LV.

"Vae Victis!"

Eenige _guardia civiles_ wandelen met onheilspellende

gelaatsuitdrukking voor de poort van 't gemeentehuis, dreigend met de

kolven hunner geweren de straatkinderen, die op hun teenen gaan staan,

of de een op den ander klimmen, om iets door de tralies te kunnen zien.

De groote zaal biedt niet meer het feestelijk aanzien van den dag

waarop het feestprogram er afgehandeld werd. Ze is nu somber en

weinig geruststellend. De _guardia civiles_ en de soldaten van de

burgerwacht, die er nu in zitten, spreken te nauwernood met elkaar. Op

de tafel zijn de commissaris, twee schrijvers en eenige soldaten

bezig papieren vol te krabbelen. De _alférez_ loopt heen en weer,

en kijkt van tijd tot tijd met een woesten blik naar de deur. Geen

Temistokles na den slag van Salamis zou zich bij de Olympische spelen

fierder getoond hebben dan hij. Doña Consolación zit in een hoek te

gapen, en vertoont daarbij een zwart bakhuis en een geaccidenteerd

gebit. Haar blik vestigt zich koud en onheilspellend op de deur der

gevangenis, waar allerlei onfatsoenlijke teekeningen op staan. Ze

had van haar man die door de overwinning beminnelijk was geworden

vergunning gekregen het verhoor en wellicht de daaruit voortvloeiende

martelingen bij te wonen. De hyena rook lijken, ze likte haar muil,

en het lange uitblijven der strafoefening verdroot haar.

De burgemeester is zeer onder den indruk: zijn leunstoel, de groote

onder het portret van zijne Majesteit, is ledig, en schijnt voor een

ander bestemd.

Bij negenen komt de pastoor bleek en met gefronste wenkbrauwen binnen.

"Nou, u heeft ook op u laten wachten!" zegt de _alférez_ tot hem.

"Ik had er liever niet bij willen wezen," antwoordt Padre Salvi zacht,

zonder acht te slaan op den verwijtenden toon van den ander. "Ik ben

erg zenuwachtig."

"Omdat er niemand gekomen is, om zijn post niet te verlaten, dacht ik

dat uw tegenwoordigheid...U weet zeker dat ze van middag eruit gaan."

"De jonge Ibarra en de _teniënte mayor_...?"

De _alférez_ wees naar de gevangenis.

"Er zijn er acht in," zeide hij. "Bruno is vannacht om twaalf uur

gestorven, maar hij had zijn verklaring afgelegd."

De pastoor wees naar Doña Consolación, die met een geeuw en een "aah"

antwoordde, terwijl ze zich op den stoel onder 't portret van den

koning neerzette.

"We kunnen beginnen!" zei ze.

"Haal de twee die in 't blok zitten!" beval de _alférez_ met een stem,

die hij zoo schrikwekkend mogelijk trachtte te maken, en zich tot

den pastoor wendend, voegde hij er op anderen toon aan toe:

"Ze zitten met hun beenen twee gaten verder dan gewoonlijk!"

Voor hen die niet vertrouwd zijn met deze folteringen zij hier vermeld

dat het "blok" een der onschuldigste is. De gaten waar de beenen

der gevangenen in gaan, staan ongeveer een handbreedte van elkaar

af. Als men nu twee gaten overspringt, komt de man die er zijn beenen

in heeft, in een eenigszins gedwongen houding, met een eigenaardige

hindernis aan zijn enkels, en een vaneen-spalking van zijn onderste

ledematen van meer dan een el wijd: 't is niet dadelijk doodelijk,

zooals men zich zeer goed kan voorstellen.

De bewaarder gevolgd door vier soldaten schoof de grendels weg,

en opende de deur. Een walgelijke lucht en een dikke vochtige walm

ontsnapten uit de stikdonkere opening, en tegelijk hoorde men wat

klagen en snikken. Een soldaat stak een lucifer aan, maar de vlam

ging uit in de bedorven atmosfeer, en men moest wachten tot er

luchtverversching intrad.

Bij het flauwe schijnsel van een kaars zag men even eenige menschelijke

gedaanten: mannen die hun knieën vasthielden en het hoofd ertusschen

verscholen, voorover op den grond liggend, naar den wand toegekeerd

en zoo meer. Men hoorde kloppen en knarsen, gepaard met gevloek:

't blok werd losgemaakt.

Doña Consolación zat half naar voren gebogen, de nekspieren gespannen,

met uitpuilende, op de halfgeopende deur strak gerichte, oogen.

Tusschen twee soldaten kwam een sombere gedaante te voorschijn,

Tarsilo, de broer van Bruno. Aan de handen droeg hij boeien. Zijn

verscheurde kleeren lieten goed ontwikkelde spieren ontwaren. Zijn

oogen vestigden zich onbeschaamd op de vrouw van den _alférez_.

