LVII.

Vaderland en belangen.

De telegraaf bracht onder ambtsgeheim het bericht van 't gebeurde

naar Manila over, en zes en dertig uur later spraken met veel

geheimzinnigheid en niet weinig bedreigingen de bladen er over; echter,

was er bijgevoegd, was 't een en ander verbeterd en besnoeid door den

fiskaal. Ondertusschen waren het partikuliere berichten, uitgaande van

de "kloosters," die het eerst van mond tot mond gingen, doch in stilte

en tot groote ontzetting van hen die ze vernamen. Het feit, in duizend

lezingen verminkt, werd met meer of minder gemak geloofd al naar mate

het de hartstochten en de denkwijze van een ieder streelde of kwetste.

Zonder dat de openbare rust gestoord scheen, althans in schijn

werd de vrede der haardsteden hersteld, als in een vijver: terwijl

de oppervlakte zich glad en effen vertoont, krioelen, glijden en

vervolgen elkaar de stomme visschen. Ridderkruisen, ordeteekens,

galons, baantjes, prestige, macht, aanzien, waardigheden enz. begonnen

rond te dwarrelen als vlinders in een atmosfeer van gouden muntstukken,

voor de oogen van een deel der bevolking. Voor het andere, verhieven

zich aan de kim, afstekend tegen den aschkleurigen ondergrond,

als zwarte silhouetten, tralies, ketens en zelfs het noodlottige

galgen-hout. 't Was of men in de lucht de verhooren, de vonnissen,

de kreten, ontwrongen door de foltertuigen, kon waarnemen. De

Mariannen-eilanden en Bagoembajan vertoonden zich gehuld in een

bloedig-lompige sluier: men verwarde visschers en visschen. Het lot

liet de gebeurtenis aan de verbeelding der Manilenen zien als zekere

Chineesche waaiers: een kant zwart, en de andere kant vol verguldsel,

levendige kleuren, vogels en bloemen.

In de "kloosters" heerschte de grootste opwinding. Men spande

rijtuigen in; de "provincialen" bezochten elkaar, hielden geheime

samenkomsten. Ze vervoegden zich in de paleizen om hun steun aan te

bieden aan het "bestuur dat in zeer ernstig gevaar verkeerde."

Men sprak weer over komeeten, maakte toespelingen, gaf speldeprikken

enz.

"Een _Te Deum_, een _Te Deum_!" zeide een monnik in een

klooster. "Dezen keer moet er niets in 't koor ontbreken! 't Is

geen geringe goedheid van God, dat Hij nu doet zien, juist in zulke

verdorven tijden, hoeveel wij waard zijn!"

"Na dit lesje zal generaaltje _Mal Agüero_ [57] zich op zijn lippen

bijten," antwoordde een ander.

"Wat zou er van hem geworden zijn zonder de corporaties?"

"En om het feest beter te vieren, moet aan den broederkok en den

rentmeester gezegd worden... _gaudeamus_ drie dagen lang!"

"Amen! Amen! Leve Salvi! Leve!"

In een ander klooster was het weer anders.

"Zie je wel. Dat is nu een leerling van de Jezuïeten: van 't Ateneo

gaan de opstandelingen uit!" zeide daar een _fraile._

"En godloochenaars."

"Ik heb 't wel gezegd: de Jezuïeten storten 't land in 't ongeluk,

bederven de jeugd; maar men duldt ze, omdat ze wat krabbels op een

papier zetten, wanneer er aardbeving is..."

"En God weet hoe ze wezen zullen!"

"Jawel, spreek ze maar 's tegen! Als alles beeft en zich beweegt,

wie schrijft er dan hanepoten? Onzin, Padre Secchi..."

En ze lachen met souvereine minachting.

"Maar de stormen dan, en de tyfon's?" vroeg een ander met bijtende

ironie. "Is dat niet goddelijk?"

"De eerste de beste visscher kan ze voorspellen!"

