LVIII.

Maria Clara gaat trouwen.

_Capitán_ Tiago is zeer in zijn schik. Gedurende de heele nare

periode heeft niemand zich met hem bemoeid: men heeft hem niet

gevangen genomen, men heeft hem niet onderworpen aan afzondering,

verhoor, elektrische machines, voortdurende voetbaden in onderaardsche

vertrekken en andere guitenstreken meer, die wel bekend zijn bij zekere

persoonlijkheden welke zichzelf beschaafd noemen. Zijn vrienden,

dat wil zeggen zij die 't eenmaal waren [want de man verloochende

zijn Filippijnsche vrienden, van af het oogenblik waarin ze verdacht

voor 't gouvernement werden,] zijn ook naar hun huizen teruggekeerd,

na eenige dagen vacantie in de rijksgebouwen. De gouverneur had

zelf order gegeven dat men ze uit hun bezittingen zou zetten, daar

hij ze niet voldoende waardig achtte om daarin te blijven, tot groot

verdriet van den éénarmige, die zijn aanstaande Paschen in hun talrijk

en welgesteld gezelschap had willen vieren.

Capitán Tinong kwam ziek, bleek, gezwollen in zijn huis terug--het

uitstapje was hem niet best bekomen--, en zoo veranderd dat hij geen

woord zeide, zelfs geen groet overhad voor zijn gezin, dat schreide,

lachte en gek werd van plezier. De arme man kwam zijn huis niet uit,

om geen gevaar te loopen dat hij een opstandeling, een _filibustero_,

zou moeten groeten. Zelfs neef Primitivo met al zijn wijsheid der

ouden kon hem niet aan zijn in-zich zelf-gekeerdheid ontrukken.

"_Crede prime_," [73] zeide hij tot hem "doordat ik niet tijdig alle

papieren heb kunnen verbranden, hebben ze je te pakken gehad. Maar

als ik je heele huis had verbrand, hadden ze je geen haar op je hoofd

gekrenkt. Doch _quod eventum, eventum. Gratias agamus Deo quia non

in Marians Insulis es, camotes seminando._" [74] Geschiedenissen

gelijkende op die van _Capitán_ Tinong waren Capitán Tiago niet

onbekend. De man liep over van dankbaarheid, zonder dat hij precies

wist aan wien hij zulke bizondere gunsten verschuldigd was. Tante

Isabel schreef het wonder toe aan de Heilige Maagd van Antipolo,

aan die van den Rozenkrans, of ten minste aan de _Virgen del Carmen_,

en op zijn allerminst, 't minste dat ze kon toegeven, aan Onze Lieve

Vrouw van de Riem; volgens haar kon het wonder niet van elders gekomen

zijn. _Capitán_ Tiago ontkende het wonder niet, maar voegde erbij:

"Ik geloof het Isabel, maar de Heilige Maagd van Antipolo zal het niet

alleen gedaan hebben. Mijn vrienden zullen ook meegeholpen hebben,

mijn aanstaande schoonzoon, meneer Linares, die, zooals je weet gekheid

maakt met den minister Antonio Canovas, dezelfde waarvan een prentje

in de illustratie stond, waar hij zich alleen maar verwaardigt de

helft van zijn gezicht aan de menschen te laten zien."

En de goede man kon een lachje van tevredenheid niet bedwingen

telkenmale wanneer hij een belangrijk bericht omtrent de gebeurtenissen

hoorde. En daar was wel reden voor. Men fluisterde stilletjes dat

Ibarra zou opgehangen worden; dat ofschoon er veel bewijzen ontbraken

om hem te veroordeelen, er onlangs een voor den dag was gekomen, dat

de beschuldiging bevestigde; de deskundigen zouden verklaard hebben

dat inderdaad de bouwwerken voor de school konden gehouden worden

voor een bolwerk, een versterking, alhoewel eenigszins gebrekkig,

zooals van domme inlanders niet anders kon verwacht worden. Deze

geruchten stelden hem gerust, en deden hem glimlachen.

