"Vae Victis!"
Eenige _guardia civiles_ wandelen met onheilspellende
gelaatsuitdrukking voor de poort van 't gemeentehuis, dreigend met de
kolven hunner geweren de straatkinderen, die op hun teenen gaan staan,
of de een op den ander klimmen, om iets door de tralies te kunnen zien.
De groote zaal biedt niet meer het feestelijk aanzien van den dag
waarop het feestprogram er afgehandeld werd. Ze is nu somber en
weinig geruststellend. De _guardia civiles_ en de soldaten van de
burgerwacht, die er nu in zitten, spreken te nauwernood met elkaar. Op
de tafel zijn de commissaris, twee schrijvers en eenige soldaten
bezig papieren vol te krabbelen. De _alférez_ loopt heen en weer,
en kijkt van tijd tot tijd met een woesten blik naar de deur. Geen
Temistokles na den slag van Salamis zou zich bij de Olympische spelen
fierder getoond hebben dan hij. Doña Consolación zit in een hoek te
gapen, en vertoont daarbij een zwart bakhuis en een geaccidenteerd
gebit. Haar blik vestigt zich koud en onheilspellend op de deur der
gevangenis, waar allerlei onfatsoenlijke teekeningen op staan. Ze
had van haar man die door de overwinning beminnelijk was geworden
vergunning gekregen het verhoor en wellicht de daaruit voortvloeiende
martelingen bij te wonen. De hyena rook lijken, ze likte haar muil,
en het lange uitblijven der strafoefening verdroot haar.
De burgemeester is zeer onder den indruk: zijn leunstoel, de groote
onder het portret van zijne Majesteit, is ledig, en schijnt voor een
ander bestemd.
Bij negenen komt de pastoor bleek en met gefronste wenkbrauwen binnen.
"Nou, u heeft ook op u laten wachten!" zegt de _alférez_ tot hem.
"Ik had er liever niet bij willen wezen," antwoordt Padre Salvi zacht,
zonder acht te slaan op den verwijtenden toon van den ander. "Ik ben
erg zenuwachtig."
"Omdat er niemand gekomen is, om zijn post niet te verlaten, dacht ik
dat uw tegenwoordigheid...U weet zeker dat ze van middag eruit gaan."
"De jonge Ibarra en de _teniënte mayor_...?"
De _alférez_ wees naar de gevangenis.
"Er zijn er acht in," zeide hij. "Bruno is vannacht om twaalf uur
gestorven, maar hij had zijn verklaring afgelegd."
De pastoor wees naar Doña Consolación, die met een geeuw en een "aah"
antwoordde, terwijl ze zich op den stoel onder 't portret van den
koning neerzette.
"We kunnen beginnen!" zei ze.
"Haal de twee die in 't blok zitten!" beval de _alférez_ met een stem,
die hij zoo schrikwekkend mogelijk trachtte te maken, en zich tot
den pastoor wendend, voegde hij er op anderen toon aan toe:
"Ze zitten met hun beenen twee gaten verder dan gewoonlijk!"
Voor hen die niet vertrouwd zijn met deze folteringen zij hier vermeld
dat het "blok" een der onschuldigste is. De gaten waar de beenen
der gevangenen in gaan, staan ongeveer een handbreedte van elkaar
af. Als men nu twee gaten overspringt, komt de man die er zijn beenen
in heeft, in een eenigszins gedwongen houding, met een eigenaardige
hindernis aan zijn enkels, en een vaneen-spalking van zijn onderste
ledematen van meer dan een el wijd: 't is niet dadelijk doodelijk,
zooals men zich zeer goed kan voorstellen.
De bewaarder gevolgd door vier soldaten schoof de grendels weg,
en opende de deur. Een walgelijke lucht en een dikke vochtige walm
ontsnapten uit de stikdonkere opening, en tegelijk hoorde men wat
klagen en snikken. Een soldaat stak een lucifer aan, maar de vlam
ging uit in de bedorven atmosfeer, en men moest wachten tot er
luchtverversching intrad.
Bij het flauwe schijnsel van een kaars zag men even eenige menschelijke
gedaanten: mannen die hun knieën vasthielden en het hoofd ertusschen
verscholen, voorover op den grond liggend, naar den wand toegekeerd
en zoo meer. Men hoorde kloppen en knarsen, gepaard met gevloek:
't blok werd losgemaakt.
Doña Consolación zat half naar voren gebogen, de nekspieren gespannen,
met uitpuilende, op de halfgeopende deur strak gerichte, oogen.
Tusschen twee soldaten kwam een sombere gedaante te voorschijn,
Tarsilo, de broer van Bruno. Aan de handen droeg hij boeien. Zijn
verscheurde kleeren lieten goed ontwikkelde spieren ontwaren. Zijn
oogen vestigden zich onbeschaamd op de vrouw van den _alférez_.
