De slag.
Ginds in de eetzaal, zitten Capitán Tiago, Linares en tante Isabel
aan den avonddisch. In de ontvangkamer hoort men 't leven van borden,
lepels en vorken. Maria Clara heeft gezegd dat ze geen eetlust had,
en is aan de piano gaan zitten, terwijl de vroolijke Sinang naast haar
haar geheimzinnige woorden in 't oor zegt, en Padre Salvi rusteloos
op en neer wandelt van 't eene eind van 't vertrek naar 't ander.
Niet dat de herstellende geen honger zou hebben, o neen; 't is
omdat ze de komst van iemand verwacht en gebruik gemaakt heeft van
't oogenblik waarop haar Argus niet tegenwoordig kan wezen: 't uur van
't avondeten voor Linares.
"Je zult zien dat dat spook tot acht uur blijft," fluistert Sinang,
en wijst naar den pastoor. "Om acht uur moet _hij_ komen. Die daar
is even verliefd als Linares."
Maria Clara keek verschrikt haar vriendin aan. Deze ging, zonder
't te merken, voort met haar schrikbarend gepraat:
"O, ik weet wel waarom hij niet heengaat, in weerwil van mijn bedekte
wenken: hij wil geen licht branden in 't klooster! Zeg, weet je dat
sinds je ziek geworden bent, de twee lampen, die hij liet aansteken,
weer uitgedaan zijn?...Maar kijk nu toch 's wat 'n oogen hij opzet,
en wat 'n gezicht hij zet!"
Op dat oogenblik sloeg het op de huisklok acht uur. De pastoor
huiverde, en zette zich in een hoek.
"Hij komt al!" zei Sinang, en kneep Maria Clara in den arm. "Hoor je
't?"
De kerkklok luidde, en allen stonden op, om te bidden. Padre Salvi
dreunde met zwakke en bevende stem het misoffer op, doch daar ieder
zijn eigen gedachten had, lette niemand erop.
Toen het bidden nauw afgeloopen was, vertoonde zich Ibarra. De jongeman
was in den rouw, niet alleen wat zijn kleeding aanging, maar ook zijn
gelaat, zoozeer zelfs dat Maria Clara, toen ze hem zag, opstond en een
stap naar hem toe deed, als om hem te vragen wat hem scheelde. Doch op
't zelfde oogenblik liet zich geweervuur hooren. Ibarra stond stil,
zijn oogen gingen rond, hij bleef in zijn woorden steken. De pastoor
verborg zich achter een pilaar. Nieuwe schoten en salvo's klonken
aan den kant van 't klooster, gevolgd door kreten en geloop. Capitán
Tiago, tante Isabel en Linares kwamen binnenstormen en riepen:
"_Toelisan, toelisan!_" Andeng volgde zwaaiend met het braadspit,
en liep op haar zoogzuster toe.
Tante Isabel viel op haar knieën, schreide en bad het "kyrie
eleison." Capitán Tiago droeg, bleek en bevend, een kippelever aan een
vork, en bood die schreiend aan de Heilige Maagd van Antipolo. Linares
stond met vollen mond en was gewapend met een lepel. Sinang en Maria
Clara hielden elkaar omarmd. De eenige die roerloos, als versteend
bleef staan, was Crisóstomo, wiens bleekheid onbeschrijflijk was.
De kreten en knallen hielden aan, de vensters werden met gedruisch
gesloten. Men hoorde 't geluid van fluiten, een schot van tijd
tot tijd.
"Kyrie eleison! Santiago, de voorspelling komt uit...Sluit de
vensters!" kreet tante Isabel.
"Vijftig groote donderpotten met twee genade-missen!" antwoordde
Capitán Tiago. "Ora pro nobis!"
Allengs trad weer een vreeselijke stilte in... Men hoorde de stem
van den _alférez_, die hard loopende schreeuwde:
"Meneer de pastoor! Padre Salvi! Komt u?"
"Miserere! De _alférez_ wil bediend worden!" riep tante Isabel.
"Is de _alférez_ gewond?" vroeg eindelijk Linares.
"O!"
En nu pas bemerkte hij dat hij nog niet ingeslikt had wat in zijn
mond was.
"Meneer de pastoor, komt u hier! Er is niets meer te vrezen!" bleef
de _alférez_ schreeuwen.
Fray Salvi besloot eindelijk te gaan. Bleek kwam hij uit zijn
schuilhoek, en ging de trap af.
"De _toelisan's_ hebben den _alférez_ vermoord! Maria, Sinang, naar
je kamer. Goed de deur versperren!"
"Kyrie eleison!"
Ibarra begaf zich ook naar de trap, ten spijt van tante Isabel,
die zeide:
"Ga niet uit, want je hebt niet gebiecht, ga niet uit!"