Op dergelijke wijze als _Capitán_ Tiago en zijn nicht van meening

verschilden, verdeelden zich de vrienden der familie ook in

twee partijen: de eene hield het met de wonderen, de andere met

het bestuur, ofschoon deze laatste partij onbeteekenend was. De

mirakel-menschen waren weer onderverdeeld: de hoofdkoster van Binondo,

de verkoopster van waskaarsen en het hoofd van een broederschap zagen

de hand Gods, bewogen door de Maagd van den Rozenkrans. De Chineesche

kerkkaarsen-leverancier--die haar voorziet wanneer ze naar Antipolo

gaat--zeide, terwijl hij zich waaierde en een been heen en weer bewoog,

in zijn verhaspeld Spaansch:

"Wees niet dwaas: 't is de Maagd van Antipolo, bepaald! Die kan meer

dan alle anderen. Wees maar niet dwaas!"

_Capitán_ Tiago had groote achting voor den Chinees, die zich uitgaf

voor waarzegger, dokter enz. De palm van de hand zijner overleden

echtgenoote onderzoekend in de zesde maand van haar zwangerschap,

had hij voorspeld:

"Als 't geen jongen is en niet dood gaat, dan zal 't een heel goede

vrouw worden!"

En Maria Clara kwam ter wereld om de profetie van onze helden te

vervullen.

_Capitán_ Tiago echter was een voorzichtig en angstvallig man, en

kon maar niet zoo dadelijk besluiten als de Trojaan Paris. Hij kon

maar niet zoo ineens de voorkeur geven aan een der twee maagden uit

vrees, dat hij de andere zou beleedigen, hetwelk ernstige gevolgen

zou kunnen na zich slepen. "Voorzichtig!" zei hij bij zichzelf,

"laten we nu niet de boel bederven!"

In deze weifelingen verkeerde hij toen de gouvernementspartij aankwam:

Doña Victorina, Don Tiburcio en Linares.

Doña Victorina sprak voor de drie mannen en voor haar zelve, vermeldde

de bezoeken van Linares aan den _capitan general_, en gaf herhaalde

malen bedektelijk de wenschelijkheid van een aanzienlijk familielid

te kennen.

Ze lispte tegenwoordig, om een Andalusischen tongval na te doen.

"Ja!" zeide ze van Ibarra sprekend, "die had het wel verdiend. Ik heb

't dadelijk wel gezegd, toen ik hem zag: dat is een _filibustero_. Wat

heeft jou de gouverneur ook weer gezegd? Wat heb je hem gezegd,

wat voor berichten heb je hem over Ibarra gegeven?"

En ziende dat de neef draalde met te antwoorden, ging ze, zich tot

_Capitán_ Tiago wendend, voort:

"Gelooft u me maar, als ze hem ter dood veroordeelen, zooals te hopen

is, dan zal 't aan mijn neef te danken zijn."

"Nicht! nicht!" protesteerde Linares.

Doch ze liet hem geen tijd:

"Och wat 'n diplomaat ben jij geworden! We weten dat je de raadsman

bent van den gouverneur, die kan gewoon niet buiten je... Wel, Clarita,

wat 'n genoegen je te zien!"

Maria Clara vertoonde zich, nog bleek, ofschoon reeds vrijwel hersteld

van haar ziekte. Het lange haar was opgenomen met een lichtblauw

zijden lint. Ze groette bedeesd, met een droevig lachje, en trad op

Doña Victorina toe, voor den gebruikelijken kus.

Na de gewone beleefdheidsfrazen, ging de pseudo Andalusische voort:

"We komen jullie opzoeken. U bent er mooi afgekomen, dank zij uw

relaties!" En ze keek veelbeteekenend naar Linares.

"God heeft mijn vader behoed!" antwoordde het jongemeisje zacht.