"Dit is de man die zich het moedigste verdedigd heeft en zijn kameraden
heeft gezegd te vluchten," zeide de _alférez_ tot padre Salvi.
Daarna kwam een ander, die er stumperachtig uitzag, en jammerde en
schreide als een kind: hij hinkte en had zijn broek vol bloed.
"Genade, meneer, genade! Ik zal niet meer op de binnenplaats
komen!" schreeuwde hij.
"'t Is een rakker," merkte de _alférez_ op, met den pastoor
sprekende. "Hij wou vluchten, maar ze hebben 'm in zijn dij
geschoten. Dit zijn de eenigen die we levend te pakken hebben
gekregen."
"Hoe heet je?" vroeg de _alférez_ aan Tarsilo.
"Tarsilo Alasigan."
"Wat heeft Don Crisóstomo jullie beloofd, als jullie de kazerne
aanvielen?"
"Don Crisóstomo heeft nooit aanraking met ons gehad."
"Ontken 't niet! Waarom wilden jullie ons overvallen?"
"U vergist u: u heeft onzen vader doodgeranseld, wij wilden hem wreken,
anders niet. Zoek mijn twee kameraden maar."
De _alférez_ keek verbaasd naar den onderofficier.
"Ze zijn daarginds in een ravijn, daar hebben wij ze ingesmeten,
daar liggen ze te rotten. Nu mag u mij dooden: u zal niets meer van
me te hooren krijgen."
Er was een oogenblik stilte.
"Je zult ons zeggen wie je andere medeplichtigen zijn," riep de
_alférez_, en zwaaide met een rotan.
Een verachtelijk lachje speelde om de lippen van den beklaagde.
De _alférez_ overlegde eenige oogenblikken, zacht sprekend, met den
pastoor. En zich daarna tot de soldaten wendend, gelastte hij:
"Breng den man waar de lijken zijn!"
In een hoek van de binnenplaats, op een ouden handwagen lagen vijf
lijken opeengehoopt, half bedekt door een stuk-gescheurde mat, vol
onreinheden. Een soldaat wandelde er op-en-neer, ieder oogenblik
spuwend.
"Ken je ze?" vroeg de _alférez_, terwijl hij de mat oplichtte.
Tarsilo antwoordde niet; hij zag het lijk van den man der krankzinnige
met twee anderen, dat van zijn broeder doorzeefd met bajonet-steken,
en dat van Lucas, nog met het touw aan zijn hals. Zijn blik werd weer
somber, en een zucht scheen uit zijn borst te ontsnappen.
"Ken je ze?" werd hem weer gevraagd.
Tarsilo bleef stom.
Een zwiepend geluid doorsneed de lucht, en de rotan striemde over
zijn rug. Hij rilde, zijn spieren trokken zich samen. De rotanslagen
herhaalden zich, maar Tarsilo bleef onverstoord.
"Dan maar ranselen tot hij crepeert of spreekt!" kreet de _alférez_
buiten zich zelve.
"Spreek dan toch!" zeide de commissaris, "in elk geval maken ze
je dood."
Weer werd hij naar de zaal gebracht waar de andere gevangene de
heiligen aanriep, terwijl zijn tanden klapperden en zijn knieën
knikten.
"Ken je dien man?" vroeg Padre Salvi.
"Ik zie hem voor 't eerst!" antwoordde Tarsilo, met zeker medelijden
naar den ander kijkend.
De _alférez_ gaf hem een stomp en een trap.
"Maak hem aan de bank vast!"
Zonder hem de handboeien af te nemen, die vol bloed zaten, werd hij
aan een houten bank vastgebonden.
De ongelukkige keek om zich heen, als zocht hij wat, en zag Doña
Consolación. Hij lachte schamper. De omstanders waren verwonderd en
volgden zijn blik. Ze zagen toen dat onze dame zich een beetje op
haar lippen beet.
"Ik heb nooit zoo'n leelijke vrouw gezien!" riep Tarsilo te midden
van de algemeene stilte. "Ik ga liever op een bank als deze slapen,
dan naast haar, zooals de _alférez_."
De muze verbleekte.
"U gaat me doodranselen, meneer de _alférez_," ging hij voort,
"vanavond zal uw vrouw me wreken door u te omhelzen."
"Doe een prop in zijn mond!" schreeuwde de _alférez_, bevend van woede.
't Scheen wel alsof Tarsilo niets anders verlangde, want toen hij de
prop in zijn mond had, glansden zijn oogen van voldoening.
Op een teeken van den _alférez_ begon een _guardia_ gewapend met een
rotan, zijn droevige taak. Het lichaam van Tarsilo kromp ineen. Een
gesmoord, lang-gerekt gebrul liet zich hooren, ondanks den doek, die
hem in den mond zat. Hij boog het hoofd. Zijn kleeren kwamen vol bloed.
