Den volgenden zondag beklom de dominee den preekstoel vol ve

Produced by an anonymous Project Gutenberg volunteer.

+--------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| Dit boek is een vertaling uit het engels van «Church Folks: |

| being practical studies in congregational life" van Ian |

| Maclaren, pseudoniem van John Watson. |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan |

| het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |

| |

| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |

| Deze zijn respectievelijk aangegeven als «aanhalingstekens". |

| |

| De in het origineel als cursief weergegeven tekst is in dit |

| e-boek weergegeven als _cursief_. |

| |

| Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het |

| origineel zijn gecorrigeerd. |

| |

| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

+--------------------------------------------------------------+

DE DOMINEE EN ZIJN GEMEENTE.

De Dominee en zijn Gemeente

VAN

IAN MACLAREN

Schrijver van: «Harten van Goud", «Zielenadel" enz.

DOOR

W. VAN NES.

TWEEDE DRUK.

ROTTERDAM,

J. M. BREDÉE'S BOEKHANDEL EN UITGEVERS-MIJ.

N.V. DRUKKERIJ V/H KOCH & KNUTTEL--GOUDA.

INLEIDING.

In dit werkje, tintelend van humor en stralend van, soms achter

bittere ironie, op vlijmend sarcasme af, verborgen, liefde voor Kerk

en Gemeente, geeft de ook in Nederland geliefde Engelsche predikant

ons een kijkje achter de schermen van het kerkelijk leven in zijn

land.

Het kerkelijk leven in Engeland verschilt in vele opzichten van het

onze; de positie van den predikant, zijne verhouding tot de Gemeente

is in vele gevallen geheel anders dan ten onzent; maar.... waar het er

voornamelijk op aankomt èn predikant èn lidmaten te beschouwen als

menschen met al hun deugden en gebreken, met al hun grootheid der

ziel, gepaard soms aan kleinheid van geest, met al hun uitwendigen

tooi van vormen naast gemis vaak aan degelijken inhoud--daar vallen

die onderscheidingen weg en komen punten van overeenkomst aan het

licht, die den lezers dit boek tot een aangename, leerrijke,

stichtende--zij het niet stichtelijke--lectuur zullen maken.

Moge het Gode behagen dit geschrift zijn weg te doen vinden tot vele

harten en hoofden!

_De Vertaler_,

W. VAN NES.

INHOUD.

Hoofdst. Bladz.

I. Hoe men het meeste nut trekt van een preek 1

II. Hoe een Gemeente haar dominee tot de grootste

volkomenheid brengt 19

III. Het «candy-pull" stelsel 37

IV. De oproermaker in de kerk 55

V. Bejaarde predikanten 71

VI. De dominee en het kerkorgel 87

VII. Een eigen bank 107

VIII. De fatsoenlijke bedelaars in onze kerken 123

IX. Is de dominee een leeglooper? 141

X. Vacantie 160

XI. Hoe een dominee herleefde 180

I.

HOE MEN HET MEESTE NUT TREKT VAN EEN PREEK.

Om het rechte nut van een preek te hebben, moeten twee personen

samenwerken en waar een van beiden zijn werk niet goed doet, daar is

de preek mislukt. De eene is de man, die haar voordraagt en de andere,

de vrouw of man, die haar hoort; terwijl er bijna even veel kunst is

in het goed luisteren naar een toespraak als in het samenstellen

ervan.

Practische oefening is de eerste eisch voor den hoorder, want het is

een feit, dat hij, die geregeld een kerk bezoekt, niet alleen meer

hoort, maar ook beter volgt dan wie zoo maar eens om de twee maanden

een kijkje komt nemen. Het spreekt van zelf, dat, indien de predikant

een paar koperen longen heeft en de hoorder niet stokdoof is, deze, al

komt hij maar zelden in de kerk, toch elk woord van den spreker kan

opvangen; maar er is eenig onderscheid tusschen een stoomfluit, die

binnen een gegeven kring doordringt tot elk oor zonder onderscheid en

een muziekinstrument, welks geluid slechts gewaardeerd kan worden door

geoefende hoorders.

De stem van een bevoegd spreker is niet zoo zeer enkel geluid, maar

zij is veel meer muziek, met fijne afwisselingen van toon en teedere

buigingen der stem; de wijze, waarop hij een woord uitspreekt,

verklaart de beteekenis, die hij eraan hecht; de opslag zijner oogen

beteekent een aandoening, die hij ondervindt en wil opwekken; de

strengheid zijner woorden wordt verzacht door het gevoelvolle van den

klank; zijn loflied klinkt liefelijker door de innigheid, waarmee het

wordt voorgedragen. Het oor van een vreemdeling kan zulke

onderscheidingen niet maken; men moet gewoon zijn aan den spreker om

de volle waarde van elke handbeweging, elke verandering van toon te

gevoelen.

Daarenboven, elk spreker, die waard is te worden aangehoord, schept

zich een eigen atmosfeer en men kan zich daarin niet op zijn gemak

gevoelen zonder geacclimatiseerd te zijn. De spreker heeft zijn eigen

standpunt, en men moet zich daarop plaatsen om met hem te kunnen mee

denken; elk woord wordt gefiltreerd in zijn geest en men moet dien

geest kennen om de werking ervan te begrijpen. Toevallige hoorders

zijn als in een doolhof zonder gids, maar de vrienden des sprekers

gevoelen zich tehuis. «Hij zei dit of dat," beweert de toevallige

bezoeker. «O ja," antwoordt de deskundige, «maar als hij dat zegt,

beteekent het iets meer." Misschien zou men kunnen zeggen, dat de

hoofdvoorwaarde voor goed hooren is, dat men den spreker kent, zijn

eigen manier van werken, zijn geliefkoosde studiën, zijn onbewuste

vooroordeelen, zijn bijzondere boodschap, en die kennis kan alleen

verkregen worden door voortgezet hooren.

Een dominee openbaart zich niet in zijn eigenlijke kracht in het

particuliere leven: dat doet hij op den preekstoel. Wanneer men hem

des Zaterdags op de straat ontmoet, dan spreekt hij over het weer of

over een boek en verbergt zich, zooals trouwens elk degelijk man doet,

achter een alledaagsch onderhoud; des Zondags, zonder het te weten,

laat hij zijn masker vallen, totdat gij zijn karakter kunt doorgronden

en in zijn ziel lezen. Er zijn natuurlijk sommige mannen, die in hun

preeken even min zich bloot leggen als in hun gesprekken; maar in dat

geval verliezen de hoorders er niets bij: dezulken hebben geen

persoonlijkheid te openbaren, het zijn eenvoudig leeken in een

geestelijk kleed gestoken. Men heeft een maand noodig om te gewennen

aan een paar zware, nieuwe laarzen en ten minste zes maanden om

gemakkelijk te zitten in een nieuwen studeerstoel; een jaar van

herhaald bezoek wordt geëischt om op zijn gemak te komen met een

nieuwen predikant; maar dan loont het genot ook de moeite.