De goede oude was zeer bevriend geweest met zijn moeder.
Maar Ibarra verliet het huis: 't was hem of alles om hem heen
dwarrelde, of de grond onder zijn voeten week. Zijn ooren gonsden,
zijn beenen bewogen zich zwaar en ongeregeld: bloedgolven, licht en
duister volgden elkaar op in zijn netvlies.
Ofschoon de maan prachtig scheen, struikelde de jongeman over de
steenen en balken, die op de eenzame, verlaten straat lagen.
Bij de kazerne zag Ibarra soldaten met de bajonet op 't geweer,
levendig met elkaar praten. Daardoor kon hij onopgemerkt voorbijgaan.
In 't gemeentehuis hoorde men slagen, kreten, ai's en
verwenschingen. De stem van den _alférez_ overstemde alles.
"In 't blok! Handboeien aan! Twee schoten op wie zich
beweegt! Sergeant, u moet de wacht betrekken! Er mag nu niemand op
straat, al was 't God zelf, niet! Capitán, er wordt niet geslapen!"
Ibarra verhaastte zijn schreden naar zijn huis. Zijn bedienden wachtten
hem in ongerustheid.
"Zadel 't beste paard, en dan kunnen jullie gaan slapen!" zeide
hij hun.
Hij trad zijn studeerkamer binnen, en wilde in allerijl een koffertje
klaarmaken. Hij opende een ijzeren kist, haalde al het geld er uit dat
er in lag, en deed dat in een zak. Hij verzamelde zijn kleinoodiën,
nam een portret van Maria Clara van den wand, en, na zich gewapend te
hebben met een dolk en twee revolvers, richtte hij zich naar een kast,
waar hij ijzeren gereedschap had.
Op dat oogenblik klonken er drie doffe harde slagen op de deur.
"Wie is daar?" vroeg Ibarra op somberen toon.
"Maak open in naam des Konings, maak dadelijk open, of we smijten de
deur in!" antwoordde een bevelende stem in 't Spaansch.
Ibarra keek naar het venster. Zijn oogen flikkerden, en hij haalde
de haan van zijn revolver over. Doch, zich bedenkend, liet hij de
wapens liggen, en ging zelf opendoen, op 't oogenblik dat de bedienden
kwamen toeloopen.
Drie _guardia's_ grepen hem dadelijk aan.
"In naam des konings, geef u gevangen!" zeide de onderofficier.
"Waarom?"
"Dat zult u daar wel gezegd worden. 't Is ons verboden het u te
zeggen."
De jongeman dacht een oogenblik na, en wellicht niet willende dat de
soldaten zijn vlucht-toebereidselen zouden zien, greep hij een hoed
en zeide:
"Ik ben tot uw beschikking! Ik veronderstel dat het voor enkele uren
zal wezen."
"Als u belooft niet te zullen ontsnappen, zullen we u ongebonden laten:
de _alférez_ staat u dezen gunst toe. Maar als u wegloopt..."
Ibarra volgde hen, zijn bedienden verbijsterd achterlatend.
Wat was er intusschen van Elias geworden?
Toen hij Crisóstomo's huis verliet, liep hij als een bezetene zonder
te weten waarheen hij ging. Hij stak de velden over, en kwam aan
't bosch in een heftige opwinding. Hij vluchtte weg van het dorp,
hij vluchtte van het licht, de maan hinderde hem, hij begaf zich
in de geheimzinnige schaduw der boomen. Daar, nu eens stilstaande,
dan weer voortgaande langs onbekende paden, steunende tegen de
eeuwenoude stammen, dringende in 't kreupelhout, keek hij naar het
dorp, dat daar aan zijn voeten zich baadde in maanlicht, uitgestrekt
in de vlakte aan den oever der zee. De vogels, gestoord in hun slaap,
vlogen op. Reusachtige vleermuizen, nachtuilen gingen met schrille
kreten, van den eenen tak op den andere en keken hem met hun ronde
oogen aan. Elias hoorde ze niet, lette er niet op. Hij waande zich
vervolgd door zijn vertoornde voorouders; hij zag aan iederen tak de
noodlottige mand met het bloedige hoofd van Balat, zooals zijn vader
het hem verteld had; hij waande aan den voet van iederen boom tegen
het lijk van zijn grootmoeder aan te stooten; het scheen hem toe in
de duisternis het walgelijk geraamte van zijn eerloozen grootvader
te zien bungelen...en het geraamte, het lijk der oude en het hoofd
riepen hem na: "Lafaard, lafaard!"
