LIV.

Wat men zegt en wat men gelooft.

God liet het eindelijk morgen worden voor 't zwaarbezochte dorp.

De straat waarin de kazerne en het gemeentehuis stonden, bleef verlaten

en eenzaam; de huizen gaven geen teeken van leven. Niettemin ging een

houten vensterblind met geraas open, en vertoonde zich een kinderkopje,

dat naar alle kanten heendraait, de hals rekt en in alle richtingen

uitkijkt. "Klets!" klinkt het en de frissche menschelijke huid komt

in gewelddadige aanraking met een stuk gelooide huid; de mond van

't kind vertrekt zich pijnlijk, zijn oogen sluiten zich, het kopje

verdwijnt, en het venster gaat weer dicht.

Het voorbeeld is gegeven: dat open en dichtdoen is zeker gehoord,

want een tweede venster gaat langzaam open, en er vertoont zich heel

voorzichtigjes het hoofd van een oude vrouw, gerimpeld en tandeloos:

't is zuster Poetê in eigen persoon, die zooveel opschudding maakte

terwijl padre Dámaso aan 't preeken was. Kinderen en oude vrouwen

zijn nu eenmaal de vertegenwoordigers der nieuwsgierigheid op aarde:

de eersten uit lust om te weten, de anderen uit lust om zich te

herinneren.

Zeker is er niemand die het waagt haar een slag met een muiltje

te geven, want ze blijft daar, kijkt met gefronste wenkbrauwen in

de verte, spoelt zich den mond, spuwt met gedruisch, en slaat dan

een kruis. Het huis aan den overkant opent ook schuchtertjes een

raampje, en laat het hoofd van zuster Roefa door, dezelfde die niet

wil bedriegen of zich laten bedriegen. Ze kijken elkaar een oogenblik

aan, glimlachen, geven elkaar teekens en slaan weer een kruis.

"Heerejee! 't Leek wel een genade-mis, met een mooi stuk

vuurwerk!" zegt zuster Roefa.

"Sinds de plundering van 't dorp door Balat heb ik nooit zoo'n nacht

gezien!" antwoordt zuster Poetê.

"Wat is er geschoten! Ze zeggen dat het de bende van den ouden

Pablo is."

"_Toelisan's_? Dat kan niet! Ze zeggen dat het de burgerwacht is

tegen de _civiles_. Daarom is Don Filipo gevangen genomen."

"_Sanctus Deus_! Ze zeggen dat er minstens vijftig dooden gevallen

zijn."

Andere vensters gingen er open, en verscheidene tronies vertoonden

zich, wisselden groeten en maakten commentaren op 't gebeurde.

Bij 't licht van den dag die beloofde prachtig te zullen worden, zag

men flauw in de verte soldaten heen en weer gaan, als aschkleurige

schimmen.

"Daar gaat weer een doode!" zeide een aan een venster.

"Een? Ik zie er twee."

"En ik...maar zeg, ik wed dat u niet weet wat het geweest is?" vroeg

een man met een snaaksch gezicht.

"Zeker wel! De burgerwacht."

"Nee, meneer: een oproer in de kazerne!"

"Wat oproer? De pastoor tegen den _alférez_?"

"Niets daarvan, hoor," zei degeen die de vraag gedaan had. "De

Chineezen zijn opgestaan."

En hij sloot zijn venster weer.

"De Chineezen!" herhaalden allen met de grootste verbazing.

"Daarom zie je er geen een!"

"Ze zullen allen dood zijn."

"Ik dacht al bij mezelf dat ze iets kwaads in 't schild

voerden. Gisteren..."

"Ik heb 't wel gezien. Gisterenavond..."

"Jammer!" zei zuster Roefa, "zoo allemaal dood te gaan voor Paschen,

wanneer ze met hun geschenken komen."

"Hadden ze nog maar 't nieuwe jaar afgewacht..."

