LIII.

De slag.

Ginds in de eetzaal, zitten Capitán Tiago, Linares en tante Isabel

aan den avonddisch. In de ontvangkamer hoort men 't leven van borden,

lepels en vorken. Maria Clara heeft gezegd dat ze geen eetlust had,

en is aan de piano gaan zitten, terwijl de vroolijke Sinang naast haar

haar geheimzinnige woorden in 't oor zegt, en Padre Salvi rusteloos

op en neer wandelt van 't eene eind van 't vertrek naar 't ander.

Niet dat de herstellende geen honger zou hebben, o neen; 't is

omdat ze de komst van iemand verwacht en gebruik gemaakt heeft van

't oogenblik waarop haar Argus niet tegenwoordig kan wezen: 't uur van

't avondeten voor Linares.

"Je zult zien dat dat spook tot acht uur blijft," fluistert Sinang,

en wijst naar den pastoor. "Om acht uur moet _hij_ komen. Die daar

is even verliefd als Linares."

Maria Clara keek verschrikt haar vriendin aan. Deze ging, zonder

't te merken, voort met haar schrikbarend gepraat:

"O, ik weet wel waarom hij niet heengaat, in weerwil van mijn bedekte

wenken: hij wil geen licht branden in 't klooster! Zeg, weet je dat

sinds je ziek geworden bent, de twee lampen, die hij liet aansteken,

weer uitgedaan zijn?...Maar kijk nu toch 's wat 'n oogen hij opzet,

en wat 'n gezicht hij zet!"

Op dat oogenblik sloeg het op de huisklok acht uur. De pastoor

huiverde, en zette zich in een hoek.

"Hij komt al!" zei Sinang, en kneep Maria Clara in den arm. "Hoor je

't?"

De kerkklok luidde, en allen stonden op, om te bidden. Padre Salvi

dreunde met zwakke en bevende stem het misoffer op, doch daar ieder

zijn eigen gedachten had, lette niemand erop.

Toen het bidden nauw afgeloopen was, vertoonde zich Ibarra. De jongeman

was in den rouw, niet alleen wat zijn kleeding aanging, maar ook zijn

gelaat, zoozeer zelfs dat Maria Clara, toen ze hem zag, opstond en een

stap naar hem toe deed, als om hem te vragen wat hem scheelde. Doch op

't zelfde oogenblik liet zich geweervuur hooren. Ibarra stond stil,

zijn oogen gingen rond, hij bleef in zijn woorden steken. De pastoor

verborg zich achter een pilaar. Nieuwe schoten en salvo's klonken

aan den kant van 't klooster, gevolgd door kreten en geloop. Capitán

Tiago, tante Isabel en Linares kwamen binnenstormen en riepen:

"_Toelisan, toelisan!_" Andeng volgde zwaaiend met het braadspit,

en liep op haar zoogzuster toe.

Tante Isabel viel op haar knieën, schreide en bad het "kyrie

eleison." Capitán Tiago droeg, bleek en bevend, een kippelever aan een

vork, en bood die schreiend aan de Heilige Maagd van Antipolo. Linares

stond met vollen mond en was gewapend met een lepel. Sinang en Maria

Clara hielden elkaar omarmd. De eenige die roerloos, als versteend

bleef staan, was Crisóstomo, wiens bleekheid onbeschrijflijk was.

De kreten en knallen hielden aan, de vensters werden met gedruisch

gesloten. Men hoorde 't geluid van fluiten, een schot van tijd

tot tijd.

"Kyrie eleison! Santiago, de voorspelling komt uit...Sluit de

vensters!" kreet tante Isabel.

"Vijftig groote donderpotten met twee genade-missen!" antwoordde

Capitán Tiago. "Ora pro nobis!"

Allengs trad weer een vreeselijke stilte in... Men hoorde de stem

van den _alférez_, die hard loopende schreeuwde:

"Meneer de pastoor! Padre Salvi! Komt u?"

"Miserere! De _alférez_ wil bediend worden!" riep tante Isabel.

"Is de _alférez_ gewond?" vroeg eindelijk Linares.

"O!"

En nu pas bemerkte hij dat hij nog niet ingeslikt had wat in zijn

mond was.

"Meneer de pastoor, komt u hier! Er is niets meer te vrezen!" bleef

de _alférez_ schreeuwen.

Fray Salvi besloot eindelijk te gaan. Bleek kwam hij uit zijn

schuilhoek, en ging de trap af.

"De _toelisan's_ hebben den _alférez_ vermoord! Maria, Sinang, naar

je kamer. Goed de deur versperren!"

"Kyrie eleison!"

Ibarra begaf zich ook naar de trap, ten spijt van tante Isabel,

die zeide:

"Ga niet uit, want je hebt niet gebiecht, ga niet uit!"

