De jacht op 't meer.
"Luister 's meneer, wat voor plan of ik overdacht heb," zeide Elias
peinzend, terwijl ze naar San Gabriel koers zetten. "Ik zal u nu bij
een vriend van me in Mandaloejong verborgen houden. Ik zal u al uw geld
brengen, dat ik gered en bewaard heb aan den voet van de _baliti_-boom,
in 't geheimzinnige graf van uw voorvader. Dan verlaat u het land..."
"Om naar 't buitenland te gaan?" viel Ibarra in.
"Om uw verdere levensdagen in rust door te brengen. U heeft vrienden
in Spanje, u bent rijk, u zult zich de straf wel kunnen laten
kwijtschelden. In allen gevalle is het buitenland voor u een beter
vaderland dan 't eigene."
Crisóstomo antwoordde niet, hij overlegde in stilte.
Ze kwamen op dat oogenblik aan de _Pasig_, en de _bangka_ begon
den stroom op te varen. Op de _España_brug reed haastig een ruiter,
en men hoorde een gerekt, schel gefluit.
"Elias," hervatte Ibarra, "u dankt uw ongeluk aan mijn familie. U
heeft me tweemaal 't leven gered, en ik ben u niet alleen dankbaarheid
schuldig, maar ook teruggave van uw fortuin. U raadt me om in 't
buitenland te gaan leven.
"Nu, kom dan met me mee, en laten we samen als broeders leven.
"Hier bent u toch ook ongelukkig."
Elias schudde droevig het hoofd, en antwoordde:
"Onmogelijk! 't Is waar dat ik in mijn land niet kan liefhebben,
niet gelukkig kan zijn, maar ik kan er lijden en sterven, en misschien
voor zijn zaak: dat is altijd wat. Laat het ongeluk van mijn vaderland
mijn eigen ongeluk wezen, en aangezien ons geen edele gedachte bindt,
aangezien onze harten niet kloppen voor een naam, laat dan tenminste
de gemeenschappelijke tegenspoed me aan mijn landgenooten binden,
laat me ten minste met hun samen over onze smarten schreien, en
eenzelfde leed onze harten doen krimpen."
"Waarom raadt u me dan om heen te gaan?"
"Omdat u elders gelukkig kan wezen, en ik niet, omdat u niet deugt
voor leed, en omdat u uw land zou verafschuwen, wanneer u eenmaal
u zelf ongelukkig zag door toedoen van dat land. En zijn vaderland
verafschuwen is het grootste ongeluk."
"U bent onbillijk voor me!" riep Ibarra met bitter verwijt. "U vergeet
dat ik, nauwelijks hier, dadelijk ben begonnen met 't goede voor mijn
land te beoogen.."
"Wees niet beleedigd, meneer, ik maak u geen enkel verwijt: 't
ware te wenschen dat iedereen u na kon volgen! Maar ik vraag geen
onmogelijke dingen van u, en u moet zich niet beleedigd achten,
als ik u zeg dat uw hart u misleidt. U hadt uw land lief, omdat uw
vader het u zoo geleerd had. U hadt het lief, omdat u er liefde,
fortuin, jeugd hadt; omdat alles u toelachte: uw land had u geen
enkel onrecht aangedaan. U hadt het lief zooals we alles liefhebben
wat ons gelukkig maakt. Maar den dag waarop u uzelf arm, hongerig,
vervolgd, aangeklaagd en verkocht ziet door uw eigen landgenooten,
dien dag zult u uzelf, uw vaderland en iedereen verloochenen."
"Uw woorden zijn kwetsend voor me," zei Ibarra geraakt.
Elias boog het hoofd, dacht even na, en hervatte:
"Ik wil u uit den droom helpen, meneer, en u een droevige toekomst
besparen. Herinner u maar 's dien keer, toen ik met u sprak in deze
zelfde _bangka_, bij 't licht van deze zelfde maan, zoowat een maand
geleden. Toen was u gelukkig. De smeekbede van de ongelukkigen drong
niet tot u door; u versmaadde hun klachten, omdat het klachten
van misdadigers waren, u gaf meer gehoor aan hun vijanden, en in
weerwil van mijn argumenten en mijn smeeken, koos u de partij van hun
onderdrukkers. En toen hing het van u af, of ik misdadiger zou worden,
of me zou laten dooden, om een heilige belofte gestand te doen. God
heeft het niet veroorloofd, want het oude hoofd van de bandieten is
gestorven...Er is net een maand voorbij, en nu denkt u al anders!"