"Jawel, Clarita, maar de tijd van de wonderen is al voorbij: wij

Spanjaarden zeggen: wantrouw de Maagd en zet het op een loopen." [75]

"Juist om...om...omgekeerd!" zei haar echtvriend.

_Capitán_ Tiago, die tot-nog-toe geen tijd had gevonden om een woord te

zeggen, waagde het te vragen, met veel aandacht lettend op 't antwoord:

"Dus u, Doña Victorina, u gelooft dat de Maagd?..."

"Wij komen juist met u over de 'maagd' spreken," antwoordde ze

geheimzinnig, en wees daarbij naar Maria Clara. "We moeten over

zaken spreken."

Het jongemeisje begreep dat ze heen moest gaan. Ze zocht een

voorwendsel, en verwijderde zich, onderweg steunend tegen de meubelen.

Wat in dit onderhoud afgehandeld werd is te min en te kleinzielig voor

vermelding. Toen het afgeloopen was, en men scheidde, was iedereen

in zijn schik.

Daarna zeide _Capitán_ Tiago tot tante Isabel:

"Laat aan 't logement zeggen dat we morgen een feest geven! Bereid

jij Maria erop voor, dat ze binnenkort gaat trouwen."

Tante Isabel keek hem ontsteld aan.

"Je zult 's zien! Wanneer meneer Linares mijn schoonzoon is, gaan

we in alle paleizen in en uit. Ze zullen jaloersch op ons wezen,

ze zullen 't allemaal besterven van nijd!"

En zoo kwam het dat den volgenden dag 's avonds om acht uur

Capitán Tiago's huis weer vol menschen was; alleen waren ditmaal

zijn genoodigden uitsluitend Spanjaarden en Chineezen. Het schoone

geslacht was vertegenwoordigd door Spaanschen, zoowel uit Spanje als

uit de Filippijnen.

Daar waren de meeste onzer bekenden bijeen: Padre Sibyla, Padre

Salvi onder verscheidene andere Franciskanen en Dominikanen; de oude

luitenant van de _guardia civil_, de heer Guevara, somberder dan ooit;

de _alférez_, die voor den duizendsten keer zijn veldslag vertelde,

onderwijl over zijn schouders iedereen aankijkend en zich houdend voor

een Don Juan van Oostenrijk; hij was nu luitenant met den graad van

"Comandante"; de Espadaña, die met eerbied en vreeze naar hem keek en

zijn blikken ontweek, en Doña Victorina, die "'t land" had. Linares

was nog niet gekomen, want als persoon van gewicht, moest hij later

komen dan de anderen: er zijn wezens die zoo ingebeeld zijn, dat ze

met een uur te laat bij allen toch groote mannen blijven.

In de groep der vrouwen was Maria Clara het voorwerp van praatjes.

"Phu!" zei een jongmeisje, "aardig trotsch..."

"Ziet er wel lief uit," antwoordde een ander, "maar hij kon er wel

een uitgekozen hebben, die niet zoo onnoozel keek."

"Dat doet het goud, meiske, de schoone jongeling verkoopt zich."

Ergens anders zeide men:

"Dat gaat trouwen, terwijl de eerste aanstaande op 't punt staat om

opgehangen te worden!"

"Dat is nog 's overleg: een plaatsvervanger klaar te hebben."

"Als ze nu weduwe wordt..."

Deze gesprekken werden wellicht gehoord door het jongemeisje in

kwestie. Ze zat op een stoel, bezig een presenteerblaadje met bloemen

in orde te maken--want men zag haar beven, verbleken en zich herhaalde

malen op de lippen bijten.

In den kring der mannen ging het gesprek op luiden toon, en liep

natuurlijk over de laatste gebeurtenissen. Allen waren aan 't woord,

zelfs Don Tiburcio; allen behalve Padre Sibyla, die een minachtend

zwijgen bewaarde.