"Als de man aan 't bewind een stommeling is... zeg me hoe 't met je

hoofd staat, en ik zal je zeggen wie je vader is! Maar u zult 's zien,

als de vrienden elkaar vooruithelpen: de bladen vragen bijna om een

bisschopsmijter voor Padre Salvi."

"En hij krijgt 'm! En lekker ook!"

"Denk je dat?"

"Dacht je van niet? Ze geven die tegenwoordig voor allerlei dingen. Ik

weet van een die hem wel voor minder gekregen heeft: hij schreef een

prullig boekje, waarin hij aantoonde dat de inlanders alleen maar

geschikt waren voor handwerkslieden...bah, ouwe zeurpraatjes!"

"Dat is zo! Al die onrechtvaardigheden doen kwaad aan den

godsdienst!" riep een ander uit. "Als de mijters oogen hadden, en

's konden zien op wat voor schedels of ze..."

"Als de mijters natuurvoorwerpen waren," voegde een ander er met

neusgeluid bij. "_Natura abhorret vacuum._" [58]

"Daarom juist krijgen zij ze te pakken: het leege trekt ze

aan!" antwoordde nog een ander.

Dit een en ander en meer zoo werd in de "convento's" gezegd.

In zijn weelderig ruim salon zit Capitán Tinong--dezelfde gastvrije

man die indertijd met zooveel aandrang Ibarra tot een bezoek aan zijn

huis uitnoodigde--in een grooten leuningstoel. Hij streek mismoedig de

handen over het voorhoofd en den nek, terwijl zijn eega, _Capitana_

Tintjang, zat te schreien en een boetpredicatie tegen hem hield in

't bijzijn van zijn twee dochters, die in een hoek stom, verbijsterd

en ontroerd toeluisterden.

"Ach, Heilige Maagd van Antipolo!" riep de vrouw.

"Ach, Heilige Maagd van den Rozenkrans en van de Riem!

"Och och! Onze lieve Vrouw van Novaliches!"

"Nanay!" antwoordde 't jongste der meisjes.

"Ik heb 't je wel gezegd!" ging de vrouw verwijtend voort. "Ik heb

't je wel gezegd. Och, Heilige Maagd _del Carmen_, och, och!"

"Maar je hebt me immers niets gezegd!" waagde Capitán Tinong

op huilerigen toon te antwoorden. "Integendeel, je hebt me juist

gezegd dat ik er goed aan deed bij Capitán Tiago aan huis te komen,

en zijn vriendschap aan te houden, omdat...omdat hij rijk was...en

je zei me..."

"Wat? Wat heb ik je gezegd? Dat heb ik je niet gezegd, ik heb je

niets daarvan gezegd! Och, als je toch naar me geluisterd had!"

"Nu gooi je de schuld op mij!" hervatte hij op bitteren toon, terwijl

hij met de hand op de armleuning van zijn stoel sloeg. "Heb je dan

niet gezegd dat ik goed gedaan had met hem uit te noodigen, om bij

ons te komen eten, omdat hij rijk was...? Jij zei zelf dat we alleen

maar kennissen en vrienden onder de rijken moesten hebben. _Awa!_"

"'t Is waar, dat heb ik je gezegd... omdat er niets anders op zat:

jij prees hem maar altijd: Don Crisóstomo voor, Don Crisóstomo na,

_awa_! Maar ik heb je niet aangeraden dat je hem zou ontmoeten en

met hem praten op die bijeenkomst. Dat kun je me niet tegenspreken."

"Wist ik soms dat hij daarheen zou gaan?"

"Je hadt het moeten weten!"

"Hoe kon dat, als ik hem niet eens kende?"

"Nou, dan had je hem moeten kennen!"

"Maar, Tintjang, 't was immers den eersten keer dat ik hem zag,

dat ik van hem hoorde spreken!"

"Dan had je 'm maar eerder moeten gezien hebben, of van hem gehoord

hebben! Daarvoor ben je een man, daarvoor draag je een broek en

lees je het _Diario de Manila_!" antwoordde de gade onverschrokken,

en wierp hem een vreeselijken blik toe.