"Dit is de man die zich het moedigste verdedigd heeft en zijn kameraden

heeft gezegd te vluchten," zeide de _alférez_ tot padre Salvi.

Daarna kwam een ander, die er stumperachtig uitzag, en jammerde en

schreide als een kind: hij hinkte en had zijn broek vol bloed.

"Genade, meneer, genade! Ik zal niet meer op de binnenplaats

komen!" schreeuwde hij.

"'t Is een rakker," merkte de _alférez_ op, met den pastoor

sprekende. "Hij wou vluchten, maar ze hebben 'm in zijn dij

geschoten. Dit zijn de eenigen die we levend te pakken hebben

gekregen."

"Hoe heet je?" vroeg de _alférez_ aan Tarsilo.

"Tarsilo Alasigan."

"Wat heeft Don Crisóstomo jullie beloofd, als jullie de kazerne

aanvielen?"

"Don Crisóstomo heeft nooit aanraking met ons gehad."

"Ontken 't niet! Waarom wilden jullie ons overvallen?"

"U vergist u: u heeft onzen vader doodgeranseld, wij wilden hem wreken,

anders niet. Zoek mijn twee kameraden maar."

De _alférez_ keek verbaasd naar den onderofficier.

"Ze zijn daarginds in een ravijn, daar hebben wij ze ingesmeten,

daar liggen ze te rotten. Nu mag u mij dooden: u zal niets meer van

me te hooren krijgen."

Er was een oogenblik stilte.

"Je zult ons zeggen wie je andere medeplichtigen zijn," riep de

_alférez_, en zwaaide met een rotan.

Een verachtelijk lachje speelde om de lippen van den beklaagde.

De _alférez_ overlegde eenige oogenblikken, zacht sprekend, met den

pastoor. En zich daarna tot de soldaten wendend, gelastte hij:

"Breng den man waar de lijken zijn!"

In een hoek van de binnenplaats, op een ouden handwagen lagen vijf

lijken opeengehoopt, half bedekt door een stuk-gescheurde mat, vol

onreinheden. Een soldaat wandelde er op-en-neer, ieder oogenblik

spuwend.

"Ken je ze?" vroeg de _alférez_, terwijl hij de mat oplichtte.

Tarsilo antwoordde niet; hij zag het lijk van den man der krankzinnige

met twee anderen, dat van zijn broeder doorzeefd met bajonet-steken,

en dat van Lucas, nog met het touw aan zijn hals. Zijn blik werd weer

somber, en een zucht scheen uit zijn borst te ontsnappen.

"Ken je ze?" werd hem weer gevraagd.

Tarsilo bleef stom.

Een zwiepend geluid doorsneed de lucht, en de rotan striemde over

zijn rug. Hij rilde, zijn spieren trokken zich samen. De rotanslagen

herhaalden zich, maar Tarsilo bleef onverstoord.

"Dan maar ranselen tot hij crepeert of spreekt!" kreet de _alférez_

buiten zich zelve.

"Spreek dan toch!" zeide de commissaris, "in elk geval maken ze

je dood."

Weer werd hij naar de zaal gebracht waar de andere gevangene de

heiligen aanriep, terwijl zijn tanden klapperden en zijn knieën

knikten.

"Ken je dien man?" vroeg Padre Salvi.

"Ik zie hem voor 't eerst!" antwoordde Tarsilo, met zeker medelijden

naar den ander kijkend.

De _alférez_ gaf hem een stomp en een trap.

"Maak hem aan de bank vast!"

Zonder hem de handboeien af te nemen, die vol bloed zaten, werd hij

aan een houten bank vastgebonden.

De ongelukkige keek om zich heen, als zocht hij wat, en zag Doña

Consolación. Hij lachte schamper. De omstanders waren verwonderd en

volgden zijn blik. Ze zagen toen dat onze dame zich een beetje op

haar lippen beet.

"Ik heb nooit zoo'n leelijke vrouw gezien!" riep Tarsilo te midden

van de algemeene stilte. "Ik ga liever op een bank als deze slapen,

dan naast haar, zooals de _alférez_."

De muze verbleekte.

"U gaat me doodranselen, meneer de _alférez_," ging hij voort,

"vanavond zal uw vrouw me wreken door u te omhelzen."

"Doe een prop in zijn mond!" schreeuwde de _alférez_, bevend van woede.

't Scheen wel alsof Tarsilo niets anders verlangde, want toen hij de

prop in zijn mond had, glansden zijn oogen van voldoening.

Op een teeken van den _alférez_ begon een _guardia_ gewapend met een

rotan, zijn droevige taak. Het lichaam van Tarsilo kromp ineen. Een

gesmoord, lang-gerekt gebrul liet zich hooren, ondanks den doek, die

hem in den mond zat. Hij boog het hoofd. Zijn kleeren kwamen vol bloed.