De straat werd allengs drukker; eerst waren het de honden, de kippen,

de varkens en de duiven die 't verkeer beproefden. Op deze dieren

volgden eenige in lompen gekleede kinderen, die elkaar aan den arm

vasthielden en schuchter naar de kazerne toe gingen. Dan eenige oude

vrouwtjes, met de zakdoek op het hoofd en onder de kin vastgeknoopt,

met een grooten rozenkrans in de hand, doende alsof ze baden, opdat

de soldaten ze vrij voorbij zouden laten gaan. Toen men zag dat men

rond kon loopen, zonder een schot te krijgen, begonnen de mannen

voor den dag te komen, en deden heel onverschillig. In den beginne

beperkten zich hun bewegingen tot een wandelingetje voor 't huis,

waar ze hun haan aanhaalden. Daarna probeerden zij ze uit te breiden,

terwijl ze van tijd tot tijd stilstonden. En zoo kwamen ze tot voor

het gemeentehuis.

Een kwartier later deden andere geruchten de ronde. Ibarra had met

zijn bedienden Maria Clara willen wegvoeren, en Capitán Tiago had

haar verdedigd, geholpen door de _guardia civil_.

Het aantal dooden was niet meer veertien, maar dertig. Capitán Tiago

was gewond, en vertrok juist met zijn gezin naar Manila.

De komst van twee _cuadrillero's_ of burgerwachten, die een

menschelijke gedaante op een baar droegen, en gevolgd werden door een

_guardia civil_, bracht groote ontsteltenis te weeg. Men vernam dat

ze van 't "klooster" kwamen. Naar den vorm der voeten, die afhingen,

ried een vrouw wie 't wezen kon. Een eind verder zeide men dat hij

't was. Nog iets verder vermenigvuldigde de doode zich, en geschiedde

't mysterie der Heilige Drievuldigheid. Daarna herhaalde zich het

wonder van de brooden en de visschen, en was het aantal dooden reeds

acht en dertig.

Om half acht, toen er nog meer _guardia civiles_ aankwamen, afkomstig

uit de naburige dorpen, was de lezing van 't gebeurde reeds duidelijk

en in bizonderheden uitgewerkt.

"Ik kom daar net van 't gemeentehuis, waar ik Don Filipo en Don

Crisóstomo gevangen heb gezien," zeide een man tot zuster Poetê. "Ik

heb met een van de _cuadrillero's_ gesproken, die daar de wacht

hielden. Welnu, Bruno, de zoon van dien eene die doodgeranseld

is, je weet wel, heeft gisterenavond alles verklaard. Zooals je

weet wil Capitán Tiago zijn dochter laten trouwen met dien jongen

Spanjaard. Nou, Don Crisóstomo was daar beleedigd door en wou zich

wreken. Hij heeft toen getracht al de Spanjaarden te vermoorden, den

pastoor inkluis. Gisterenavond hebben ze de kazerne en 't klooster

aangevallen. En gelukkig, door Gods barmhartigheid, was de pastoor

juist bij Capitán Tiago in huis. Ze zeggen dat er een boel gevlucht

zijn. De _guardias civiles_ hebben Don Crisóstomo's huis in brand

gestoken, en als ze hem niet van te voren hadden gevangen genomen,

zouden ze hem mee verbrand hebben."

"Hebben ze zijn huis in brand gestoken?"

"Al de bedienden zijn gevangen genomen. Kijk 's hoe je van hier de

rook nog kunt zien!" zeide de verteller, op een venster toetredend. "De

lui die daar vandaan komen, vertellen heel droevige dingen."

Allen keken naar de aangewezen plaats: een lichte rookzuil steeg nog

langzaam ten hemel. Allen maakten meer of min medelijdende, meer of

min beschuldigende commentaren.

"Arme jongen!" riep een oude man, Poetê's echtgenoot.

"Jawel!" antwoordde zij, "maar, zie je, gisteren heeft hij ook geen

mis voor de ziel van zijn vader laten lezen en die zal 't zeker meer

noodig hebben dan anderen."

"Maar, vrouw, heb je dan geen medelijden?..."

"Medelijden met iemand die in den ban is? 't Is een zonde medelijden

te hebben met Gods vijanden, zeggen de pastoors. Herinner je je nog

wel? Op 't kerkhof liep hij als in een veekraal!"

"Maar 't kerkhof lijkt immers op een veekraal," antwoordde de oude man,

"alleen dat in een veekraal maar één soort beesten binnengaan..."

"Komaan!" riep zuster Poetê hem toe, "nu ga je ook nog een verdedigen

die God zoo duidelijk straft. Je zult zien, dat ze jou ook nog gevangen

nemen. Steun jij maar iets dat aan 't vallen is!"