Capitán Tinong wist niet wat hij zou antwoorden.

_Capitana_ Tintjang, niet tevreden met deze overwinning, wilde hem

geheel vernietigen, en met gebalde vuisten op hem toetredend, voer

ze tegen hem uit:

"Heb ik daarvoor jaar in jaar uit gezwoegd en gesloofd en gespaard, dat

jij met stommiteiten de vrucht van mijn inspanning zult wegsmijten? Nu

zullen ze komen, om je te verbannen, ze zullen ons goed afnemen,

zooals ook overkomen is aan de vrouw van...O, als ik een man was!"

En ziende dat haar man 't hoofd boog, begon ze weer te snikken,

maar herhaalde onderwijl steeds:

"O, als ik toch een man was, als ik een man was!"

"En als jij nu 's man was," vroeg tenslotte de echtgenoot gepikeerd,

"wat zou je dan doen?"

"Wat? Wel...wel...ik ging nog vandaag me bij den gouverneur

aanmelden, om mijn diensten aan te bieden, om te vechten tegen de

opstandelingen. Nu onmiddellijk!"

"Maar heb je dan niet gelezen wat _'t Dagblad_ zegt? Lees! "Het

snoode verraad is met voortvarendheid, kracht en vastberadenheid

onderdrukt, en weldra zullen de rebellen, de vijanden van 't vaderland,

en hun medeplichtigen al het gewicht en de gestrengheid der wetten

voelen"... Zie je? Er is geen oproer meer."

"Dat doet er niet toe, je moet je toch aanmelden, net zooals ze 't in

'72 gedaan hebben, en die zijn toen vrijgekomen."

"Jawel! Iemand die 't ook gedaan heeft, padre Burg..." Doch hij kon

den naam niet geheel uitspreken, want zijn vrouw liep op hem toe,

en hield hem den mond dicht.

"Komaan, nou nog mooier! Spreek dien naam uit, dan hangen ze je morgen

in Bagoembajan op! Weet je dan niet, dat het genoeg is hem uit te

spreken om zonder vorm van proces te worden veroordeeld? Wel zeker,

ga je gang maar!"

De Capitán had, al had hij haar nog zoo gaarne willen gehoorzamen,

't niet gekund: met beide handen hield zijn vrouw zijn mond dicht,

terwijl ze zijn klein hoofd tegen de leuning van den stoel drukte. En

wellicht zou de arme man gestikt zijn, als niet een nieuw personage

tusschenbeide gekomen was.

Dit was neef Don Primitivo, die den theoloog Amat uit zijn hoofd kende,

een man van zoowat veertig jaar, keurig net gekleed, met een buikje

en eenigszins gezet.

"_Quid video?"_ riep hij bij 't binnenkomen uit. "Wat is er? _Quare?_"

[59]

"Och neef!" zei de vrouw en liep schreiend op hem toe, "ik heb je laten

roepen, omdat ik niet weet wat er van ons vrouwen worden zal...wat raad

je ons? Spreek, jij die Latijn geleerd hebt, en kunt redeneeren..."

"Maar eerst _quid quaeritis_? _Nihil est in intellectu quod prius

non fuerit in sensu; nihil volitum quin praecognitum._ [60]"

En hij ging heel bedaard zitten. Als hadden de latijnsche zinnen een

stillende kracht bezeten, hielden beide echtelieden op met schreien

en gingen naar hem toe, wachtende van zijn lippen den raad, gelijk

indertijd de Grieken het reddend orakel verbeidden, dat hen zou

verlossen van de invallende Perzen.

"Waarom schreien jullie? _Ubinam gentium sumus?_" [61]

"Je weet 't bericht van 't oproer..."

"_Alzamentum Ibarrae ab alferesio Guardia civilis destructum?_ [62]

_Et nunc?_ Wat zou dat nog? Is Don Crisóstomo je wat schuldig?"