De goede oude was zeer bevriend geweest met zijn moeder.

Maar Ibarra verliet het huis: 't was hem of alles om hem heen

dwarrelde, of de grond onder zijn voeten week. Zijn ooren gonsden,

zijn beenen bewogen zich zwaar en ongeregeld: bloedgolven, licht en

duister volgden elkaar op in zijn netvlies.

Ofschoon de maan prachtig scheen, struikelde de jongeman over de

steenen en balken, die op de eenzame, verlaten straat lagen.

Bij de kazerne zag Ibarra soldaten met de bajonet op 't geweer,

levendig met elkaar praten. Daardoor kon hij onopgemerkt voorbijgaan.

In 't gemeentehuis hoorde men slagen, kreten, ai's en

verwenschingen. De stem van den _alférez_ overstemde alles.

"In 't blok! Handboeien aan! Twee schoten op wie zich

beweegt! Sergeant, u moet de wacht betrekken! Er mag nu niemand op

straat, al was 't God zelf, niet! Capitán, er wordt niet geslapen!"

Ibarra verhaastte zijn schreden naar zijn huis. Zijn bedienden wachtten

hem in ongerustheid.

"Zadel 't beste paard, en dan kunnen jullie gaan slapen!" zeide

hij hun.

Hij trad zijn studeerkamer binnen, en wilde in allerijl een koffertje

klaarmaken. Hij opende een ijzeren kist, haalde al het geld er uit dat

er in lag, en deed dat in een zak. Hij verzamelde zijn kleinoodiën,

nam een portret van Maria Clara van den wand, en, na zich gewapend te

hebben met een dolk en twee revolvers, richtte hij zich naar een kast,

waar hij ijzeren gereedschap had.

Op dat oogenblik klonken er drie doffe harde slagen op de deur.

"Wie is daar?" vroeg Ibarra op somberen toon.

"Maak open in naam des Konings, maak dadelijk open, of we smijten de

deur in!" antwoordde een bevelende stem in 't Spaansch.

Ibarra keek naar het venster. Zijn oogen flikkerden, en hij haalde

de haan van zijn revolver over. Doch, zich bedenkend, liet hij de

wapens liggen, en ging zelf opendoen, op 't oogenblik dat de bedienden

kwamen toeloopen.

Drie _guardia's_ grepen hem dadelijk aan.

"In naam des konings, geef u gevangen!" zeide de onderofficier.

"Waarom?"

"Dat zult u daar wel gezegd worden. 't Is ons verboden het u te

zeggen."

De jongeman dacht een oogenblik na, en wellicht niet willende dat de

soldaten zijn vlucht-toebereidselen zouden zien, greep hij een hoed

en zeide:

"Ik ben tot uw beschikking! Ik veronderstel dat het voor enkele uren

zal wezen."

"Als u belooft niet te zullen ontsnappen, zullen we u ongebonden laten:

de _alférez_ staat u dezen gunst toe. Maar als u wegloopt..."

Ibarra volgde hen, zijn bedienden verbijsterd achterlatend.

Wat was er intusschen van Elias geworden?

Toen hij Crisóstomo's huis verliet, liep hij als een bezetene zonder

te weten waarheen hij ging. Hij stak de velden over, en kwam aan

't bosch in een heftige opwinding. Hij vluchtte weg van het dorp,

hij vluchtte van het licht, de maan hinderde hem, hij begaf zich

in de geheimzinnige schaduw der boomen. Daar, nu eens stilstaande,

dan weer voortgaande langs onbekende paden, steunende tegen de

eeuwenoude stammen, dringende in 't kreupelhout, keek hij naar het

dorp, dat daar aan zijn voeten zich baadde in maanlicht, uitgestrekt

in de vlakte aan den oever der zee. De vogels, gestoord in hun slaap,

vlogen op. Reusachtige vleermuizen, nachtuilen gingen met schrille

kreten, van den eenen tak op den andere en keken hem met hun ronde

oogen aan. Elias hoorde ze niet, lette er niet op. Hij waande zich

vervolgd door zijn vertoornde voorouders; hij zag aan iederen tak de

noodlottige mand met het bloedige hoofd van Balat, zooals zijn vader

het hem verteld had; hij waande aan den voet van iederen boom tegen

het lijk van zijn grootmoeder aan te stooten; het scheen hem toe in

de duisternis het walgelijk geraamte van zijn eerloozen grootvader

te zien bungelen...en het geraamte, het lijk der oude en het hoofd

riepen hem na: "Lafaard, lafaard!"