Het tweede voorschrift is aandacht, wat hierop neerkomt, dat een

hoorder zijn lichaam in de kerk in dienst moet stellen van zijn ziel.

Het kan wel zijn, dat menschen luisteren, terwijl zij bewegingloos en

met gesloten oogen neerzitten en velen verklaren die houding door te

zeggen, dat zij zich op die wijze onttrekken aan een afleidende

omgeving, maar in dat geval behooren zij dan toch van tijd tot tijd

eens teeken van leven te geven, al was het maar om den spreker gerust

te stellen en de omgeving te behoeden voor de zonde van een liefdeloos

oordeel.

Er zijn gemeenten in Schotland, waar een derde gedeelte van de

hoorders schijnt te slapen; maar de predikant krijgt later de

zekerheid, dat diezelfde hoorders het beste verslag van de preek en de

scherpste beoordeeling van zijn rechtzinnigheid kunnen geven. Maar men

kan niet zeggen, dat zij nu juist een opwekkend schouwspel opleveren

voor den spreker en deze komt vaak in de verzoeking eens iets

onrechtzinnigs te zeggen om ze daardoor te dwingen eenig bewijs van

belangstelling te geven.

Indien iemand daarentegen behept is met den boozen geest van

rusteloosheid, die hem ertoe brengt geen oogenblik stil te zitten, hem

nu eens doet opstaan en een poosje later weer onder de bank weg doet

duiken, dan behoort zoo'n man zich thuis te oefenen om zijn kwelgeest

de baas te worden of hij moet ergens gaan zitten, waar hij kan

luisteren zonder gezien te worden.

Ook is het alles behalve dienstig om goed te hooren, wanneer een man

zijn armen over elkaar slaat en achter in zijn bank leunt als iemand,

die, wetende dat er een zware beproeving boven zijn hoofd hangt, een

vast besluit neemt om ten einde toe stand te houden. Een spreker zal

misschien heel vaak de aandacht vestigen op het edele leger der

martelaars, maar hij wenscht toch liefst geen troep martelaars in zijn

eigen kerk toe te spreken. Niets is zeker ontmoedigender voor een

spreker--zelfs zóó dat de woorden besterven op zijn lippen en dat hij

zijn gedachten niet geregeld kan uitdrukken--aan een gehoor, dat alle

kenteekenen draagt van bestudeerde onachtzaamheid en niets is meer

bezielend voor hem dan een onafgebroken rij van meelevende gezichten.

Dan volgt de eisch, dat de hoorder zijn gedachten bepaalt bij het

behandelde onderwerp en hier heeft de geoefende hoorder een zeer groot

voordeel. Als het moeielijk is voor sommige menschen om te luisteren,

dan is het nog tienmaal moeielijker voor andere personen om te volgen,

want het is zeer goed mogelijk, dat iemand luistert en toch niet

volgt. Er zijn maar weinige lieden, die een half uur lang over

dezelfde zaak kunnen denken of zelfs maar denken over wat ook; na een

korte poos verslapt hun belangstelling en zij blijven achter; zij zijn

geheel den draad van de redeneering kwijt geraakt en hebben bijna het

onderwerp vergeten. De preek, die voor zulk een onbestendigen geest

geschikt zou zijn, zou moeten bestaan uit twintig onderafdeelingen,

elk een verhaaltje of een wakker schuddende gedachte bevattende, die

op zich zelf een geheel vormden, zoodat de hoorder, waar hij ook

inviel, dadelijk zich tehuis gevoelde. Menschen met gevoel behoorden

echter te bedenken, dat een opeenvolging van vermakelijke

tooverlantaarnplaatjes niet hetzelfde is als een ernstig kunstwerk en

indien iemand het Evangelie van Christus waardiglijk wil verkondigen,

dan moet hij ernstig overwegen en van zijn hoorders nadenken eischen.

De keten kan van goud zijn, maar de schakels behooren stevig aan

elkaar te zitten en een hoorder moet de sterkte ervan onderzoeken,

terwijl zij hem door de handen gaan. Indien iemand zich geen moeite

geeft bij de poging om een preek te verstaan, dan eindigt hij bijna

zeker met de klacht, dat de spreker langdradig of dat de toespraak

onsamenhangend was. Het is niet de moeite waard naar een preek te

luisteren, waarin de predikant niet zijn volle kracht heeft gelegd; en

het is niet mogelijk een preek goed te verstaan, tenzij de hoorder

eveneens al zijn krachten inspant.

Mijn vierde eisch voor gezegend luisteren is oprechtheid en een

predikant heeft het recht die hoedanigheid van zijn hoorder te vragen.

Indien een lid van een rechtbank zijn zetel inneemt met een gevestigde

meening betreffende de te behandelen zaak, dan is het te vergeefs, dat

een pleitbezorger zich inspant en er is geen hoop op een rechtvaardig

oordeel. Indien een persoon de kerk binnentreedt met vast gewortelde

vooroordeelen in de zaak der waarheid, dan geeft het niets hoe knap of

hoe welsprekend de spreker ook zij, hij kan geen vat krijgen op den

geest van dien hoorder. De eerlijke hoorder is die, welke bereid is

elke bewijsvoering in overweging te nemen en elk besluit te herzien,

uitgenomen natuurlijk dat half dozijn uitgemaakte waarheden, die geen

predikant met goed verstand ooit zal aanvallen en die elk godsdienstig

mensch als vaststaand aanneemt. Er zijn echter vele kanten van waar

men een waarheid beschouwen kan en die een hoorder misschien niet

heeft vermoed en er zijn vele toepassingen eener waarheid, welke zich

nooit aan hem voorgedaan hebben. Hij behoort bereid te zijn, den

spreker te volgen als een gids en ten minste de zaak in zijn eigen

belang te overwegen: hij behoort gewillig te zijn om te onderzoeken,

hoever het woord van den spreker zijn eigen gedrag betreft.

Niets prikkelt een spreker meer en geeft hem grooter vertrouwen bij

het verklaren der waarheid, dan de zekerheid dat elk eerlijk woord,

door hem gesproken, zal overwogen worden door eerlijke toehoorders.

Hij gevoelt, dat, in geval zij het met hem eens zijn, dit alleen zal

wezen, omdat zij overtuigd zijn; indien zij niet met hem instemmen,

dan zal dat zijn omdat naar hun meening hij niet erin geslaagd is een

goed pleidooi te leveren.