"Nee, maar, weet je, Tinong heeft hem ten eten gevraagd, hij heeft

hem gegroet op de _Puente de España_ op klaarlichten dag! Ze zullen

zeggen dat hij een vriend van hem is!"

"Een vriend?" riep de latinist verwonderd uit. "_Amice, amicus Plato,

sed magis amica veritas!_ [63] Zeg mij met wie je omgaat, en ik zal

je zeggen wie je bent! _Malum est negotium et est timendum rerum

istarum horrendissimum resultatum!_" [64]

Capitán Tinong werd schrikkelijk bleek, toen hij zooveel woorden op

_um_ hoorde: deze klank was hem onheilspellend. Zijn vrouw sloeg de

handen smeekend ineen en zeide:

"Neef, spreek nu geen latijn tegen ons; je weet wel dat we geen

filosofen zijn zooals jij. Spreek Tagaalsch of Spaansch tegen ons,

maar geef ons een raad."

"Jammer dat jullie geen latijn verstaan, nicht: de latijnsche waarheden

zijn leugens in 't Tagaalsch. Bijvoorbeeld _Contra principia negantem

fustibus est arguendum._ [65] In 't latijn is het een waarheid als

een koe. Ik heb 't eens in 't Tagaalsch toegepast, en toen kreeg _ik_

op mijn kop. Daarom is 't erg jammer dat jullie geen latijn kennen,

in 't latijn zou alles geschikt kunnen worden."

"Wij kennen ook veel _oremus, parce nobis_ en _Agnus Dei catolis_

(voor _qui tollis_...). Maar nu zouden we elkaar niet verstaan. Geef

Tinong nu 's een argument aan de hand, dat ze hem niet ophangen!"

"Je hebt er verkeerd aan gedaan, heel verkeerd, neef, met vriendschap

aan te gaan met dat jongemensch!" antwoordde onze latinist. "De

rechtvaardigen betalen voor de zondaren. Ik zou je bijna aanraden

je testament te maken... _Vae illis! Ubi est fumus est ignis! Simili

gaudet atqui Ibarra ahorcatur, ergo ahorcaberis."_ [66]

En misnoegd schudde hij het hoofd.

"Saturnino, wat scheelt je?!" kreet Capitana Tintjang vol

ontzetting. "Och lieve God! Hij is dood!

"Een dokter! Tinong, Tinongoy!"

De beide dochters kwamen toegeschoten en alle drie begonnen te

jammeren.

"Is maar een flauwte, nicht, een flauwte! Ik zou me meer verheugd

hebben, als...als het...maar ongelukkigerwijze is het niets dan een

flauwte. _Non timeo mortem in catre sed super espaldonem Bagumbayanis._

[67] Breng water!"

"Ga nu niet dood!" riep de vrouw schreiend. "Ga nu niet dood, want

ze komen je gevangennemen! Och, och, als je doodgaat, en de soldaten

komen! Och, och!"

De neef besprenkelde zijn gezicht met water, en de ongelukkige

kwam bij.

"Kom, niet huilen! _Inveni remedium_, ik heb 't middel gevonden. Laten

we hem naar zijn bed brengen. Kom moed gevat! Want ik ben hier bij

jullie met al de wijsheid der Ouden...Laat een dokter halen. En

nu dadelijk, nicht, ga je naar den gouverneur, en je brengt hem een

cadeau, een gouden ketting, een ring.._Dadivae quebrantant penas._ [68]

Je zegt dat het een paaschgeschenkje is. Sluit de vensters en deuren,

en laat aan iedereen die naar mijn neef vraagt zeggen dat hij ernstig

ziek is. Onderwijl verbrand ik alle brieven, papieren en boeken, dan

kunnen ze niets vinden. Zoo heeft Don Crisóstomo ook gedaan. _Script

testes sunt! Quod medicamenta non sanat, ignis sanat._ [69]

"Ja, heel goed neef. Verbrand alles maar!" zeide Capitana

Tintjang. "Hier heb je de sleutels, hier de brieven van _Capitán_

Tiago: verbrand ze! Laat er geen enkele Europeesche krant overblijven:

die zijn erg gevaarlijk. Hier heb je de _Times_, die ik bewaard had

om zeep en kleeren in te pakken. Hier zijn de boeken."