Elias verliet den berg, vluchtte weg, en daalde af naar de zee, waar
hij aan 't strand opgewonden voortliep; doch daar in de verte, midden
in 't water, waar van het maanlicht een nevel scheen op te trekken,
waande hij een schim te zien oprijzen en heen en weer bewegen: de schim
van zijn zuster, de borst bebloed, en het haar dwarrelend in de lucht.
Elias viel op zijn knieën op het zand.
"Jij ook!" mompelde hij, zijn armen uitstrekkend.
Maar, den blik strak op den nevel, stond hij langzaam op, stapte hij
vooruit en ging in 't water, alsof hij iemand volgde. Hij liep de
glooiende helling af die de zandoever daar vormde. Reeds was hij ver
van den kant, het water reikte hem tot aan het middel, en hij ging
voort, steeds voort, als bekoord door een verlokkenden geest. Het
water kwam hem reeds aan de borst...doch daar klonk het geweervuur,
het visioen verdween, en de jongeman kwam tot de werkelijkheid
terug. Dankzij den kalmen nacht en de grootere dichtheid der lucht
drongen de knallen helder en duidelijk door. Hij stond stil, dacht
na, bespeurde dat hij zich in 't water bevond. Het meer was kalm,
en hij onderscheidde zelfs de lichtjes in de visschershutten.
Hij keerde naar den oever terug, en richtte zich naar 't dorp:
Waartoe? Hij zelf wist het niet.
Het dorp scheen onbewoond; de huizen waren alle gesloten. Zelfs de
dieren, de honden die 's nachts plachten te blaffen, hadden zich
angstig verborgen. Het zilverig maanlicht verhoogde de droefheid en
eenzaamheid van 't oord.
Vreezende de _guardia civiles_ te zullen ontmoeten, nam hij zijn
weg dwars door de boomgaarden en tuinen, in een waarvan hij twee
menschelijke gedaanten meende te ontwaren. Doch hij vervolgde zijn weg,
en springend over heiningen en muurtjes, kwam hij na veel moeite aan
't andere einde van 't dorp, waar hij zich naar Crisóstomo's huis
begaf. Aan de deur stonden de bedienden, bezig de gevangenneming van
hun heer te bespreken en te bejammeren.
Eenmaal op de hoogte van 't geen er voorgevallen was, verwijderde Elias
zich, liep om het huis heen, sprong over den ringmuur, klauterde naar
binnen door een venster en drong in de studeerkamer, waar de kaars
nog brandde die Ibarra er gelaten had.
Elias zag de papieren en de boeken; hij vond de wapens en de zakjes,
die het geld en de kleinoodiën bevatten. Hij riep voor zijn verbeelding
op wat daar had plaats gehad, en zooveel papieren ziende die den
eigenaar konden compromitteeren, dacht hij eraan ze bijeen te rapen,
ze 't venster uit te werpen en te begraven.
Hij wierp een blik op den tuin, en bij 't licht der maan zag hij
twee _guardia civiles_, die met een helper kwamen: de bajonetten en
de helmen glinsterden in de duisternis.
Toen vatte hij een besluit: hij stapelde kleeren en papieren midden in
't vertrek op, goot daar een petroleum-lamp op leeg, en stak alles
aan. Hij deed ijlings de wapens in zijn gordel, zag het portret van
Maria Clara, weifelde even...dan stak hij 't in een van de zakjes,
en 't een en ander meenemend, sprong hij het venster uit.
't Was hoog tijd: de _guardia civiles_ waren al bezig de deur in
te slaan...
"Laat ons naar boven, om beslag te leggen op de papieren van je
meneer!" zeide de politieman die erbij was.
"Heeft u er verlof toe? Anders komt u niet boven," zeide een oude man.
De soldaten duwden ze met kolfslagen op zij, liepen de trap op...maar
een dikke rook vulde het heele huis, en reusachtige vuurtongen kwamen
uit de voorzaal, likkend langs deuren en vensters.
"Brand! Brand!" riepen allen.
Een ieder ijlde toe, om te redden wat hij kon, maar 't vuur had
het kleine laboratorium reeds bereikt, en de brandbare stoffen
ontploften. De _guardias civiles_ moesten terug: de vuurgloed versperde
hun den weg loeiend en alles wat hij tegenkwam wegvagend. Tevergeefs
haalde men water uit de put. Allen schreeuwden, vroegen om hulp, maar
niemand kwam. Het vuur bereikte de overige vertrekken en verhief zich
ten hemel, dikke rookspiralen opstuwend. Reeds was het heele huis
een prooi der vlammen, de gloeiend heete wind wakkerde ze aan. Van
verre kwamen eenige landlieden aanloopen, doch ter plaatse aangekomen,
konden ze slechts den schrikkelijken brandstapel zien, de ondergang
van 't oude, zoo lang door de elementen gespaarde gebouw.