"U beeft gelijk, Elias, maar een mensch is nu eenmaal afhankelijk van
omstandigheden, toen was ik verblind, ik had 't land, weet ik 't? Nu
heeft het ongeluk me den blinddoek van de oogen gerukt. De eenzaamheid
en de ellende in de gevangenis hebben me geleerd, en nu zie ik de
vreeselijke kanker die aan deze maatschappij vreet, die zich in zijn
vleesch vastwerkt, en een gewelddadige uitsnijding eischt. Zij hebben
me de oogen geopend, ze hebben me de wonde laten zien, en dwingen
me om misdadiger te worden! En nu ze 't eenmaal gewild hebben, zal
ik _filibustero_ wezen, maar een echte. Ik zal al de ongelukkigen
oproepen, allen die in hun borst een hart voelen kloppen, dezelfden
die u naar me toe gezonden hebben...Nee, ik zal niet misdadig wezen:
die strijdt voor zijn vaderland is dat nooit, integendeel! Wij hebben
hun drie eeuwen lang de hand toegestoken, we vragen hun om liefde,
we verlangen ernaar, ze broeders te mogen noemen. En hoe antwoorden
ze ons? Met beleediging en hoon en spot: ze ontzeggen ons zelfs het
recht ons menschelijke wezens te noemen. Er is geen God, geen hoop,
geen menschlievendheid: er is alleen maar 't recht van den sterkste!"
Ibarra was zenuwachtig, zijn heele lichaam beefde.
Ze gingen 't paleis van den _capitan general_ voorbij, en meenden
bij de wacht beroering en onrust te ontwaren.
"Zou de vlucht ontdekt zijn?" mompelde Elias.
"Gaat u liggen, meneer, dan kan ik u met het _zacate_-gras bedekken;
want we komen zoo meteen voorbij 't kruitmagazijn, en 't mocht den
schildwacht 's verdacht voorkomen, dat we met ons beiden zijn."
De _bangka_ was een van die ranke smalle kano's, die niet drijven,
maar over 't water heenglijden.
Zooals Elias voorzien had, hield de schildwacht hem aan, en vroeg
hem waar hij vandaan kwam.
"Van Manila, ik heb _zacate_ gebracht aan de rechters en aan de
pastoors," antwoordde hij, handig den tongval der lieden van _Pandakan_
nabootsend.
Een onderofficier kwam voor den dag, en stelde zich op de hoogte van
't geen er plaats had.
"_Soeloeng!_ (Ga door!)" zeide deze tot hem, "ik waarschuw je dat je
niemand in je _bangka_ mag nemen, want er is zoo juist een gevangene
ontsnapt. Als je hem oppakt en aan mij uitlevert, zal ik je een goede
fooi geven."
"Goed, meneer. Hoe ziet hij eruit?"
"Hij draagt een gekleede jas en spreekt Spaansch. Dus, opgepast!"
De _bangka_ verwijderde zich. Elias wendde het hoofd om, en zag het
silhouet van den schildwacht, staande bij den oever.
"We zullen eenige minuten oponthoud hebben," zeide hij zacht, "we
moeten de Beatarivier op, om te doen alsof ik van Pena Francia ben. U
zult de rivier zien, die bezongen is door Francisco Baltasar."
Het dorp sliep in 't maanlicht. Crisóstomo stond op, om de
kerkhofachtige vredigheid der natuur te bewonderen. De rivier was
breed en haar oevers waren vlak en bebouwd met _zacate_-gras.
Elias wierp zijn vracht aan den oever neer, greep een lange bamboe
en haalde onder uit het gras eenige lege _wajons_ of zakken van
palmblad. Ze voeren verder.