Padre Salvi stond met moeite op, bleek, met verdwaasden blik. Hij

gaf een teeken met de hand, en verliet wankelend de zaal. Op straat

zag hij een jongmeisje, dat met den rug tegen den muur geleund, daar

stokstijf stond te luisteren, starend in de ruimte, de verstuipte

handen tegen den ouden muur aangedrukt. De zon bescheen haar ten

volle. Ze telde, ademloos naar 't scheen, de doffe slagen en 't

hartverscheurend gekreun en gebrul. 't Was Tarsilo's zuster.

In de zaal werd intusschen het tooneel voortgezet: de ongelukkige,

op van de pijn, zweeg en wachtte tot zijn beulen vermoeid zouden

zijn. Eindelijk liet de soldaat hijgend zijn arm zakken, en de

_alférez_, bleek van toorn en verbazing, gaf een teeken dat hij

losgemaakt moest worden.

Doña Consolación stond toen op en fluisterde haar man iets in 't

oor. Deze knikte ten teeken van instemming.

"Naar de put met hem!" zeide hij.

De Filippijners weten wat dit beteekent. In het Tagaalsch vertalen ze

't met _timbaïn_, van 't werkwoord _timba_, water putten. We weten

niet wie dit foltermiddel heeft uitgevonden, maar we houden 't voor

vrij oud.

In 't midden van 't _patio_--de binnenplaats--van 't gemeentehuis

verhief zich de schilderachtige putrand, ruw van ongemetselde steenen

opgebouwd. Een landelijk toestel van bamboe, in den vorm van een

hefboom, diende om water te putten. Het vocht was slijmerig, vuil en

kwalijk riekend. Potscherven, vuilnis en allerlei vloeibare stoffen

vereenigden zich daar, want die put was als de gevangenis: daar kwam

terecht al wat de maatschappij wegwerpt of voor onnut houdt; iets dat

daar in valt, hoe goed het ook geweest is, is voor goed verloren. Toch

raakte de put nooit verstopt. Soms werden de gevangenen veroordeeld

om hem uit te diepen, niet omdat men dacht uit die straf eenig nut

te trekken, maar om de moeilijkheden.

Tarsilo keek met strakken blik naar al de toebereidselen die de

soldaten maakten. Hij was zeer bleek en zijn lippen beefden, of

prevelden een gebed. De fierheid zijner wanhoop scheen verdwenen, of

ten minste verzwakt. Verscheidene malen boog hij zijn opgerichte nek,

en vestigde den blik op den grond, berustend in zijn lijden.

Men bracht hem naar den putrand. Doña Consolación volgde lachend. De

rampzalige wierp een jaloerschen blik naar de hoop lijken, en een

zucht ontweek aan zijn borst.

"Spreek nou!" zeide de commissaris weer tot hem, "je wordt in elk geval

opgehangen. Sterf dan ten minste zonder zooveel geleden te hebben."

"Als je daar uit komt, moet je dood," zeide een _cuadrillero_.

Men nam de prop uit zijn mond, en hing hem op aan de voeten. Hij moest

met het hoofd naar beneden neergelaten worden, en eenigen tijd onder

water blijven, op dezelfde wijze als men dat met den putemmer doet,

alleen dat ze den man er langer in laten.

De _alférez_ verwijderde zich om een horloge te halen, en de minuten

af te tellen.

Onderwijl hing Tarsilo, zijn lang haar warrelend in de lucht. Hij

hield de oogen half dicht.

"Als jullie christenen zijn, als jullie een hart hebben," stamelde

hij smekend, "laat me dan gauw zakken, of maak dat mijn hoofd tegen

den muur aan slaat, en dat ik sterf. God zal je voor dat goede werk

beloonen...misschien komen jullie nog eenmaal in 't zelfde geval

als ik!"

De _alférez_ kwam terug, en had, met het uurwerk in de hand, het

toezicht op de nederlating.

"Langzaam, langzaam!" schreeuwde Doña Consolación, de ongelukkige

met den blik volgend. "Voorzichtig!"

De zwengel daalde langzaam. Tarsilo streek tegen de uitstekende

steenen en de vieze planten aan, die in de reten groeiden. Dan hield

de zwengel op te zakken. De _alférez_ telde de sekonden.

"Op!" kommandeerde hij kort-af na verloop van een halve minuut.

Het zilverig welluidend gedruppel van water op water kondigde de

terugkeer van 't slachtoffer naar 't licht aan. Ditmaal ging het

sneller, daar het tegenwicht zwaarder woog. De steenbrokken en

schilfers, die van de put werden afgescheurd, vielen met gedruisch

neer.

Voorhoofd en haar bedekt met walgelijke modder, het gelaat vol wonden

en afschavingen, het lichaam druipnat, verscheen de man aan de oogen

van de zwijgende menigte; de wind deed hem huiveren van koude.