En de laatste eisch is christelijke liefde, die dubbele zegen--èn

voor den man, die spreekt èn voor de menschen, die hooren. Geen

atmosfeer doet zoo veel kwaad aan den hoorder en geen is een zoo zware

beproeving voor den spreker, als die van kleingeestige critiek en

boosaardige vertolking. De menschen moeten met milden en edelmoedigen

zin toeluisteren, bedenkende dat de predikant een man is even

onvolmaakt als zij zelf zijn en zich herinnerende dat niemand mag

beoordeeld worden dan met het oog op den inhoud van hetgeen hij

onderwijst. Het is mogelijk, dat iemand op zekeren dag wat mat is--dat

is vaak een gevolg van het weer; het is mogelijk, dat op een anderen

dag hij niet vriendelijk gestemd is--dat is soms een zaak van

spijsvertering; de hoorders zijn verplicht veel door de vingers te

zien bij iemand, die te kampen heeft met den dubbelen hinderpaal van

een weifelachtigen geest en een onvolmaakt lichaam. De hoorders moeten

als regel aannemen, dat niemand altijd dezelfde kan zijn, tenzij hij

zich voortbewege op de vlakke baan der vervelende gemeenplaatsen.

Men vertelt, dat eens eenige afgevaardigden van een vacante gemeente

een doctor in de godgeleerdheid van middelbaren leeftijd gingen

hooren, een man van kalmen aard en zonder eenige bezieling. Na hem een

preek te hebben hooren voordragen, die hij den voorafgaanden

Maandagvoormiddag had gemaakt en zoo als hij er elken volgenden

Maandag voormiddag een had kunnen maken, vroegen zij aan een van zijn

gemeenteleden of dit een goed staaltje was van de gewone prediking des

doctors. «Gij kunt," zei dit lid, «er staat op maken; hem eens te

hooren is zoo goed als hem altijd te hooren; hij is altijd dezelfde;

er is geen hooger of lager, geen beter of minder goed bij den doctor."

Zekerlijk daalde hij nooit beneden het effen peil van het gewone

boerenverstand en even zeker steeg hij nooit tot de hoogten der

bezieling. Menig predikant ondervindt, dat om de vier of vijf

Zondagen, dit verschilt naar omstandigheden, zijn vlucht vermindert,

dat hij heel gelijkvloersch blijft en zich niet kan verheffen.

Doch dan krijgt de gemeente den volgenden Zondag een ruime

schadeloosstelling en de predikant bereikt te beter den top des bergs,

met zijn vergezicht en frissche koelte, naarmate hij dieper was

afgedaald in het dal en enger was ingesloten geweest.

Een van de wreedste onrechtvaardigheden, waaraan de hoorders zich

kunnen schuldig maken is den prediker te verdenken van persoonlijkheid

en in zijn woorden een gedachte te leggen, die niet in hem opgekomen

is. Wanneer het voorkomt, dat een prediker de een of andere bijzondere

fout tot in kleinigheden beschrijft en met een zekere scherpte hekelt,

dan behooren de aanwezigen zich ervan verzekerd te houden, dat hij

bezig is zijn eigen fout te beschrijven, want inderdaad niemand is zoo

goed op de hoogte van anderer fouten als van die, welke hij als zijn

eigene erkent.

Het is het best voor den hoorder te gelooven, dat de prediker bij al

wat hij zegt, slechts gedreven wordt door trouw aan de waarheid en

door liefde voor zijn medemenschen en dat niemand dieper dan hij het

betreurt, indien er eenige tekortkoming of fout in den geest van zijn

onderricht is. Zijn begeerte is te overtuigen en te troosten; zijn

eenige belooning de geestelijke steun, dien hij verleent aan de zielen

zijner medemenschen. Indien door zijne woorden eenige broeder kracht

verkrijgt om zijn arbeid in den loop der week getrouwer te verrichten

of wordt geholpen in de beproevingen des levens, dan is zijn doel niet

mislukt en heeft hij geen berouw van zijn opofferingen. Zijn streven

is het verhevenste, dat de mensch kent en zijn arbeid is de zwaarste.

Daarom worde de meest mogelijke sympathie hem betoond en te zijnen

behoeve stijgen de meest aanhoudende en ernstige gebeden ten hemel!

Geen hoorder is eerlijk geweest tegenover den prediker, indien hij

vergeet, wat aan de deur der kerk gezegd is of als hij een preek

behandelt als een verhandeling, waarover geredetwist moet worden. De

kerk is niet een plaats van uitspanning of een gezelschap tot oefening

in het spreken: het is een school, waar de hoogste kennis wordt

onderwezen--de kennis des levens. De onderwijzingen worden van den

preekstoel af gegeven; het bewijs moet thuis geleverd worden. Meer dan

eenige andere godsdienst is de Christelijke proefondervindelijk en

practisch--niet een verzameling van regels, maar van grondbeginselen

die moet worden uitgewerkt in het leven van elken mensch. Die prediker

heeft zijn taak begrepen en volbracht, die een man tot handelen

beweegt en die hoorder heeft het meeste voordeel van een preek gehad,

die haar in praktijk heeft gebracht. De prediker behoeft geen lessen

uit te deelen, door te zeggen, als tot kinderen: «ge moet dit of dat

doen", want dat zou onverdragelijk zijn en tevens doelloos. De beste

predikers wekken gedachten op, door de menschen zich te doen schamen

over den lagen standaard van hun leven, terwijl zij luisteren naar de

blootlegging der zonde en door hen te brengen tot adeldom der ziel

door de tentoonstelling van de schoonheid der deugd. De eerlijke

toehoorder begint niet goed te handelen omdat het hem gezegd is, maar

omdat hij gevoelt het te moeten doen. Hij heeft zijn hart geopend voor

de boodschap der waarheid, zooals de zachte grond in de lente zich

opent voor het zaad en in die herbergzame woning ontkiemt het zaad en

wast het op.

Boven alles vraagt de Christenprediker twee dingen en deze kunnen

alleen verkregen worden bij gehoorzaamheid van den hoorder. Hij

noodigt zijn gehoor uit om discipelen en dienaren te worden van Jezus;

hij verheerlijkt de genade en de macht des Meesters; hij verzekert

zijn medemenschen, dat in Jezus te gelooven en Hem te volgen, leven

is. Indien de hoorder redeneert en redetwist over Jezus, kan hij nooit

tot de feiten komen en heeft hij niet eerlijk gehandeld met den

prediker. Laat hem de proef nemen en het met Jezus wagen, zooals de

eerste Christenen deden. Als hij dat doet, eerst dan zal hij in staat

zijn de prediking te beoordeelen; doet hij het niet, dan behoort hij

te zwijgen. Nooit is er beuzelachtiger getwist geweest dan met

hoorders, die niet gelooven willen: zij zijn als menschen, die om

het kerkgebouw heenloopen en kibbelen over de geschilderde glazen,

welke alleen van binnen af kunnen gezien worden. Ook doet de

Christenprediker een beroep op de offervaardigheid en het is zijn

plicht de heerlijkheid te roemen van een onzelfzuchtig leven. Hij

vraagt van de menschen, dat zij iets zullen doen dat moeielijk is en

weinig aantrekkelijks heeft en belooft hun een loon, dat geestelijk en

onzichtbaar is. De hoorder is verplicht dezen eisch voor zich zelf

waar te maken en te onderzoeken of het waar is, dat men er gelukkiger

en sterker door wordt, wanneer men niet zich zelf, maar anderen dient.