"U bent vrij in uw doen en laten, meneer, en over uw toekomst beschikt
u zelf," zeide hij tot Crisóstomo, die bleef zwijgen. "Maar als ik een
opmerking mag maken, dan moet ik u zeggen: Denk er wel goed over na,
wat u gaat doen, u gaat een oorlog aanstoken, want u heeft geld en
verstand, en u zult al heel gauw veel hulp vinden: noodlottigerwijze
zijn er veel ontevredenen. Maar, in de worsteling die u gaat beginnen,
zullen het de onbeschermden en onschuldigen zijn die 't meest te
lijden krijgen. Dezelfde gevoelens, die een maand geleden maakten,
dat ik me tot u wendde om hervormingen te vragen, zijn het ook die
me nu drijven om u te zeggen, dat u zich wel bedenken moet. Het land
denkt er niet aan, meneer, zich los te maken van het moederland: het
vraagt alleen een beetje vrijheid, gerechtigheid en liefde. U zult
hulp krijgen van de ontevredenen, de misdadigers, de wanhopigen, maar
het volk zelf zal zich onthouden. U vergist u, wanneer u, nu u alles
donker ziet, denkt dat het land wanhopig is. Het land lijdt, jawel,
maar het hoopt ook nog, het gelooft, en zal alleen dan opstaan wanneer
het zijn geduld kwijt raakt, dat wil zeggen, wanneer zij die besturen
het willen, en dat is nog ver-af. Ik zelf zal u niet volgen: ik zal
nooit mijn toevlucht nemen tot zulke uiterste middelen, zoolang ik
hoop zie in de menschen."
"Dan ga ik zonder u!" antwoordde Crisóstomo vastberaden.
"Is dat uw vast besluit?"
"Vast en eenig, bij de nagedachtenis van mijn vader. Ik laat me niet
straffeloos mijn rust en mijn geluk afnemen, ik die alleen 't goede
verlangd heb, ik die alles heb geëerbiedigd en geleden om der wille
van een schijnheiligen godsdienst, uit liefde voor een vaderland. Hoe
hebben ze 't me vergolden? Ze hebben me in een eerloos cachot gegooid,
en mijn aanstaande vrouw geprostitueerd. Nee, me niet wreken zou
een misdaad wezen, dat zou 't zelfde wezen als ze aan te moedigen
tot nieuwe ongerechtigheden! Nee, 't zou lafheid, kleinmoedigheid
wezen, te stenen en te klagen wanneer er bloed en leven is, wanneer
bij beleediging en uittarting nog hoon komt! Ik zal 't domme volk
oproepen, ik zal 't zijn ellende laten zien. Laat het niet denken
aan broeders. Er zijn alleen wolven, die elkaar verslinden. En ik
zal hun zeggen dat tegen die onderdrukking 't eeuwige recht van den
mensch opstaat en opkomt, om zijn vrijheid te veroveren."
"'t Onschuldige volk zal lijden!"
"Des te beter. Kunt u me naar 't gebergte brengen?"
"Totdat u in veiligheid is!" antwoordde Elias.
Weer kwamen ze op de Pasig-rivier uit. Ze spraken van tijd tot tijd
over onverschillige dingen.
"Santa Anna!" mompelde Ibarra, "u kent dat huis zeker wel?"
Ze kwamen voorbij het landhuis der Jezuïeten.
"Daar heb ik heel wat gelukkige en vroolijke dagen gesleten!" zuchtte
Elias. "In mijn tijd kwamen we er iedere maand... toen was ik als
de anderen: ik had fortuin, familie, ik droomde van een toekomst
en zag die reeds half. In die dagen kwam ik mijn zuster opzoeken in
't _colegio_ in de buurt. Ze gaf me dan een werkje van haar...ze had
een vriendinnetje bij zich, een mooi jongmeisje. Alles is voorbij
als een droom."
Ze bleven zwijgen tot ze aan _Malapad nabato_ (breede rots)
kwamen. Zij, die wel eens 's nachts de Pasig hebben bevaren, in een
van die tooverachtige nachten, die men op de Filippijnen kan hebben,
wanneer de maan van 't kristalhelder azuur weemoedvolle poëzie
uitstort; wanneer de schaduwen de ellende der menschen verbergen,
en de stilte de armzalige klanken hunner stem verdooft; wanneer
alleen de natuur spreekt, dezulken zullen begrijpen wat de beide
jonge mannen overdachten.
Te _Malapad nabato_ was de _carabinero_ slaperig, en ziende dat de
_bangka_ leeg was, en geen buit opleverde--hij zou die anders inhalen,
naar de traditioneele gewoonte van zijn korps en 't aan zijn ambt
verbonden gebruik--liet hij de reizigers gemakkelijk door.
De _guardia civil_ van Pasig vermoedde ook niets, en ze werden niet
lastig gevallen.
't Begon te dagen, toen ze aan 't meer kwamen. 't Lag daar glad en
rustig als een reusachtigen spiegel. De maan verbleekte, en het Oosten
tintte zich met een rooskleurige gloed. Op eenigen afstand werden ze
een grijze massa gewaar, die langzaam naderbij kwam.
