De gevloekte.
Weldra verbreidde zich in het dorp de tijding dat de gevangenen
zouden vertrekken. In den beginne werd ze met schrik aangehoord,
daarna kwamen het geschrei en het gejammer.
De families der gevangenen liepen als gekken: ze gingen van het
klooster naar de kazerne, van de kazerne naar het gemeentehuis,
en daar ze nergens troost vonden, vervulden ze de lucht met kreten
en gekerm. De pastoor had zich opgesloten, omdat hij ziek was. De
_alférez_ had zijn wacht versterkt, en deze ontving de smekende
vrouwen met de kolf van 't geweer. De _gobernadorcillo_, 't onnutte
wezen, scheen zotter dan ooit. Tegenover de kazerne liepen van 't
eene uiteinde naar 't andere de vrouwen die nog krachten hadden;
de anderen gingen op den grond zitten, terwijl ze de namen hunner
dierbaren uitspraken.
De zon brandde, en geen enkele dier ongelukkigen dacht eraan heen te
gaan. Doray, de vroolijke gelukkige echtgenoote van Don Filipo, doolde
ontroostbaar rond, in haar armen haar kindje dragend. Beiden schreiden.
"Ga maar heen," zeiden ze haar, "uw kind zal koorts oploopen."
"Waartoe zou 't leven als 't geen vader heeft om 't op te
voeden?" antwoordde de diepbedroefde vrouw.
"Uw man is onschuldig. Hij komt misschien terug!"
"Jawel, wanneer wij al dood zijn!"
_Capitana_ Finay schreide en riep haar zoon Antonio. De dappere
_Capitana_ Maria keek naar 't kleine traliewerk, waar achter haar
beide tweelingen, haar eenige kinderen waren.
Daar was ook de schoonmoeder van de klapperpooter. Zij schreide niet:
ze wandelde heen-en-weer, gestikuleerde met opgestroopte mouwen,
en sprak het publiek toe:
"Heb je ooit zoo iets gezien? Mijn Andong gevangen nemen, op hem
schieten, hem in 't blok doen en hem naar den hoofdplaats brengen,
alleen omdat... omdat hij een nieuwe broek aanhad? Dat roept om
wraak! De _guardias civiles_ maken misbruik van hun gezag! Ik zweer
dat, als ik er ooit weer een aantref die een afgelegen plekje in mijn
tuin zoekt, zooals dikwijls gebeurd is, dan snij ik erin... dan snij
ik erin, of anders mogen ze 't mij doen!"
Doch weinig lieden stemden in met de muzelmansche schoonmoeder.
"Van dit alles heeft Don Crisóstomo de schuld," zuchtte een vrouw.
De schoolmeester doolde eveneens onder de menigte rond. "Ñor" Juan
wreef zich niet meer in de handen, hij had ook zijn schietlood en
zijn meter niet bij zich: de man was in 't zwart want hij had de kwade
tijding gehoord, en trouw aan zijn gewoonte, om de toekomst als iets
gebeurds te beschouwen, droeg hij rouw om den dood van Ibarra.
Om twee uur 's middags hield een kar, door twee ossen getrokken,
stil voor het gemeentehuis.
De kar werd omringd door de menigte, die hem wilde uitspannen en
vernielen.
"Dat moet je niet doen," zei Capitana Maria, "wou je dat ze te voet
gingen?"
Dit weerhield de menschen. Twintig soldaten traden naar buiten,
en omringden het voertuig. Daarna verschenen de gevangenen.
De eerste was Don Filipo, die gebonden was. Hij groette glimlachend
zijn vrouw. Doray barstte in bitter schreien uit, en het kostte twee
_guardias_ moeite, om te beletten dat ze haar man omhelsde. Antonio,
de zoon van _Capitán_ Finay, kwam schreiend als een kind voor den dag,
hetwelk slechts de kreten van zijn familie deed toenemen. De onnoozele
Andong barstte in schreien uit, toen hij zijn schoonmoeder, de oorzaak
van zijn ongeluk, gewaar werd. Albino, de oud-seminarist, was ook
aan de handen gebonden, evenals de beide tweelingen van _Capitana_
Maria. Deze drie jongelieden waren ernstig en somber. De laatste die
naar buiten kwam was Ibarra, los, maar tusschen twee _guardias civiles_
in. De jongeman was bleek. Hij zocht een hem bevriend gezicht.