Het hoofddoel van elke prediking is ten slotte bezieling, en de man,

die in vuur gezet wordt, is de rechtvaardiging van den preekstoel. De

grootste ramp bij de prediking is tegenzin en onverschilligheid. Nooit

was een preek zoo onbeteekenend of zij bevatte meer dan de hoorders in

toepassing konden brengen. Geen preek is mislukt, die, al is het maar

één mensch, heeft verrijkt met één enkele gedachte of opgewekt tot één

brave daad.

II.

HOE EEN GEMEENTE HAAR DOMINEE TOT DE GROOTST MOGELIJKE VOLKOMENHEID

BRENGT.

Tusschen een predikant en zijn Gemeente is een voortdurende

wisselwerking, zoodat de dominee de Gemeente maakt en de Gemeente

eveneens den dominee vormt. Wanneer men spreekt van hetgeen de

predikant doet voor zijn gemeenteleden, dan denkt men daarbij niet aan

bankhuur en opbrengst van collecte en statistiek en scharen, ook niet

aan scholen en wijklokalen en zondagsscholen en bijbellezingen. De

groote taak van den dominee is de vorming van karakters. De

voornaamste vraag, die men te doen heeft in betrekking tot het werk

van den predikant, is daarom: welke soort van menschen heeft hij

gevormd?

En een van de meest belangrijke vragen ten minste, waardoor men zich

een oordeel kan vormen over de lidmaten eener kerkelijke Gemeente, is:

wat hebben zij gemaakt van hun dominee? Hiermede bedoelt men niet,

hoeveel traktement zij hem gegeven hebben of hoe vriendelijk zij voor

hem geweest zijn, maar in hoeverre hij een man is geworden en of hij

in den kring zijner Gemeente tot de voor hem bereikbare hoogte is

gestegen? Sommige Gemeenten hebben hun dominee ten onder gebracht door

hem zoolang te plagen, tot hij den moed en alle zelfbeheersching

verloor en tot hij knorrig en driftig werd. Weer andere Gemeenten

hebben hetzelfde gedaan door den dominee zoo naar de oogen te zien en

te vertroetelen, dat hij ten laatste geen tegenspraak meer kon dulden

en begon te gelijken op een dwingerig kind. Die Gemeente heeft haar

taak het best vervuld, welke een atmosfeer heeft weten te vormen zoo

bezielend en tevens zoo inspannend, dat alle goede eigenschappen in

haar dominee aangekweekt en alle verkeerde neigingen onderdrukt

werden.

Een jonge dominee is een last, gelegd op eene Gemeente en haar eerste

plicht is geduld, vooral ten opzichte zijner prediking. Zeker jong, en

wat niet hetzelfde beteekent, onrijp dominee, begon zijn loopbaan als

hulpprediker in een stadskerk, bekend wegens haar grootschen arbeid en

haar ernst. Zijn werk was het bezoeken van zieken en het zorg dragen

voor de zoogenaamde bijzaken; wijselijk werd hem zelden opgedragen te

preeken. Als hij het deed, dan was zijn toespraak inderdaad een zeer

jongensachtig opstel--ondiep, onpraktisch, vormelijk--en hij was

verstandig genoeg zich te schamen.

Na eenigen tijd werd hij ten gevolge van toevallige en persoonlijke

omstandigheden beroepen in een Kerk in een afgelegen dorp. Vóór hij de

groote stadskerk verliet, kwam een der ouderlingen hem bezoeken om

afscheid te nemen. Deze zei, dat hij het zijn plicht rekende te doen

uitkomen in welk opzicht de hulpprediker was geslaagd en waarin hij

gefaald had.

«Ge zijt zeer oplettend geweest voor de zieken en ... voor ... de

kinderen, en ik mag, zonder vleierij verklaren, dat men veel van u

hield, maar gij weet wel, dat God u niet het talent heeft toebedeeld

van spreken in het openbaar. Ik vrees, dat ge nooit in staat zult zijn

te preeken. Dat belet natuurlijk niet, dat ge toch wel als herder

nuttig en tot zegen kunt wezen."

Het was geen opwekkend vooruitzicht om altijd oude, ziekelijke dames

te bezoeken en dienst te doen bij zondagsschoolfeestjes, maar de jonge

man dankte den vriendelijken ouderling met een benepen hart en ging

naar zijn nieuw arbeidsveld.

Zijn eerste ervaring in de nieuwe parochie scheen de droeve

voorzegging te bevestigen. Den eenen dag raakte hij in de war in het

midden van zijn preek; een anderen keer, terwijl hij bezig was een

Zendbrief van Paulus te verklaren, verdwaalde hij zoo te midden van

zijn gedachten, dat hij van voren af aan moest beginnen en de helft

van zijn tekstverklaring moest herhalen. Bij die gelegenheid was de

jonge predikant zoo ontmoedigd, dat hij op den preekstoel zelf een

overijld besluit opvatte om ziin ontslag te nemen en hij ging zeer

ternedergedrukt de kerkekamer binnen. Daar stond een oude Hooglander,

een ouderling, op hem te wachten; deze nam hem bij de hand en dankte

hem voor «een welsprekende toespraak."

«Het is wonderbaar," zei hij met zijn zoet, minzaam accent, «dat gij

zoo goed preekt, en dat nog zoo jong, en ik zou u willen zeggen, dat

gij u nooit ongerust moet maken, als ge soms eens een punt van uw

toespraak vergeet. Dan laat ge eenvoudig een psalm zingen en neemt wat

rust; wellicht komt het dan weer in uw hoofd terug. Wij hebben

allemaal overvloed van tijd en we houden allen heel veel van u. De

menschen praten erover, wat een goed spreker gij binnen kort zult zijn

en zij zijn nu al trotsch op u."

Den volgenden zondag beklom de dominee den preekstoel vol vertrouwen

en werd gedragen door de lichtverheffende atmosfeer der

vriendelijkheid en daarom haperde hij niet en vergat hij niets en ook

is het sedert dien dag niet noodig geweest, dat hij weer van voren af

aan begon.