"Ik heb hooren zeggen dat uwe weleerwaardigheid het dorp gaat

verlaten, Padre Sibyla," vroeg de nieuwe luitenant, die door zijn

nieuwe sterretje beminnelijker geworden was.

"Ik heb er niets meer te doen. Ik blijf voor goed in Manila...en u?"

"Ik ga ook heen," antwoordde hij zich langer makende, "het gouvernement

heeft me noodig om met een vliegende colonne de provincies van gespuis

te zuiveren."

Fray Sibyla keek hem snel van hoofd tot voeten aan, en keerde hem

verder geheel den rug toe.

"Is het al met zekerheid bekend, wat er gedaan zal worden met den

aanvoerder, 'ons oproermakertje?'" vroeg een beambte.

"Spreekt u van Crisóstomo Ibarra?" vroeg een ander. "'t

Waarschijnlijkste en rechtvaardigste is wel dat hij opgehangen wordt,

evenals die lui van '72."

"Hij wordt verbannen!" zei de oude luitenant droogjes.

"Verbannen! Alleen maar verbannen! Maar dat zal dan toch wel een

levenslange wezen!" riepen er verscheidenen tegelijk.

"Als dat jongemensch," hervatte luitenant Guevara op luiden en

strengen toon, "meer op zijn hoede was geweest; als hij minder

vertrouwen gesteld had in zekere personen, aan wie men schrijft, als

onze ambtenaren van 't openbaar ministerie niet al te spitsvondig

het geschrevene wisten uit te leggen, zou die jonge man stellig

vrijgesproken zijn."

Deze verklaring van den ouden luitenant en de toon van zijn stem

brachten een groote verrassing te weeg in 't gehoor dat hij had;

men wist niet wat men daarop zeggen zou. Padre Salvi keek naar een

anderen kant, wellicht om niet den somberen blik te zien, dien de

oude man op hem richtte. Maria Clara liet de bloemen vallen, en bleef

roerloos zitten. Padre Sibyla, die de kunst van zwijgen verstond,

scheen ook wel de eenige te wezen die een vraag kon doen.

"Spreekt u van brieven, meneer de Guevara?"

"Ik spreek van 't geen de verdediger gezegd heeft; die heeft zijn zaak

met ijver en warmte opgenomen. Behalve enkele dubbelzinnige regels,

die dat jongmensch aan een vrouw geschreven had, voordat hij naar

Europa vertrok, regels waarin de fiskaal een plan en een bedreiging

tegen het bestuur zag, en die hij erkende geschreven te hebben,

was er niets waaruit men iets tegen hem kon halen."

"En de verklaring van den bandiet voor zijn sterven?"

"De verdediger toonde de nietigheid daarvan aan, want, volgens den

bandiet zelf hadden zij nooit met het jongmensch zelf contact gehad,

maar alleen met een zekeren Lucas, en dat was een vijand van hem,

zooals bewezen is kunnen worden: de man heeft zich van kant gemaakt,

misschien wel uit berouw. 't Is bewezen dat de papieren op het lijk

gevonden vervalscht waren, want het schrift was gelijk aan dat van

meneer Ibarra voor zeven jaar, maar niet aan zijn tegenwoordige

hand, waardoor men veronderstelt dat die bezwarende brief als model

gediend heeft. Nog meer: de verdediger zeide dat, als meneer Ibarra

de brief niet had willen erkennen, er veel voor hem had gedaan kunnen

worden. Maar toen hij dien zag, werd hij bleek, verloor den moed en

bevestigde alles wat hij daarin geschreven had."

"U zeide", vroeg een Franciskaan, "dat de brief aan een vrouw gericht

was. Hoe kwam die in handen van den fiskaal?"

De luitenant antwoordde niet. Hij keek even naar Padre Salvi, en

verwijderde zich, zenuwachtig plukkende aan de punt van zijn grijzen

baard, terwijl de anderen commentaren maakten.