"Die is de schuld van alles!" riepen er verscheidene stemmen. "Die is
't meest schuldig, en die loopt ongebonden!"
"Mijn schoonzoon heeft niets gedaan, en die heeft de handboeien aan!"
Ibarra wendde zich tot zijn bewakers:
"Bind me, maar doe 't goed: elleboog tegen elleboog!" zeide hij.
"We hebben er geen order toe!"
"Bind me!"
De soldaten gehoorzaamden.
De _alférez_ vertoonde zich te paard, tot de tanden gewapend. Nog
tien of vijftien soldaten volgden hem.
Iedere gevangene had daar zijn familieleden, die voor hem smeekten,
van hem schreiden, en hem de liefste naampjes gaven. Alleen Ibarra
had er niemand; zelfs "Ñor" Juan en de schoolmeester waren verdwenen.
"Wat hebben mijn man en mijn zoon u aangedaan?" zei Doray tot
hem. "Kijk mijn arme zoon! U heeft hem zijn vader afgenomen!"
"Je bent een lafaard!" schreeuwde Andong's schoonmoeder hem
toe. "Terwijl de anderen voor je aan 't vechten waren, hield jij je
verscholen, lafaard!"
"Wees vervloekt!" zei een oude man tot hem, terwijl hij hem volgde,
"vervloekt het goud dat je familie opgehoopt heeft, om onze rust
te verstoren!"
"Laten ze je ophangen, ketter!" riep een verwante van Albino hem
toe. En zich niet kunnende inhouden, raapte ze een steen op, en gooide
dien naar hem.
Het voorbeeld werd snel gevolgd, en op den ongelukkigen jongeman
regende het stof en steenen.
Ibarra verdroeg onverstoord, zonder woede, zonder een klacht,
de rechtvaardige wraak van zooveel zwaarbezochte harten. Dat was
het afscheid, het vaarwel dat hem toegeroepen werd door zijn dorp,
waar al zijn liefde was. Hij boog het hoofd. Wellicht dacht hij aan
een man die onder geeselslagen door Manila rondgeleid werd, aan een
oude vrouw die dood neerviel op het gezicht van 't hoofd van haar
zoon. Wellicht kwam Elias' geschiedenis hem voor den geest.
De _alférez_ vond het noodig de menigte te doen verwijderen, maar de
steenworpen en scheldwoorden hielden aan. Een moeder alleen wreekte
haar smart niet aan hem: 't was _Capitana_ Maria. Roerloos, met op
elkaar geklemde lippen, de oogen vol stille tranen zag ze haar twee
zoons weggaan. Ze stond daar onbewegelijker, en haar smart was grooter
dan die der Niobe uit de fabel.
De stoet verwijderde zich.
Ibarra zag de rookende puinhoopen van zijn huis, van 't huis zijner
ouders, waar hij geboren was, waar de liefste herinneringen zijner
kindsheid en zijner jongelingsjaren leefden. Tranen, lang weerhouden,
welden thans uit zijn oogen; hij boog het hoofd en weende, zonder
de troost te hebben van zijn schreien te kunnen verbergen, zoo
gebonden als hij daar was, noch de hoop dat het bij iemand deernis
zou wekken. Nu had hij geen vaderland, geen huis, geen liefde, geen
vrienden, geen toekomst meer!
Van een hoogte sloeg een man den akeligen stoet gade. 't Was een oud
man, bleek, mager, gewikkeld in een wollen deken, met moeite leunend
op een stok. 't Was de oude filosoof Tasio, die op het bericht van
't gebeurde niet langer in bed wilde blijven maar erheen wilde
snellen. Doch zijn krachten hadden het hem niet veroorloofd. De
grijsaard volgde de kar met den blik, totdat hij in de verte uit het
gezicht verdween. Hij bleef een poos in gedachten verzonken, en met
gebogen hoofd staan. Daarna richtte hij zich op, en ging, met groote
moeite en iedere keer stilstaande, den weg naar zijn huis op.
Den volgenden dag vonden de herders hem dood liggen op den drempel
van zijn eenzaam verblijf.