Het is inderdaad geen wonder, dat zijn hart nog altijd vanuit de stad,

waar hij thans is, met dankbaarheid en liefde terugdenkt aan die

Hooglandsche parochie; was zijn eerste Gemeente niet zoo vol

christelijke liefde voor hem geweest, dan zou hij nu niet in de

bediening des Woords zijn.

De leden eener Gemeente zijn verplicht hun dominee bij te staan in de

wereld buiten de Kerk. Hij behoort tot hen en zij moeten naijverig

zijn op zijn goeden naam. Indien hij iets zegt of doet, wat niet recht

is dan mogen zij hem dat zeggen onder vier oogen in alle teederheid en

liefde; maar als vreemdelingen hem bevitten, laat dan zijn eigen

menschen hem verdedigen en prijzen. Indien iemands eigen huisgezin hem

trouw blijft, dan wordt zoo iemand niet ter neder geslagen door de

vijandschap van de menschen op de straat. Wanneer dat huisgezin zich

tegen hem keert, dan ontzinkt hem het hart. Niets zal een degelijk man

meer ertoe brengen streng voor zichzelf te zijn en zijn fouten te

erkennen, dan de ontdekking, dat wie hem onder vier oogen berispt, hem

in het openbaar verdedigt.

Het kwam eens voor, dat een voornaam Kerklid het als zijn plicht

beschouwde zijn dominee, aan wien hij overigens zeer gehecht was, te

berispen omdat diens prediking scherp en ongeestelijk was geworden.

Zij waren persoonlijk bevriend en het gesprek werd gevoerd in een

volmaakt passenden vorm; maar de dominee voelde zich toch daarna

eenigszins gegriefd, wat vrij dwaas was, en hij pijnigde zich met de

gedachte, dat zijn vriend en zijne Gemeente iets tegen hem kregen.

Eenige dagen later kreeg hij het bezoek van een collega en terwijl zij

zaten te praten over verschillende zaken, wenschte zijn bezoeker hem

geluk ermee, dat zijn menschen zoo aan hem gehecht waren.

«Bijvoorbeeld: gisteren avond aan een diner was de oude doctor Sardine

bezig te vitten op uw prediking,--hij noemde u een liberaal en zoo

voort--toen de heer Cochrane uit den hoek kwam en den ouden heer

vertelde, dat hij niet wist, waarover hij sprak. Ik bezoek zijn kerk,

zei uw man, en ik weet, dat ik mijn dominee nooit zal kunnen

vergelden, wat hij voor mij en mijn gezin gedaan heeft! Dat was goed

Hollandsch en maakte een geweldigen indruk en daar was ten minste één

dominee, die u zulk een vriend benijdde."

Terwijl zijn vriend hem flink, onder vier oogen als man tegen man, op

zijn fouten had gewezen, en terwijl hij zich persoonlijk had beleedigd

gevoeld, als een dwaas kind, had diezelfde vriend met edelmoedige

geestdrift gewaakt voor zijn goeden naam en de gedachte daaraan wekte

op tot berouw. Het oordeel van zijn vriend kreeg een nieuwe

beteekenis, geheiligd als het werd door zulke bewijzen van oprechtheid

en grootmoedigheid. Zoo kwam de dominee ertoe ernstig na te denken

over zijn toestand en hij gevoelde in uitersten vervallen te zijn.

Niets oefent een weldadiger invloed uit op een rijk begaafd man dan

het gevoel dat een aantal menschen hem vertrouwen en over hem waken.

Dit vertrouwen vervult hem met nederigheid, onderdrukt zijn hoogmoed,

leert hem voorzichtigheid en doet hem zijn groote verantwoordelijkheid

gevoelen, zich in den strijd des levens flink te houden.

Een verstandige Gemeente zal ook beantwoorden aan het hoogste, wat de

dominee geeft en zal onderscheid maken tusschen een tweede- en een

eerste-rangsproduct van zijn brein. Daar is zoo iets als een

«goedkoope" preek, die misschien heel populair en duidelijk is, met

een heel oppervlakkig tintje van knapheid. Vlugge mannen worden vaak

verleid zulke preeken te geven, omdat zij heel gemakkelijk voorbereid

worden en geen inspanning van de ziel eischen. En een Gemeente houdt

wel eens van zulke preeken, omdat zij maar weinig oplettendheid

vragen.

Er is ook zoo iets als een «dure" preek, die heel wat strijd voor

hoofd en hart gekost heeft--een preek vol gedachten en hartstocht.

Zulke preeken worden niet gemakkelijk gemaakt en evenmin gemakkelijk

verstaan. Wanneer de predikant zijn ziel in zijn werk gelegd heeft,

dan moeten de hoorders ook hun ziel wijden aan het hunne. Natuurlijk

zal een sterksprekende persoonlijkheid niet ophouden zijn beste, zijn

voortreffelijkste werk voort te brengen, is er al niemand, die het

goedkeurt en hij zal in geen geval beneden zijn hoogste standpunt

dalen; maar de begeerte naar goedkoope en populaire prediking is een

groote verleiding voor een gewoon dominee, zoodat hij soms in de

verzoeking komt de dwazen in zijn Gemeente te gelieven en zijn eigen

last te verlichten door iets minder goeds te geven, dan hij zou kunnen

doen.

En het is het meest bedroevende en het pijnlijkste verschijnsel in het

kerkelijk leven, wanneer men een man ziet slagen, voor den uiterlijken

schijn ten minste, die zijn talenten heeft begraven en wanneer een

Gemeente gelukkig en schijnbaar tevreden is, na haar dominee te hebben

verwaarloosd.

Indien een predikant vervuld is van een hoog ideaal en een ijzeren wil

heeft, dan zal hij zich zelf tot volmaking brengen in spijt van de

meest ontmoedigende omstandigheden, en ofschoon de lieden vragen om

goedkoope knapheid, zal hij volhouden hen te voeden met de krachtigste

spijzen. Doch vele verdienstelijke mannen zijn noch bijzonder sterk

noch geestelijk en indien hun menschen geen lust hebben in stevig

voedsel, dan voldoen zij hen met het armzaligste van alle

kunstgrepen--godsdienstige liflafjes. Soms is het een evangelisch

praatje, soms maatschappelijke bombast of diepzinnige wartaal, altijd

is het een bijproduct van den geest des mans en minder dan waardeloos

voor de lidmaten zijner Kerk.