"Dat is de vinger Gods!" zei er een, "zelfs de vrouwen haten hem."

"Hij heeft zijn huis in brand gestoken in 't idee dat hij daardoor zich

redden zou, maar hij rekende buiten de waardin, dat wil zeggen buiten

zijn liefje, zijn _babai_," voegde een ander er lachend bij. "Zoo

wordt het vaderland gered!"

Intusschen stond de oude krijgsman stil op een van zijn wandelingen,

en trad op Maria Clara toe, die roerloos op haar stoel zat te luisteren

naar 't gesprek. Aan haar voeten zag men de bloemen liggen.

"U bent een heel verstandige jonge dame," zeide de oude luitenant zacht

tot haar, "u heeft er goed aan gedaan dien brief af te geven...Zoo

heeft u zich met de uwen een rustige toekomst verzekerd!"

Zij zag hem heengaan, en huiverde. Ze beet zich op de lippen. Gelukkig

kwam tante Isabel voorbij. Maria Clara had nog de kracht om haar bij

het kleed te grijpen.

"Tante!" stamelde ze.

"Wat is er, kind?" vroeg deze ontsteld, toen ze 't gelaat van 't

jongemeisje zag.

"Breng me in mijn kamer!" smeekte ze, zich vastklampend aan den arm

der oude vrouw, om op te staan.

"Ben je ziek, mijn kindje? Wat scheelt je?"

"Een duizeling...al die menschen in de zaal...zooveel licht...ik moet

wat rusten. Zeg aan vader dat ik wil gaan slapen."

"Je bent heelemaal koud! Wil je soms wat thee?"

Maria Clara schudde het hoofd, deed de deur van haar slaapkamer op

slot, en liet zich slap neervallen op den grond, aan den voet van

een heiligen-beeld.

"Moeder, o moeder, moeder!" snikte ze.

Door het venster en de deur, die uitkwam op het platte dak, viel het

licht der maan.

De muziek ging voort met haar vroolijke walsen.

Het gelach en het geroezemoes der gesprekken drongen in de slaapkamer

door. Verscheidene malen kwamen haar vader, tante Isabel, Doña

Victorina en Linares aan haar deur kloppen, maar Maria Clara verroerde

zich niet: een gereutel ontsnapte aan haar borst.

Uren gingen zoo voorbij. De vroolijkheid van den maaltijd hield

op. Men hoorde dansen, zingen. De kaars raakte op en ging uit, maar

het jongemeisje bleef onbewegelijk op den grond, beschenen door de

stralen der maan, liggend aan de voeten van 't beeld van Jezus' Moeder.

Het huis werd allengs weer stil, de lichten werden uitgedaan, tante

Isabel klopte nog eens aan.

"Nou, ze is in slaap gevallen!" zeide ze luid. "Och, ze is jong,

en heeft in 't geheel geen zorgen, ze slaapt als een rots!"

Toen alles stil was, stond ze langzaam op, en liet een blik om zich

heen gaan. Ze keek naar het platte dak, de kleine wingerdleiding,

waarover het weemoedig maanlicht lag gespreid.

"Een rustige toekomst! Slapen als een rots!" mompelde ze, en richtte

zich naar het plat.

De stad lag te slapen. Slechts van tijd tot tijd hoorde men

het gedruisch van een rijtuig, dat bolderde over de houten brug

over de rivier, welker eenzame wateren rustig het licht der maan

weerspiegelden.

Het jongemeisje sloeg de oogen op: de hemel was van een saffieren

helderheid. Langzaam ontdeed ze zich van haar ringen, haar oorhangers,

haarnaalden en kammetje, en legde ze neer op de leuning van het platte

dak. Toen keek ze naar de rivier.

Een _bangka_, geladen met _zacate_-gras, legde aan onder aan den

steiger, die ieder huis aan den rivieroever bezit. Een van de twee

mannen die er in zaten, besteeg de steenen trap, sprong de muur over,

en enkele seconden later hoorde men hem de trap naar de _azotea_,

't platte dak, opgaan.