De echtgenoot zweeg op dit argument.

"Best te begrijpen!" hervatte het oudje, "nadat hij Padre Dámaso

afgeranseld had, bleef hem alleen nog maar Padre Salvi te vermoorden."

"Maar je kunt me niet tegenspreken, dat hij een goeie jongen was,

toen hij klein was."

"Jawel, 't was een goeie jongen," gaf het besje terug, "maar hij is

naar Spanje gegaan. Iedereen die naar Spanje gaat, komt als ketter

terug, hebben de pastoors gezegd."

"Och och!" riep haar echtvriend, die de gelegenheid schoon zag om

haar schaakmat te zetten. "En de pastoor dan, en al de pastoors,

en de aartsbisschop, en de Paus, en de Heilige Maagd, komen die niet

van Spanje? _Awa!_ Zouden dat soms ook ketters zijn? _Awa!_"

Gelukkig voor zuster Poetê stoorde de komst van een dienstmeisje,

dat in groote opwinding en bleek kwam aanloopen, de woordenwisseling.

"Er hangt iemand in den tuin van mijn buurman!" zei ze hijgend.

"Hangt er iemand?" riepen ze allen vol ontzetting.

De vrouwen sloegen een kruis. Niemand kon zich van zijn plaats

verroeren.

"Ja, meneer..." ging de dienstmaagd bevend voort. "Ik ging juist

erwten plukken...ik kijk naar den moestuin van onzen buurman, om te

zien of hij er was... en daar zie ik een man heen en weer bewegen. Ik

dacht dat het Teo, de knecht, was, die me altijd...nou ja...Ik kom

naderbij om...erwten te plukken, en ik zie dat hij 't niet is, maar

een ander... een doode; ik loop, ik loop en..."

"Laten we 's naar hem gaan kijken," zeide de oude man, en stond

op. "Breng jij ons."

"Ga niet!" schreeuwde zuster Poetê, en greep hem bij zijn kiel. "Je

zult een ongeluk krijgen! Heeft hij zich opgehangen? Des te erger

voor hem!"

"Laat me gaan, vrouw. Ga jij naar 't raadhuis, Juan, om kennis te

geven. Misschien is hij nog niet dood."

En hij ging naar den moestuin, gevolgd door het dienstmeisje, dat

zich achter hem verschool. De vrouwen, zuster Poetê inkluis, liepen

vol vrees en nieuwsgierigheid daarachter aan.

"Daar is hij, meneer," zei 't dienstmeisje en stond stil, terwijl ze

met den vinger naar iets wees.

De stoet hield stil op eerbiedigen afstand, en liet den ouden man

alleen verder gaan.

Een menschelijk lichaam, hangend aan den tak van een sentoel-boom,

slingerde zacht heen en weer, bewogen door den morgenwind. De oude man

keek er een poos naar. Hij zag de voeten en armen stijf, de kleeren

bevlekt, het hoofd gebogen.

"We mogen hem niet aanraken, voor dat het gerecht erbij is," zeide

hij luide. "Hij is al stijf: hij is al een heelen tijd dood."

De vrouwen kwamen langzamerhand naderbij.

"'t Is de man die in dat huisje woonde, dezelfde die twee weken

geleden gekomen is. Kijk maar 's naar dat litteeken op zijn gezicht."

"Ave Maria!" riepen eenige vrouwen.

"Zullen we voor zijn ziel bidden?" vroeg een jongmeisje, zoodra ze

't lijk voldoende had bekeken en opgenomen.

"Dwaas kind, kettersche meid!" berispte haar zuster Poetê. "Weet je

niet wat Padre Dámaso gezegd heeft? 't Is God verzoeken voor een

verdoemde te bidden. Iemand die zelfmoord pleegt, is voor eeuwig

verdoemd. Daarom wordt hij ook niet in gewijde aarde begraven."

En ze voegde eraan toe:

"Ik had al gedacht dat het met dien vent slecht moest afloopen:

ik heb nooit kunnen nagaan waar hij van leefde."

"Ik heb hem twee keer met den hoofdkoster zien spreken," merkte een

jongmeisje op.

"Dat zal ook wel niet geweest zijn, om te gaan biechten of een mis

te bestellen!"