Het dient den dominee duidelijk gemaakt te worden, dat zijn Gemeente

verwacht te deelen in de rijpste vruchten zijner kennis en zijn meest

zorgvuldige overdenkingen op prijs zal stellen. Wanneer hij bij een of

andere gelegenheid zijn toppunt bereikt en een «groote" preek preekt,

dan komt het er niet op aan of iedere persoon elk woord heeft begrepen

of dat wellicht eenigen maar ongeveer de helft gevat hebben. Men

behoort hem te zeggen, dat al de leden der Kerk trotsch op hem zijn en

God voor hem danken en dat, indien hij misschien door sommigen niet

bijgehouden is, dit niet een gevolg was van duisterheid, maar van

verheffing, en dat men blij is een dominee te hebben, die op zulk een

hoog peil staat.

Hij moet niet tot hen nederdalen, maar zij moeten trachten tot hem op

te klimmen. Het is een onwaardige zaak voor een dominee om de gewone

praatjes van de gemeenteleden in een toonbaar kleed te steken, zoodat

de mindere man naar huis gaat zich zelf gelukwenschend omdat hij zijn

armzalige denkbeelden netjes aangekleed en opgedirkt heeft herkend.

Het is profetentaak zijn kudde hemelwaarts te leiden zelfs

niettegenstaande de weg soms door de woestijn voert en die kudde

behoort te volgen dicht achter den profeet en hem te doen weten, dat

zij er zijn en dat zij niet zullen ophouden te volgen, totdat hij hen

gebracht heeft midden in het Land van Belofte.

In die omstandigheden zal een man zich verplicht gevoelen de beste

boeken te lezen en door te dringen tot het hart van elke zaak; hij zal

noch verstandelijken arbeid, noch eenige aandoening der ziel schuwen

om te gemoet te komen aan de verwachting van een ernstig, ontwikkeld

gehoor en indien hij er ten laatste in slaagt een leider te worden,

wiens woorden tot in de verte doorklinken, dan zal aan deze Gemeente

de eer daarvan toekomen, die in hem geloofde en groote dingen van hem

verwachtte en meer van hem maakte dan hij ooit, in zijn eerzuchtigste

oogenblikken, gemeend heeft te zullen bereiken.

Het is ook de plicht van de leden eener Gemeente hun predikant aan te

moedigen en zij zouden zich in den regel daartoe meer moeite geven,

indien zij slechts wisten, hoezeer hij die aanmoediging noodig heeft

en hoezeer hij er door zou gedijen. Zij moeten een sterke

verbeeldingskracht hebben om de beproevingen van zijn stand te

begrijpen, die geheel verschillen van die op ieder ander arbeidsveld,

omdat hij werkt bij geloof en niet bij aanschouwing. Wanneer hij in

zijn studeerkamer zit en tegen den middag nog niets geschreven heeft,

omdat zijn gedachten niet toevloeien of wanneer hij het werk van vier

uren verbrandt, omdat het waardeloos is, dan kijkt de dominee eens

naar buiten en benijdt den metselaar, die aan de overzijde der straat

een zeker aantal voeten metselwerk heeft gemaakt, dat zoo goed en

kwaad als het is of wezen kan, vele jaren duren zal. Wanneer hij de

zieken zijner kudde bezoekt, bezorgd uitziende naar een teeken of zijn

woorden van opbeuring en raad eenige degelijke uitwerking hebben

gehad, dan zou hij wenschen een geneesheer te zijn, die kan zien, welk

goed hij doet en die zijn oogenblikkelijke belooning vindt in levens,

die hij redde van den dood--in lichamen, die hij bevrijdde van pijn.

Soms schijnt het den dominee toe, alsof hij week in, week uit zijn

woorden verspilt--hij kon even goed trachten de woestijn in een zee te

veranderen door er emmers water in te werpen. Uit den aard der zaak

kan hij de vrucht van zijnen arbeid niet ontdekken en daarom moeten

anderen hem vertellen, dat hij niet te vergeefs gearbeid heeft. De

menschen zijn er vlug genoeg bij om een preek te critiseeren of er

over uit te weiden, dat het bezoek een weinig minder druk was dan den

vorigen keer, maar is er niets anders dat zij zouden kunnen melden aan

den predikant? Heeft hij nooit eenig licht geworpen over een of ander

moeielijk gedeelte van de Heilige Schrift of het geweten bepaald bij

de beteekenis van eenigen nieuwen plicht of troost gebracht aan het

hart in de een of andere verdrietelijkheid des levens? Waarom moet hij

in onwetendheid gelaten worden, hij die juist zoo smachtend wacht op

nieuws, dat niet komt en dat zooveel zou waard zijn?

Laat ik u eens brengen in een studeerkamer, waar de dominee met

inspanning van alle krachten tegen stroom op roeit en eraan wanhoopt

ooit het strand te bereiken. De morgenpost komt aan en vier brieven

worden op zijn tafel gelegd: de eerste is onbelangrijk, de tweede is

vervelend, de derde is plagerig en de ontmoedigde man opent den

vierden brief met een zucht. Zeker weer een klacht van den een of

anderen twistzoeker; zeker weer een speldeprik toegebracht aan een

vermoeid man? Wat is dat?

«Mijn waarde dominee!--Een tijd lang heb ik u willen schrijven en u

vertellen wat een hulp gij geweest zijt voor personen, die mij zeer

dierbaar zijn. Herhaalde malen is mijn echtgenoot opgebeurd en

aangemoedigd door uwe flinke woorden in zijn strijd om in zijn zaken

te doen, wat goed is. Hij zei mij eens op een avond, dat niets meer

ertoe had bij gedragen om hem eerlijk te doen blijven dan uw preeken.

Gij weet, dat onze Jack ons een tijd lang zeer verdrietig maakte door

zijn zorgeloosheid en onverschilligheid voor het huiselijk leven.

Welnu, hij is in den laatsten tijd geheel veranderd en is zeer

oplettend voor mij en lief voor zijn vader. En op mijn verjaardig

bracht hij mij een zeer mooi geschenk, waarvoor hij bepaald eenige

maanden moet gespaard hebben. Toen ik hem vertelde, hoe dankbaar ik

was, zei hij alleen: «de preek over zoons en moeders heeft het

gedaan!" En nu scheen het mij toe, dat uw preek van verleden Zondag

over bezorgdheid voor mij geschreven was, want ik heb zoo weinig

geloof en ben zoo angstvallig. Daarom moest ik u even vertellen, dat

gij het leven van een geheel gezin hebt bezield en dat wij God danken

voor u.

Uw zeer dankbare

May Harrison."

De brief schijnt misschien niet lang of niet moeielijk te begrijpen,

maar de dominee was toch niet tevreden vóór hij hem zesmaal gelezen

had. En ofschoon het wellicht ook geen geleerde brief schijne, hij

wierp toch zulk een vloed van licht op den tekst, dat de pen van den

dominee over het papier vloog. Hij borg dien brief achter slot in zijn

lessenaar, maar merkte, dat hij een zin vergeten had, zoodat het

wenschelijker was hem in den zak te dragen. Des Zondags oordeelde hij

het noodig dien brief te lezen vóór hij naar de kerk ging en in de

kerkekamer sloeg hij er nog een laatsten blik in. En de dominee

preekte dien morgen met zulk een kracht en zoo vol opgewektheid, dat

zelfs de vitters tevreden waren en de Gemeente ging huiswaarts op

vleugelen.