Maria Clara zag dat hij stil stond, toen hij haar gewaar werd, doch

't was slechts een oogenblik, want de man kwam langzaam naderbij,

en bleef op drie passen afstands staan. Maria Clara deinsde terug.

"Crisóstomo!" stamelde ze vol ontzetting.

"Jawel, Crisóstomo!" antwoordde de jonge man op ernstigen toon,

"een vijand, een man die redenen had om me te haten, Elias, heeft me

uit de gevangenis gehaald, waar mijn vrienden me in opgesloten hadden."

Op deze woorden volgde een droef stilzwijgen. Maria Clara liet het

hoofd zinken, en liet moedeloos de beide handen vallen.

Ibarra ging voort:

"Bij 't lijk van mijn moeder zwoer ik dat ik je gelukkig zou maken,

hoe mijn lot ook wezen zou! Jij mocht je belofte breken, ze was je

moeder niet--maar ik, die haar zoon ben, ik houd haar nagedachtenis

in eere, en trots allerlei gevaren ben ik hier gekomen, om mijn eed

gestand te doen. En 't toeval wil, dat ik met je zelf kan spreken,

Maria. We zullen elkaar niet meer terugzien. Je bent jong, en wellicht

zal eenmaal je geweten je beschuldigen... Ik kom je zeggen, voordat

ik vertrek, dat ik je vergeef. Nu, wees gelukkig, vaarwel!"

Ibarra wilde heengaan, doch 't jongemeisje hield hem tegen.

"Crisóstomo!" zeide ze, "God heeft je gezonden, om me van wanhoop te

redden...Hoor me aan, en oordeel me dan!..."

Ibarra trachtte zich met zacht geweld van haar los te rukken.

"Ik ben niet gekomen, om je rekenschap te vragen van je daden...ik

ben gekomen om je rust te geven."

"Ik wil die rust niet, die jij me geven wilt. Ik zal mezelf wel een

rustig gemoed geven! Jij veracht me, en je minachting zou me bitter

stemmen tot mijn dood toe!"

Ibarra zag de wanhoop en de smart in de arme vrouw, en vroeg haar

wat ze dan verlangde.

"Dat je gelooft, dat ik je altijd liefgehad heb!"

Crisóstomo lachte bitter.

"O, je twijfelt aan me, je twijfelt aan de vriendin van je

kinderjaren, die nooit een enkele gedachte voor je verborgen gehouden

heeft!" riep het jongemeisje met smart. "Ik begrijp je! Wanneer je

mijn geschiedenis kent, de droeve geschiedenis die me tijdens mijn

ziekte werd geopenbaard, dan zal je medelijden met me hebben, en zal

je niet meer zoo'n lachje voor mijn smart overhebben.

"Waarom heb je me maar niet laten sterven onder de behandeling van

mijn dommen dokter? Jij en ik zouden beiden gelukkiger geweest zijn!"

Maria Clara zweeg even om op adem te komen, en hervatte dan:

"Jij hebt het gewild, jij hebt aan me getwijfeld. Och, laat mijn

moeder 't me vergeven! In een van de pijnlijke nachten van mijn

laatste ziekte, openbaarde een man me den naam van mijn waren vader,

en verbood me je liefde...tenzij mijn vader zelf je den hoon vergat

dien je hem aangedaan hadt!"

Ibarra deinsde een schrede terug, en keek het jongemeisje verschrikt

aan.

"Ja," ging ze voort, "de man zeide me, dat hij onze vereeniging niet

mocht toestaan, omdat zijn geweten het hem verbood, en hij zich dan

genoodzaakt zou zien de zaak ruchtbaar te maken, op gevaar van een

groot schandaal, want mij vader is..."

En ze fluisterde den jongeman een naam in 't oor, zoodat hij alleen

die hooren kon.