Elias verliet den berg, vluchtte weg, en daalde af naar de zee, waar

hij aan 't strand opgewonden voortliep; doch daar in de verte, midden

in 't water, waar van het maanlicht een nevel scheen op te trekken,

waande hij een schim te zien oprijzen en heen en weer bewegen: de schim

van zijn zuster, de borst bebloed, en het haar dwarrelend in de lucht.

Elias viel op zijn knieën op het zand.

"Jij ook!" mompelde hij, zijn armen uitstrekkend.

Maar, den blik strak op den nevel, stond hij langzaam op, stapte hij

vooruit en ging in 't water, alsof hij iemand volgde. Hij liep de

glooiende helling af die de zandoever daar vormde. Reeds was hij ver

van den kant, het water reikte hem tot aan het middel, en hij ging

voort, steeds voort, als bekoord door een verlokkenden geest. Het

water kwam hem reeds aan de borst...doch daar klonk het geweervuur,

het visioen verdween, en de jongeman kwam tot de werkelijkheid

terug. Dankzij den kalmen nacht en de grootere dichtheid der lucht

drongen de knallen helder en duidelijk door. Hij stond stil, dacht

na, bespeurde dat hij zich in 't water bevond. Het meer was kalm,

en hij onderscheidde zelfs de lichtjes in de visschershutten.

Hij keerde naar den oever terug, en richtte zich naar 't dorp:

Waartoe? Hij zelf wist het niet.

Het dorp scheen onbewoond; de huizen waren alle gesloten. Zelfs de

dieren, de honden die 's nachts plachten te blaffen, hadden zich

angstig verborgen. Het zilverig maanlicht verhoogde de droefheid en

eenzaamheid van 't oord.

Vreezende de _guardia civiles_ te zullen ontmoeten, nam hij zijn

weg dwars door de boomgaarden en tuinen, in een waarvan hij twee

menschelijke gedaanten meende te ontwaren. Doch hij vervolgde zijn weg,

en springend over heiningen en muurtjes, kwam hij na veel moeite aan

't andere einde van 't dorp, waar hij zich naar Crisóstomo's huis

begaf. Aan de deur stonden de bedienden, bezig de gevangenneming van

hun heer te bespreken en te bejammeren.

Eenmaal op de hoogte van 't geen er voorgevallen was, verwijderde Elias

zich, liep om het huis heen, sprong over den ringmuur, klauterde naar

binnen door een venster en drong in de studeerkamer, waar de kaars

nog brandde die Ibarra er gelaten had.

Elias zag de papieren en de boeken; hij vond de wapens en de zakjes,

die het geld en de kleinoodiën bevatten. Hij riep voor zijn verbeelding

op wat daar had plaats gehad, en zooveel papieren ziende die den

eigenaar konden compromitteeren, dacht hij eraan ze bijeen te rapen,

ze 't venster uit te werpen en te begraven.

Hij wierp een blik op den tuin, en bij 't licht der maan zag hij

twee _guardia civiles_, die met een helper kwamen: de bajonetten en

de helmen glinsterden in de duisternis.

Toen vatte hij een besluit: hij stapelde kleeren en papieren midden in

't vertrek op, goot daar een petroleum-lamp op leeg, en stak alles

aan. Hij deed ijlings de wapens in zijn gordel, zag het portret van

Maria Clara, weifelde even...dan stak hij 't in een van de zakjes,

en 't een en ander meenemend, sprong hij het venster uit.

't Was hoog tijd: de _guardia civiles_ waren al bezig de deur in

te slaan...

"Laat ons naar boven, om beslag te leggen op de papieren van je

meneer!" zeide de politieman die erbij was.

"Heeft u er verlof toe? Anders komt u niet boven," zeide een oude man.

De soldaten duwden ze met kolfslagen op zij, liepen de trap op...maar

een dikke rook vulde het heele huis, en reusachtige vuurtongen kwamen

uit de voorzaal, likkend langs deuren en vensters.

"Brand! Brand!" riepen allen.

Een ieder ijlde toe, om te redden wat hij kon, maar 't vuur had

het kleine laboratorium reeds bereikt, en de brandbare stoffen

ontploften. De _guardias civiles_ moesten terug: de vuurgloed versperde

hun den weg loeiend en alles wat hij tegenkwam wegvagend. Tevergeefs

haalde men water uit de put. Allen schreeuwden, vroegen om hulp, maar

niemand kwam. Het vuur bereikte de overige vertrekken en verhief zich

ten hemel, dikke rookspiralen opstuwend. Reeds was het heele huis

een prooi der vlammen, de gloeiend heete wind wakkerde ze aan. Van

verre kwamen eenige landlieden aanloopen, doch ter plaatse aangekomen,

konden ze slechts den schrikkelijken brandstapel zien, de ondergang

van 't oude, zoo lang door de elementen gespaarde gebouw.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 60 / 70 题