III.

HET «CANDY-PULL" STELSEL.

Terwijl ik schrijf ligt voor mij op de tafel een beroep op de leden

van een Christelijke Jongelingsvereeniging (Young Men's Christian

Association) en ik schrijf het woordelijk af:

«Vergeet niet

De volgende gezellige bijeenkomst,

De volgende candy-pull,

De volgende feestelijke samenkomst,

Den volgenden zangdienst,

De volgende evangelische samenkomst,

Het volgende diner met kippenpastei,

Den volgenden datum, waarop gij den secretaris behoort te

verblijden met uw penningen."

Deze merkwaardige opsomming van werkzaamheden, waarin evangelische

ijver en bekwaamheid in zaken zich paart aan wat het vleesch aangenaam

is, kan zonder uitleggen begrepen worden; de verschillende punten

geven ons een duidelijke verklaring van een godsdienstige instelling

op de hoogte van den tijd--een waar mengelmoes van een Amerikaansche

Y. M. C. A.

Misschien heeft één afdeeling van het werk eene kleine opheldering

noodig; er zijn wellicht eenige menschen, die in het algemeen goed op

de hoogte zijn van de afdeelingen van Christelijk werk en die toch nog

niet zoo ver met hun onderzoekingen gevorderd zijn, dat zij kwamen tot

een «candy-pull."

Deze afdeeling, als dit het juiste woord is, is een gezelschap jonge

mannen en vrouwen, die te zamen komen om aan reepen kandij te trekken

en men zegt dat in het geval, dat de twee sexen er aan mee doen, de

bezigheid zeer uitlokkend is. Het kan ook zijn, dat dit kandij-trekken

met het oog op de beteekenis van het woord Jongelingsvereeniging zich

beperkt tot één sexe en daardoor beroofd wordt van de helft der

aantrekkelijkheid, maar men mag aannemen dat in deze dagen van

«aangename" godsdienstige avondjes de jonge mannen toch niet behoeven

overgelaten te worden aan hun eigen gezelschap.

De Christelijke Kerk en een Jongelingsvereeniging zijn natuurlijk zeer

onderscheiden instellingen en de laatste is niet gebonden aan eenige

overlevering van strenge waardigheid; maar men mag zich niet erover

verwonderen, dat de Kerk ook eenigszins is getroffen door den geest

van gezelligheid en ook haar best doet om den godsdienst een weinig

onderhoudend te maken. Wanneer men in Amerika binnenkomt in wat men

noemt een plaats van godsvereering, dan verbeeldt men zich in een

salon te zijn. Er ligt een dik kleed op den vloer, er staan rijen

stoelen, zooals men die in een schouwburg verwacht, een groot orgel

trekt het oog en bij de plaats van den predikant vindt men een

monsterbloemruiker; de menschen komen binnen met een vroolijk gezicht

en groeten elkander heel opgewekt; bijna niemand buigt het hoofd tot

een gebed en het gebouw wordt vervuld met een vroolijk gebabbel.

Daar maakt een man zich los uit een gesprek en loopt haastig door het

gedrang naar het platform even vaak zonder een geestelijk kleed, als

niet in leeken-kleeding. Dan treedt een kwartet naar voren en zingt

met het gelaat gekeerd naar het gehoor een lofzang voor de

vergadering, die niet opstaat, en later zingt datzelfde kwartet een

tweede loflied ook voor de vergadering. Dan wordt er een gebed

uitgesproken, er wordt uit de Heilige Schrift gelezen en de

daaropvolgende preek is kort en schitterend. Onder andere wenken,

dringt de dominee aan op het bijwonen van het Avondmaal met Paschen,

waar, zoo als vermeld wordt op een papier, geplakt op de banken,

oesters en vleeschspijzen zullen voorhanden zijn--ik vermoed een

kalkoen--en ijs. Dit maal zal gediend worden in het spreekvertrek der

kerk.

Nauwelijks is de zegen uitgesproken, die een oogenblik een ander

voorkomen aan de bijeenkomst gaf, of de vergadering loopt haastig naar

de deur; en ofschoon niemand kan begrijpen, hoe het in zijn werk is

gegaan, staat de dominee daar reeds, handendrukkend en menschen aan

elkaar voorstellende, ontsnappend aan menig lastig verzoek en in het

algemeen alles luchtigjes opvattend. De een wenscht hem geluk met zijn

«speech"--een nieuwe naam voor een preek--terwijl een ander zegt, dat

het «prachtig" was.

Er zijn ook in Engeland pogingen aangewend om het kerkelijk leven

werkelijk populair te maken, en in zekere stad, die de schrijver kent,

zijn die pogingen in een eigenaardige richting niet geheel mislukt.

Een der Kerken schafte zich een nieuwe verzameling nachtmaalschotels

aan door de alledaagsche kunstgreep van een danspartij; onderscheidene

Gemeenten gaven liefhebberij-tooneelvoorstellingen en een zeer

ondernemend lichaam had een eigen schouwburgzaal. Bijbellezingen

werden besloten, aan het einde van den cursus, met een souper; met

Goeden Vrijdag maakte men landelijke uitstapjes, begeleid door een

militair muziekkorps en een belangrijk deel van de inkomsten der

Gemeente was afkomstig van gezellige vergaderingen van allerlei aard.

Deze bijzondere stad is niets dan een staaltje van den algemeenen

geest, langzamerhand opkomend in de Kerk in Engeland. De eene dominee

gebruikt een tooverlantaarn om kracht bij te zetten aan zijn preek;

een ander heeft een kroeg bij de inrichting van zijn Kerk; een derde

behandelt het laatste moordenaarsschandaal; een vierde heeft een

dienst met zang, een zigeuner of een gewezen bokser om de

belangstelling in het Evangelie te doen herleven. Als het zoo

voortgaat, dan zullen weldra een schouwburg en andere vermakelijkheden

aan de Kerk worden toegevoegd, als aantrekkingsmiddel voor de

jongelieden en om te voorkomen, dat de oude menschen zich gaan

vervelen bij de godsdienstoefening.

Misschien is het door de boosheid van 's menschen natuur, die ons er

toe brengt op nieuwe dingen te vitten en te hunkeren naar den goeden

ouden tijd--die niet altijd goed was in alle opzichten--maar men is

toch niet zeer ingenomen met de nieuwe verschijnselen en in het geheel

niet overtuigd, dat het candy-pullstelsel in eenig opzicht een

verbetering van het verleden is.