Padre Salvi stond met moeite op, bleek, met verdwaasden blik. Hij
gaf een teeken met de hand, en verliet wankelend de zaal. Op straat
zag hij een jongmeisje, dat met den rug tegen den muur geleund, daar
stokstijf stond te luisteren, starend in de ruimte, de verstuipte
handen tegen den ouden muur aangedrukt. De zon bescheen haar ten
volle. Ze telde, ademloos naar 't scheen, de doffe slagen en 't
hartverscheurend gekreun en gebrul. 't Was Tarsilo's zuster.
In de zaal werd intusschen het tooneel voortgezet: de ongelukkige,
op van de pijn, zweeg en wachtte tot zijn beulen vermoeid zouden
zijn. Eindelijk liet de soldaat hijgend zijn arm zakken, en de
_alférez_, bleek van toorn en verbazing, gaf een teeken dat hij
losgemaakt moest worden.
Doña Consolación stond toen op en fluisterde haar man iets in 't
oor. Deze knikte ten teeken van instemming.
"Naar de put met hem!" zeide hij.
De Filippijners weten wat dit beteekent. In het Tagaalsch vertalen ze
't met _timbaïn_, van 't werkwoord _timba_, water putten. We weten
niet wie dit foltermiddel heeft uitgevonden, maar we houden 't voor
vrij oud.
In 't midden van 't _patio_--de binnenplaats--van 't gemeentehuis
verhief zich de schilderachtige putrand, ruw van ongemetselde steenen
opgebouwd. Een landelijk toestel van bamboe, in den vorm van een
hefboom, diende om water te putten. Het vocht was slijmerig, vuil en
kwalijk riekend. Potscherven, vuilnis en allerlei vloeibare stoffen
vereenigden zich daar, want die put was als de gevangenis: daar kwam
terecht al wat de maatschappij wegwerpt of voor onnut houdt; iets dat
daar in valt, hoe goed het ook geweest is, is voor goed verloren. Toch
raakte de put nooit verstopt. Soms werden de gevangenen veroordeeld
om hem uit te diepen, niet omdat men dacht uit die straf eenig nut
te trekken, maar om de moeilijkheden.
Tarsilo keek met strakken blik naar al de toebereidselen die de
soldaten maakten. Hij was zeer bleek en zijn lippen beefden, of
prevelden een gebed. De fierheid zijner wanhoop scheen verdwenen, of
ten minste verzwakt. Verscheidene malen boog hij zijn opgerichte nek,
en vestigde den blik op den grond, berustend in zijn lijden.
Men bracht hem naar den putrand. Doña Consolación volgde lachend. De
rampzalige wierp een jaloerschen blik naar de hoop lijken, en een
zucht ontweek aan zijn borst.
"Spreek nou!" zeide de commissaris weer tot hem, "je wordt in elk geval
opgehangen. Sterf dan ten minste zonder zooveel geleden te hebben."
"Als je daar uit komt, moet je dood," zeide een _cuadrillero_.
Men nam de prop uit zijn mond, en hing hem op aan de voeten. Hij moest
met het hoofd naar beneden neergelaten worden, en eenigen tijd onder
water blijven, op dezelfde wijze als men dat met den putemmer doet,
alleen dat ze den man er langer in laten.
De _alférez_ verwijderde zich om een horloge te halen, en de minuten
af te tellen.
Onderwijl hing Tarsilo, zijn lang haar warrelend in de lucht. Hij
hield de oogen half dicht.
"Als jullie christenen zijn, als jullie een hart hebben," stamelde
hij smekend, "laat me dan gauw zakken, of maak dat mijn hoofd tegen
den muur aan slaat, en dat ik sterf. God zal je voor dat goede werk
beloonen...misschien komen jullie nog eenmaal in 't zelfde geval
als ik!"
De _alférez_ kwam terug, en had, met het uurwerk in de hand, het
toezicht op de nederlating.
"Langzaam, langzaam!" schreeuwde Doña Consolación, de ongelukkige
met den blik volgend. "Voorzichtig!"
De zwengel daalde langzaam. Tarsilo streek tegen de uitstekende
steenen en de vieze planten aan, die in de reten groeiden. Dan hield
de zwengel op te zakken. De _alférez_ telde de sekonden.
"Op!" kommandeerde hij kort-af na verloop van een halve minuut.
Het zilverig welluidend gedruppel van water op water kondigde de
terugkeer van 't slachtoffer naar 't licht aan. Ditmaal ging het
sneller, daar het tegenwicht zwaarder woog. De steenbrokken en
schilfers, die van de put werden afgescheurd, vielen met gedruisch
neer.
Voorhoofd en haar bedekt met walgelijke modder, het gelaat vol wonden
en afschavingen, het lichaam druipnat, verscheen de man aan de oogen
van de zwijgende menigte; de wind deed hem huiveren van koude.