"De _falua_--het politie-vaartuig--komt," fluisterde Elias. "Leg u
neer, en ik zal u toedekken met die zakken."
De gedaante van 't vaartuig werd duidelijker waarneembaar.
"Ze gaan tusschen den wal en ons," merkte Elias ongerust op. En hij
wijzigde langzamerhand de koers van zijn _bangka_, roeiend in de
richting van Binangonan. Tot zijn groote schrik bespeurde hij dat de
_falua_ ook van koers veranderde, terwijl een stem hem aanriep.
Elias hield stil en dacht na. De oever was nog ver af, en weldra
zouden ze in 't bereik van de geweren der _falua_ zijn. Hij dacht
erover de Pasig weer op te varen: zijn _bangka_ ging sneller dan 't
andere vaartuig. Doch tot overmaat van ramp kwam er een andere _bangka_
van de Pasig. En men kon de helmen en bajonetten der _guardias civiles_
reeds zien blinken.
"We zijn in den val!" mompelde hij, verbleekend.
Hij keek naar zijn stevige armen, en 't eenig besluit nemende dat hem
mogelijk bleef, begon hij uit alle macht te roeien in de richting van
't eiland _Taljim_. Inmiddels kwam de zon op.
De _bangka_ gleed snel voort. Elias zag op de _falua_, die bijdraaide,
eenige mannen staan, die hem wenkten.
"Kunt u een _bangka_ besturen?" vroeg hij aan Ibarra.
"Jawel; waarom?"
"Omdat we verloren zijn, als ik niet in 't water spring, en ze van
't spoor leid. Zij zullen me vervolgen, ik zwem en duik goed... ik zal
ze van u afleiden. Daarna moet u maar zien dat u in veiligheid komt."
"Nee. Blijf, en laten we ons leven duur verkoopen!"
"Dat zou niets geven: we hebben geen wapens en met hun geweren schieten
ze ons als vogeltjes neer."
Op dat oogenblik klonk er een eigenaardig gesis in 't water, alsof
er een heet voorwerp in viel. Onmiddellijk volgde een knal.
"Ziet u wel?" zeide Elias, zijn riem in de _bangka_ leggend.
"We zien mekaar terug op kerstnacht op 't graf van uw grootvader. Red
u!"
"En u?"
"God heeft me wel voor grooter gevaren behoed."
Elias trok zijn kiel uit. Een kogel rukte dien uit zijn handen,
en twee knallen klonken achter elkaar. Zonder te ontstellen, drukte
hij Ibarra's hand. Deze bleef uitgestrekt op den bodem der _bangka_
liggen. Hij zelf sprong in 't water, met zijn voet het ranke vaartuigje
wegduwend.
Men hoorde verscheidene kreten, en weldra verscheen op eenigen afstand
het hoofd van den jongeman boven water, om adem te halen. Onmiddellijk
daarop verdween 't weer.
"Daar, daar is hij!" schreeuwden er ettelijken tegelijk, en weer
floten de kogels.
De _falua_ en de _bangka_ begonnen hem beide na te zetten: een flauwe
zogstreep teekende zijn koers, waarbij hij zich telkens verder van
Ibarra's vaartuig verwijderde, dat nu dobberde alsof het verlaten
was. Iedere keer dat de zwemmer het hoofd boven water stak, om op
adem te komen, schoten de _guardias civiles_ en _falua_-mannen op hem.
De jacht duurde voort. De kleine _bangka_ van Ibarra was al ver weg, de
zwemmer naderde allengs den oever, die nu op een vijftig vadem afstands
voor hem lag. De roeiers waren reeds vermoeid, doch Elias was 't ook,
want hij kwam nu telkens met het hoofd boven, en telkens in een andere
richting als om zijn vervolgers van de wijs te brengen. Nu verried
het zog niet meer de koers van den duiker. Voor de laatste maal zagen
ze hem dicht bij den oever, op een tien vadem afstand ongeveer. Ze
vuurden...daarna gingen er ettelijke minuten voorbij: er kwam niets
meer aan de oppervlakte van 't meer, dat nu rustig en verlaten was.
Een half uur later beweerde een roeier in 't water, bij den oever,
sporen van bloed te zien, doch zijn kameraden schudden het hoofd,
met een uitdrukking op 't gelaat die zoowel ja als neen kon beteekenen.