Na een weinig ondervinding van aangename sprekers en spreekvertrekken

en soupers met roomijs en landelijke partijtjes, herinnert men zich

met vernieuwden eerbied en diepe waardeering den dominee van den

vroegeren tijd, met zijn eenvoudige kleeding, zijn waardige houding,

zijn gevoel van verantwoordelijkheid, zijn beschaafd voorkomen, en

wien men het aanzag, dat hij in stilte leefde in gemeenschap met God,

terwijl hij sprak als een overbrenger van een boodschap van den

Eeuwige. Hij maakte misschien niet zoo veel drukte bij het uitgaan van

de kerk als zijn opvolger en was misschien ook niet zoo knap in de

spelen en niet in staat om een zoo pakkende speech te houden over

«liefde, vrijerij en huwelijk." De lidmaten van zijn Gemeente hebben

hem wellicht niet genoemd een «schitterend man," en ook niet van hem

gezegd, dat hij een «eerste grappenmaker" was; ook hebben zij hem niet

zoo dikwijls op de «thee" gevraagd en het is zelfs toe te geven, dat

hij bijna te vormelijk was; maar daar staat tegenover, dat zij van hem

spraken als van «een man Gods," en «een goed man" en dat zij om hem

zonden bij de moeielijkheden des levens, wanneer hun geweten hen

pijnigde. Het is mogelijk, dat zij niet zoo met hem dweepten als met

den nieuwerwetschen man, maar zij hadden eerbied voor hem, geloofden

in hem, wat heel wat meer beteekent.

Men wordt ook getroffen door de verandering in de geheele omgeving van

de godsdienstoefening en men kan verschillen van meening erover of het

een voor- of een achteruitgang is. De kerk onzer vaderen was noch goed

verlicht, noch wetenschappelijk geventileerd, noch voorzien van met

zorg bewerkte kussens en het eenige karpet, dat er was, lag op de

treden van den preekstoel. De hedendaagsche kerk is bekoorlijk

versierd, en schitterend van ontelbare electrische lampen.

De dienst was in het verleden uit een muzikaal oogpunt onvolmaakt en

over het algemeen te lang van duur. Tegenwoordig wordt de tenorzanger

van het koor ontslagen, indien zijn stem versleten begint te lijken en

de menschen spreken er van, hoe de lofzang is «voorgedragen" of

«geïntoneerd"--misschien was het «Heilig, heilig, driewerf heilig,

almachtig Opperwezen"--en er wordt bekend gemaakt in de kerkekamer (of

in de spreekkamer van den predikant) dat de bespreking der Heilige

Schrift niet langer moet duren dan vijftien minuten--tien is nog

beter--en dat de gebeden geen inbreuk moeten maken op de muziek en dat

de preek, onverschillig welke het onderwerp ervan zij, al was het de

Oordeelsdag, «belangwekkend" moet zijn. In vroeger tijd noemde de

Gemeente een preek «stichtelijk" of «onderzoekend" of «opbouwend."

Tegenwoordig zegt zij, dat de predikant «in den stijl" was of zij

klaagt er over, dat hij «geen kleur bekende."

Er zijn ongetwijfeld veel punten, waarin de Gemeente van thans

vooruitgegaan is bij die van vroeger, maar toch is niet alle

verandering winst geweest, want het voornaamste bestanddeel van den

eeredienst van het vroegere geslacht was eerbied--de menschen

ontmoetten elkaar in tegenwoordigheid van den Eeuwige, voor Wien elk

mensch minder is dan niets. En het voornaamste bestanddeel is

tegenwoordig voor de kinderen van dat geslacht, die komen luisteren

naar een koor en een knap spreker, zelfbehagen.

Het moet toegegeven worden, dat een van de oorzaken voor de

verandering in den geest van het gemeente-leven een reactie is van het

individualisme en een nieuwe opvatting van het gemeenschapsbegrip der

Christelijke Kerk. Een godsdienstig mensch beschouwt zich zelf niet

langer als een op zich zelf staande eenheid, afgezonderd van elk ander

menschelijk wezen in de wereld en wiens hoofdbezigheid in het leven

is, zijn eigen ziel te behouden. Hij heeft ervaren, dat zijn leven

verband houdt met dat van zijn naasten en dat hij een deel uitmaakt

van een vereeniging die zich over de geheele wereld uitstrekt; dat hij

zijn menschheid niet moet verloochenen en dat hij, door anderen te

behouden ook zich zelf redt. De wereld is niet langer een woestijn,

die hij doortrekt als een pelgrim en vreemdeling, maar zijn

geboorteplaats, waaraan hij de vervulling van een taak verschuldigd is

en godsdienst is niet zoo zeer een ernstige toewijding aan God als wel

een nuttig, liefderijk leven.

Het middelpunt der gedachte is feitelijk overgebracht van de

eeuwigheid op het tijdelijke, van de vereering van God op het dienen

der menschen. De eerste opvatting werd belichaamd in een Puriteinsche

bijeenkomst, waar elke tegenwoordige in beteekenisvolle afwachting

uitkeek naar een teeken van gunst van den Almachtige, of in de

cathedraal, waar de menigte in stille aanbidding wegzonk bij het

opheffen van de hostie. De andere gedachte is voelbaar in het gebouw,

dat meer concertzaal is dan kerk, waar een aantal fatsoenlijke

menschen in opgeruimde stemming en vol van vriendschappelijke

gevoelens samenkomen om te trachten elkander te bewegen tot goede

daden en om liederen te zingen. De oude vreeze des Heeren schijnt

geheel verdwenen en met die vrees is eveneens heengegaan het gevoel

voor het onzienlijke, wat eens de bezieling van den eeredienst

uitmaakte.

Godsdienst, het wordt met grooten nadruk verdedigd, moet niet alleen

voldoen aan de behoeften der ziel, maar ook aan die van geest en

lichaam, opdat een Christen niet buiten de Kerk gelegenheid tot

beschaving of vermaak behoeve te zoeken. Indien hij begeerte heeft

naar ontspanning, dan moet zijn Kerk hem de uitspanningen verschaffen,

zoodat hij niet noodig heeft in de wereldsche maatschappij te gaan en

hoeveel of hoe weinig ontwikkeld zijn verstand ook moge zijn, zijn

geestelijk tehuis moet zijn smaak voldoen. Zijn letterkundige

vereeniging, zijn bijeenkomsten tot oefening in welsprekendheid, zijn

gelegenheid om bezoekers te ontvangen en zijn concertzaal moeten alle

onder één dak zijn, opdat de jonge Christen beveiligd worde tegen

verleiding.

De Dominee en zijn Gemeente · 第 1 / 8 段