"Wil je nu spreken?" vroeg men hem.
"Zorg voor mijn zuster!" stamelde de ongelukkige en keek smekend naar
een _cuadrillero_.
De bamboe-zwengel knarste weer, en de veroordeelde verdween
nogmaals. Doña Consolación merkte op dat het water rustig bleef. De
_alférez_ telde een minuut.
Toen Tarsilo weer bovenkwam, waren zijn trekken verwrongen en
lijkbleek. Hij richtte een blik naar de omstanders, en hield de met
bloed beloopen oogen open.
"Zul je nu spreken?" vroeg de _alférez_ op ontmoedigden toon.
Tarsilo schudde ontkennend het hoofd, en weer werd hij
neergelaten. Zijn oogleden sloten zich, zijn pupillen bleven naar de
hemel kijken, waar witte wolken zweefden. Hij boog den hals, om het
daglicht te blijven zien, doch weldra moest hij weer onder water,
en viel weer 't schandelijk scherm, dat het schouwspel der wereld
aan zijn oogen onttrok.
Er ging een minuut voorbij. De Muze, die aandachtig toekeek, zag
groote luchtbellen aan de oppervlakte van 't water komen.
"Hij heeft dorst!" zei ze lachend.
En 't werd weer rustig.
Dezen keer duurde het anderhalve minuut, voor de _alférez_ zijn
teeken gaf.
Tarsilo's trekken waren niet meer verwrongen. De half geopende oogleden
lieten het wit van 't oog zien. Uit den mond kwam modderig water met
bloederige sliertjes. De koude wind blies, maar zijn lichaam huiverde
niet meer.
Allen keken elkaar aan, zwijgend, bleek en verbijsterd. De _alférez_
gaf een teeken om hem los te maken, en verwijderde zich in gedachten
verdiept. Doña Consolación bracht verscheidene malen haar brandende
sigaret tegen zijn bloote beenen aan, maar het lichaam huiverde niet
en de sigaret ging uit.
"Hij heeft zichzelf laten stikken!" mompelde een _cuadrillero_. "Kijk
's hoe zijn tong omgedraaid zit, alsof hij die heeft willen inslikken."
De andere gevangene sloeg bevend en zwetend het tooneel gade: hij
keek als een gek naar alle kanten.
De _alférez_ zeide aan den commissaris dat hij hem ondervragen moest.
"Meneer, meneer!" kermde hij, "ik zal alles zeggen wat u maar wilt!"
"Goed! Laten we 's hooren: hoe heet je?"
"Andong, [56] meneer!"
"Hoe dan: Bernardo, Leonardo, Ricardo, Eduardo, Gerardo?"
"Andong, meneer!" herhaalde de onnoozele hals.
"Zet u maar Bernardo of wat dan ook," besliste de _alférez_.
"Familie-naam?"
De man keek hem ontzet aan.
"Wat voor 'van' heb je, wat zeggen ze achter je naam Andong?"
"O, meneer! Andong Halve Gare, meneer!"
De omstanders konden hun lachen niet honden. Zelfs de _alférez_
stond stil op zijn wandeling.
"Beroep?"
"Klapperpooter, meneer, en bediende bij mijn schoonmoeder."
"Wie heeft je gelast de kazerne aan te vallen?"
"Niemand, meneer!"
"Hoe zoo niemand? Lieg niet, hoor, of je gaat ook in de put. Wie
heeft je gelast? Zeg de waarheid!"
"De waarheid, meneer!"
"Wie?"
"Wie, meneer?"
"Ik vraag je wie je gelast heeft oproer te maken?"
"Welk oproer, meneer?"
"Ik bedoel omdat je gisterenavond op de binnenplaats van de kazerne
was."
"O meneer!" riep Andong blozend.
"Nu, wie heeft daar de schuld van?"
"Mijn schoonmoeder, meneer!"
Een luid gelach begroette deze woorden.
De _alférez_ stond weer stil, en keek met niet strenge oogen naar den
stakker. Deze dacht dat zijn woorden een goeden indruk gemaakt hadden,
en ging aangemoedigd voort:
"Ja, meneer, mijn schoonmoeder geeft me niks anders te eten dan rotte
oneetbare kost. Gisterenavond, toen ik zoo langs den weg liep, kreeg
ik buikpijn. Ik zag dat de binnenplaats van de kazerne dichtbij was,
en ik zei zoo bij mezelf: 't Is avond, niemand ziet je. Ik ging naar
binnen... en toen ik opstond, hoorde ik overal schieten. Ik was juist
bezig mijn broek op te halen..."
Een rotan slag sneed hem het woord af.
"Naar de gevangenis!" beval de _alférez_. "Vanmiddag naar de
hoofdplaats!"