"Ga naar den _capitan general_, nicht", zeide Don Primitivo, "laat

me alleen. _In extremis extrema._ [70] Geef me de macht van een

romeinschen _dictator_, en je zult 's zien, hoe ik de heele sante...,

ik bedoel den neef red."

En hij begon orders en nog 's orders te geven, muurplanken door te

rommelen, papieren, boeken, brieven enz. te verscheuren. Weldra brandde

er een heele stapel in de keuken. Oude donderbussen werden met een

bijl slukgeslagen; roestige revolvers in de plee gesmeten. De meid,

die den loop van een voorblazer wilde bewaren, kreeg een uitbrander.

"_Conservare etiam sperasti perfida?_ [71] In 't vuur!" En hij zette

zijn "auto de fe" voort.

Hij zag een oud boekdeel in perkament, en las den titel:

"Omwentelingen der hemellichamen door Copernicus." "Foei! _Ite,

maledicti, in ignem kalanis_," [72] riep hij, en wierp het in 't

vuur. "Omwentelingen en Copernicus! Misdaad op misdaad! Als ik niet op

tijd gekomen was. 'De vrijheid der Filippijnen.' Kijk er 's aan! Wat

'n boeken! In 't vuur ermee!"

En er werden onschuldige boeken verbrand, geschreven door onnoozele

schrijvers. Zelfs 't lieve "Capitein Jan" kon niet ontkomen. Neef

Primitivo had gelijk: de goeden moeten voor de kwaden lijden.

Vier of vijf uur later vertelde men op een voornaam avondpartijtje in

Intramuros de gebeurtenissen van den dag. 't Waren veel oude vrouwen

en trouwlustige oude vrijsters, vrouwen of dochters van ambtenaren,

gekleed in ochtendjaponnen, zich bewaaierend en geeuwend. Onder de

mannen, die evenzeer als de vrouwen in hun trekken hun opvoeding en

hun afkomst verrieden, bevond zich een heer op leeftijd, klein en

met één arm, die door allen met veel onderscheiding behandeld werd,

en die tegenover de anderen een minachtend zwijgen bewaarde.

"'t Is waar, dat ik vroeger de _frailes_ en _guardias civiles_

niet uit kon staan, omdat ze zoo onopgevoed zijn," zeide een dikke

dame. "Maar nu ik hun nut en hun diensten gezien heb, zou ik bijna

met genoegen met een hunner trouwen. Ik ben vaderlandslievend."

"Ik zeg 't zelfde!" liet een magere volgen. "Hoe jammer dat we den

vorigen gouverneur niet hebben: die zou 't land schoongeveegd hebben

als een miskelk-schoteltje!"

"En dan zou 't uit wezen met dat _filibustero_-gespuis!"

"Zeggen ze niet dat er nog veel eilanden onbevolkt zijn? Waarom

zenden ze daar niet al die halve gare inlanders heen? Als ik _capitan

general_ was..."

"Dames," zeide de éénarmige: "de _capitan general_ kent zijn

plicht. Naar ik gehoord heb, is hij zeer ontstemd; want bij had dien

Ibarra met gunsten overladen."

"Met gunsten overladen!" herhaalde de magere, zich woest

waaierend. "Kijk nu toch ereis aan hoe ondankbaar die inlanders

zijn! Kan je ze dan nog wel als menschen behandelen? Jezus!"

"En weet u wat ik gehoord heb?" vroeg de éénarmige.

"Komaan! Wat is 't? Wat zegt men?"

"Vertrouwenswaardige personen," zeide de éénarmige te midden van de

grootste stilte, "verzekeren dat al dat lawaai om een school op te

richten een puur verzinsel was."