"Wat moest ik doen? Moest ik de nagedachtenis van mijn moeder,

de eer van mijn onechte vader, en den goeden naam van den waren,

opofferen aan mijn liefde?"

"Maar bewijzen, gaf hij je bewijzen? Jij had bewijzen noodig!" riep

Crisóstomo ten hoogste ontroerd.

Het jonge meisje haalde twee papieren uit haar boezem.

"Twee brieven van mijn moeder, twee brieven geschreven te midden van

haar berouw, toen ze mij onder 't hart droeg! Daar, lees ze, en je zult

zien, hoe ze me verwenscht, en naar mijn dood verlangt...mijn dood,

die mijn vader tevergeefs met medicijnen trachtte te bewerken! Deze

brieven had hij vergeten, in een laadje laten liggen. Een andere man

vond ze en bewaarde ze, en heeft ze me alleen afgegeven in ruil voor

jouw brief...om zich te vergewisschen zooals hij zeide, dat ik niet

zou gaan trouwen zonder de toestemming van mijn vader.

"Sedert dat ik ze bij me draag in plaats van jouw brief, voel

ik iets kouds aan mijn hart. Ik heb je opgeofferd, mijn liefde

opgeofferd... wat doet men niet voor een moeder die dood is en twee

vaders, die nog leven? Kon ik vermoeden welk gebruik ze van je brief

zouden maken!?" Ibarra stond verplet. Maria Clara ging voort:

"Wat bleef me nog? Kon ik je soms zeggen, wie mijn vader was, kon ik

je zeggen dat je hem vergiffenis moest vragen, aan hem die jouw vader

zooveel heeft doen lijden? Kon ik misschien aan mijn vader zeggen

dat hij je vergeven zou, kon ik hem zeggen dat ik zijn dochter was,

aan hem, die zoo naar mijn dood verlangd had? Er bleef me niets anders

over dan te lijden, het geheim bij me te bewaren, en in mijn lijden

te sterven!... Nu, mijn liefste, nu je de droeve geschiedenis van je

Maria kent, zul je nu nog dat minachtende lachje voor haar overhebben?"

"Maria, jij bent een heilige!"

"Ik ben gelukkig, nu ik weet dat je me gelooft..."

"En toch..." hervatte de jonge man van toon veranderend, "ik heb

hooren vertellen dat je gaat trouwen..."

"Ja, dat is zoo!" snikte ze, "mijn vader eischt dat offer van

me...hij heeft me lief gehad en opgevoed en 't was zijn plicht

niet. Ik betaal hem deze schuld van dankbaarheid, door hem met deze

nieuwe vermaagschapping zijn rust te verzekeren."

"Maar..."

"Maar?"

"Ik zal de eeden van trouw die ik jou gezworen heb niet vergeten."

"Wat ben je van plan te doen?" vroeg Ibarra trachtende in haar oogen

te lezen.

"De toekomst is duister, en 't lot ligt verborgen!

"Ik weet niet wat ik doen zal. Maar weet dat ik maar een keer zal

liefhebben, en zonder liefde zal ik aan niemand toebehooren. En jij,

wat zal er van jou worden?"

"Ik ben maar een vluchteling, ik vlucht. Binnenkort zal men mijn

ontsnapping ontdekken, Maria."

Maria drukte het hoofd van den jongen man tusschen haar beide handen,

kuste hem verscheidene malen op de lippen, omhelsde hem. Dan, hem

bruusk van zich verwijderend, zeide ze:

"Vlucht, vlucht! _Adios!_"

Ibarra keek haar met schitterende oogen aan, doch op een teeken van

't jonge meisje ging hij heen, dronken, wankelend...

Weer sprong hij over den muur en stapte in de _bangka_. Maria Clara,

leunend op de borstwering, keek hem na.

Elias ontblootte het hoofd, en groette haar met een eerbiedige buiging.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 65 / 70 题