschikt om in de plaats van paarden gebruikt te

worden.

De Dominee en zijn Gemeente · 第 2 / 8 段