"Jezus! Hebt u 't gehoord?" riepen de vrouwen, reeds geloovend dat

het een verzinsel was.

"De school was een voorwendsel: wat hij wou oprichten, was een fort,

waaruit hij zich goed zou kunnen verdedigen, als wij hem aanvielen..."

"Jezus! Wat 'n schandaal! Alleen een inlander is in staat zulke laffe

gedachten te hebben," riep de vette uit. "Als ik de _capitan general_

was, dan zouden ze 's wat zien...dan zouden ze wat zien..."

"Dat zeg ik ook!" riep de magere uit, zich tot den éénarmige

wendend. "Ik zou ieder advocaatje, geleerdetje of koopman gevangen

laten nemen, en zonder vorm van proces, zou ik ze verbannen of achter

slot en grendel stoppen.

"'t Kwaad met de wortel uitroeien!"

"Ze zeggen nog wel dat die _filibustero_ van Spaansche afkomst

is!" merkte de éénarmige op, zonder iemand aan te kijken.

"O, jawel!" riep de dikke onverschrokken uit, "'t moeten toch

altijd die sinjo's wezen! Geen enkele inlander heeft begrip van een

omwenteling! Voed maar raven op, voed raven op!..."

"Weet u wat ik heb hooren zeggen?" vroeg een nonna, die op die

wijze het gesprek afbrak. "De vrouw van _Capitán_ Tinong...weet u

wel? Dezelfde bij wie in huis we gedanst en gesoupeerd hebben op

't feest in Tondo..."

"Die met haar twee dochters? Nu, wat dan?"

"Wel, die heeft juist van middag den _capitan general_ een ring van

duizend _peso's_ waarde cadeau gegeven!"

De éénarmige keerde zich om.

"Werkelijk? En waarom dat?" vroeg hij met schitterende oogen.

"Het mensch zei: als Paaschgeschenk..."

"'t Is pas over een maand Paschen!"

"Ze zal bang wezen dat ze de bui op haar kop krijgt..." merkte de

vette op.

"En ze schuilt voor den tijd," voegde de dunne erbij.

"Wie zich verontschuldigt, beschuldigt zich!"

"Dat dacht ik ook juist: u heeft de vinger op de wond gelegd."

"Je moet zoo iets goed nagaan," bracht peinzend de eenarmige in

't midden. "Ik voor mij vrees, dat er iets achter zit."

"Er zit iets achter, ja ja! Dat wou ik juist ook zeggen," herhaalde

de magere.

"En ik," zeide een ander, haar 't woord afgrissend, "de vrouw van

Capitán Tinong is erg gierig... ze heeft ons nog geen enkel cadeau

gezonden, en dat terwijl we bij haar gelogeerd hebben.

"Dus als zoo'n schriel inhalig mensch een cadeautje van duizend

_peso's_ afschuift..."

"Maar is dat heusch waar?" vroeg de éénarmige.

"En of! Zoo waar als iets, hoor! De aanstaande van mijn nichtje,

die adjudant is bij Zijne Excellentie, heeft het haar zelf gezegd. Ik

maak me sterk dat het dezelfde ring is die de oudste van de meisjes

aan had op het feest. Ze zit altijd vol briljanten!"

"Een loopende uitstalkast!"

"Och, een manier om reklame te maken als ieder andere! In plaats van

een modeplaat te koopen of een winkel te betalen hoef je nou maar..."

De éénarmige verliet onder een voorwendsel het gezelschap.

En twee uur later, toen allen sliepen, kregen verscheidene burgers van

Tondo een uitnoodiging door tusschenkomst van soldaten...Het Gezag

mocht niet toestaan dat zekere personen van positie en fortuin in

huizen sliepen die zoo slecht bewaakt en zoo weinig frisch waren: in

't Fort Santiago en andere gouvernementsgebouwen zou de slaap rustiger

en versterkender wezen. Onder deze begunstigde personen bevond zich

de ongelukkige _Capitán_ Tinong.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 64 / 70 题