"Wil je nu spreken?" vroeg men hem.

"Zorg voor mijn zuster!" stamelde de ongelukkige en keek smekend naar

een _cuadrillero_.

De bamboe-zwengel knarste weer, en de veroordeelde verdween

nogmaals. Doña Consolación merkte op dat het water rustig bleef. De

_alférez_ telde een minuut.

Toen Tarsilo weer bovenkwam, waren zijn trekken verwrongen en

lijkbleek. Hij richtte een blik naar de omstanders, en hield de met

bloed beloopen oogen open.

"Zul je nu spreken?" vroeg de _alférez_ op ontmoedigden toon.

Tarsilo schudde ontkennend het hoofd, en weer werd hij

neergelaten. Zijn oogleden sloten zich, zijn pupillen bleven naar de

hemel kijken, waar witte wolken zweefden. Hij boog den hals, om het

daglicht te blijven zien, doch weldra moest hij weer onder water,

en viel weer 't schandelijk scherm, dat het schouwspel der wereld

aan zijn oogen onttrok.

Er ging een minuut voorbij. De Muze, die aandachtig toekeek, zag

groote luchtbellen aan de oppervlakte van 't water komen.

"Hij heeft dorst!" zei ze lachend.

En 't werd weer rustig.

Dezen keer duurde het anderhalve minuut, voor de _alférez_ zijn

teeken gaf.

Tarsilo's trekken waren niet meer verwrongen. De half geopende oogleden

lieten het wit van 't oog zien. Uit den mond kwam modderig water met

bloederige sliertjes. De koude wind blies, maar zijn lichaam huiverde

niet meer.

Allen keken elkaar aan, zwijgend, bleek en verbijsterd. De _alférez_

gaf een teeken om hem los te maken, en verwijderde zich in gedachten

verdiept. Doña Consolación bracht verscheidene malen haar brandende

sigaret tegen zijn bloote beenen aan, maar het lichaam huiverde niet

en de sigaret ging uit.

"Hij heeft zichzelf laten stikken!" mompelde een _cuadrillero_. "Kijk

's hoe zijn tong omgedraaid zit, alsof hij die heeft willen inslikken."

De andere gevangene sloeg bevend en zwetend het tooneel gade: hij

keek als een gek naar alle kanten.

De _alférez_ zeide aan den commissaris dat hij hem ondervragen moest.

"Meneer, meneer!" kermde hij, "ik zal alles zeggen wat u maar wilt!"

"Goed! Laten we 's hooren: hoe heet je?"

"Andong, [56] meneer!"

"Hoe dan: Bernardo, Leonardo, Ricardo, Eduardo, Gerardo?"

"Andong, meneer!" herhaalde de onnoozele hals.

"Zet u maar Bernardo of wat dan ook," besliste de _alférez_.

"Familie-naam?"

De man keek hem ontzet aan.

"Wat voor 'van' heb je, wat zeggen ze achter je naam Andong?"

"O, meneer! Andong Halve Gare, meneer!"

De omstanders konden hun lachen niet honden. Zelfs de _alférez_

stond stil op zijn wandeling.

"Beroep?"

"Klapperpooter, meneer, en bediende bij mijn schoonmoeder."

"Wie heeft je gelast de kazerne aan te vallen?"

"Niemand, meneer!"

"Hoe zoo niemand? Lieg niet, hoor, of je gaat ook in de put. Wie

heeft je gelast? Zeg de waarheid!"

"De waarheid, meneer!"

"Wie?"

"Wie, meneer?"

"Ik vraag je wie je gelast heeft oproer te maken?"

"Welk oproer, meneer?"

"Ik bedoel omdat je gisterenavond op de binnenplaats van de kazerne

was."

"O meneer!" riep Andong blozend.

"Nu, wie heeft daar de schuld van?"

"Mijn schoonmoeder, meneer!"

Een luid gelach begroette deze woorden.

De _alférez_ stond weer stil, en keek met niet strenge oogen naar den

stakker. Deze dacht dat zijn woorden een goeden indruk gemaakt hadden,

en ging aangemoedigd voort:

"Ja, meneer, mijn schoonmoeder geeft me niks anders te eten dan rotte

oneetbare kost. Gisterenavond, toen ik zoo langs den weg liep, kreeg

ik buikpijn. Ik zag dat de binnenplaats van de kazerne dichtbij was,

en ik zei zoo bij mezelf: 't Is avond, niemand ziet je. Ik ging naar

binnen... en toen ik opstond, hoorde ik overal schieten. Ik was juist

bezig mijn broek op te halen..."

Een rotan slag sneed hem het woord af.

"Naar de gevangenis!" beval de _alférez_. "Vanmiddag naar de

hoofdplaats!"

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 62 / 70 题