De buren kwamen toeloopen, en een talrijke kring vormde zich om het

lijk, dat maar steeds bleef slingeren. Na een half uur kwam er een

politie-agent, de commissaris en twee _cuadrillero's_. Dezen maakten

het los en legden het op een draagbaar.

"De lui hebben haast om dood te gaan," zei de commissaris lachend,

terwijl hij de pen die hij achter zijn oor droeg daarvandaan nam.

Hij deed zijn strikvragen, nam een verklaring af van de dienstbode,

die hij trachtte vast te praten, haar nu eens met booze oogen aanziend,

dan eens haar dreigend, dan weer haar woorden in den mond leggend die

ze niet gezegd had, zoo zeer dat zij, vreezende naar de gevangenis

te zullen gaan, begon te schreien, en verklaarde dat ze geen erwten

zocht, maar dat ze...en ze haalde Teo als getuige aan.

Ondertusschen bekeek een landman met een groote _salakot_ op en een

groote pleister aan zijn hals het lijk en het touw.

Het gelaat was niet lijkkleuriger dan de rest van 't lichaam; boven de

plek waar 't touw gebonden was, zag men twee schrammen en twee blauwe

striempjes; de schrijning van 't koord was wit en vertoonde geen

bloed. De nieuwsgierige boer onderzocht het hemd en de broek goed,

merkte dat ze vol stof en kort te voren op enkele plaatsen gescheurd

waren; doch wat het meest zijn aandacht trok, dat waren de zaden van

_amores secos_, [55] die overal, tot aan de boord van het hemd aan

hem vastgekleefd zaten.

"Wat zie je aan hem?" vroeg de commissaris.

"Ik kijk of ik hem ook herkennen kan, meneer," stamelde hij, zich

half 't hoofd ontblootend, dat wil zeggen de _salakot_ meer naar

beneden halend.

"Heb je niet gehoord dat het een zekeren _Lucas_ is? Slaap je?"

Allen schoten in een lach. De boer bracht verlegen eenige woorden uit,

en ging met gebogen hoofd langzaam heen.

"Hei, waar ga je naar toe?" riep de oude man hem toe. "Daar kun je

er niet uit: daar langs ga je naar het huis van den dooie!"

"De man slaapt nog!" zeide de commissaris spottend. "We zullen wat

water over hem moeten gooien."

De omstanders lachten weer.

De boer verliet de plaats waar hij zulk een leelijke rol gespeeld

had, en richtte zich naar de kerk. In de sakristie vroeg hij naar

den hoofdkoster.

"Die slaapt nog!" antwoordde men hem barsch. "Weet u niet dat ze

vannacht het klooster geplunderd hebben?"

"Ik zal wachten tot hij wakker wordt."

De kosters keken hem aan met de grofheid van lieden die gewend zijn

slecht behandeld te worden.

In een hoek, die donker bleef, sliep de eenoogige op een langen

stoel. Zijn bril zat hem tegen 't voorhoofd tusschen de lange

haarlokken; de borst uitgemergeld en rachitisch, was bloot, en rees

en daalde regelmatig.

De boer ging erbij zitten, bereid om geduldig te wachten, maar er

ontglipte hem een muntstuk, en hij ging dit met een kaars zoeken,

onder den stoel van den hoofdkoster. Daarbij bespeurde hij ook

zaden van _amores secos_ aan de broek en de mouwen van 't hemd des

slapenden. Deze ontwaakte eindelijk, wreef zich zijn eene gezonde

oog uit, en ontving den man met een snauw.

"Ik wou een mis bestellen, meneer!" antwoordde hij op een toon van

verontschuldiging.

"Al de missen zijn al afgeloopen," zeide daarop de eenoogige zijn toon

wat verzachtend. "Als je er morgen een hebben wilt...Is het voor de

zielen in 't vagevuur?"

"Nee, meneer," antwoordde de boer en gaf hem een _peso_.

En hem scherp aankijkend in 't eene oog, liet hij volgen:

"'t Is voor iemand die spoedig zal sterven." En hij verliet de

sakristie.

"Ik had hem gisteren avond kunnen pakken!" zeide hij zuchtend,

terwijl hij den pleister wegnam, en zich oprichtte, om het gelaat en

de gestalte van Elias weer aan te nemen.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 61 / 70 题