XLVIII.

De familie van Elias.

"'t Zal zoowat zestig jaar geleden zijn dat mijn grootvader te Manila

woonde, en als boekhouder in een Spaansch handelshuis werkzaam was. Hij

was toen zeer jong, was getrouwd en had een zoon. Op een nacht, men

weet niet hoe, brandde het magazijn af, de brand deelde zich mee aan

't heele huis, en van dit aan andere gebouwen. De verliezen waren

ontelbaar, men zocht naar een schuldige, en de koopman beschuldigde

mijn grootvader. Tevergeefs kwam hij er tegen op, en, omdat hij arm

was, en dus geen beroemde advocaten kon betalen, werd hij veroordeeld

om in 't openbaar gegeeseld en door de straten van Manila rondgeleid

te worden.

"Nog niet lang geleden was deze onteerende straf nog in gebruik. 't

Volk noemde ze 'paard en koe,' en ze was duizendmaal erger dan

de dood. Mijn grootvader van iedereen verlaten, behalve van zijn

jonge vrouw, zag zich aan een paard vastgebonden, gevolgd door een

wreede menigte menschen, gegeeseld op iederen hoek van een straat,

ten aanzien van iedereen, van zijn broeders en in de nabijheid van de

ontelbare tempels van een Vredegod. Toen de ongelukkige--al voor altijd

onteerd--had voldaan aan de wraak van de menschen met zijn bloed, zijn

martelingen en zijn gegil, moesten ze hem van 't paard afhalen, want

hij was flauw gevallen. En God gave dat hij toen gestorven was! Met

een van die verfijnde wreedheden gaven ze hem de vrijheid. Zijn arme

vrouw, die toen zwanger was, bedelde tevergeefs van deur tot deur,

om werk of een aalmoes, om te kunnen zorgen voor haar zieken man of

haar ongelukkig kind. Och, wie heeft eenig vertrouwen in de vrouw

van een eerloozen brandstichter? Zijn vrouw moest zich dus aan de

prostitutie overgeven!"

Ibarra stond op van zijn bank.

"O, maak u niet ongerust! Prostitutie was geen schande meer voor haar,

evenmin voor baar man: eer en schaamte bestonden immers niet meer. De

man herstelde van zijn wonden, en ging zich met zijn vrouw en kind

verschuilen ergens in de bergen van deze provincie. Hier baarde

zijn vrouw een misvormd kind met allerlei ziekten, dat gelukkig

stierf. Hier woonden ze nog eenige maanden, ellendig, eenzaam,

gehaat en gevreesd bij een ieder. Daar mijn grootvader zijn ellende

niet verdragen kon, en hij minder moedig was dan zijn vrouw, hing hij

zich op, wanhopig als hij was zijn vrouw ziek en verstoken van alle

hulp en zorg te zien. Het lijk verging in 't gezicht van den zoon,

die zijn zieke moeder nauwelijks kon verzorgen, en de stank deed het

gerecht erachter komen.

"Mijn grootmoeder werd beschuldigd en veroordeeld, omdat ze geen

kennis had gegeven van 't overlijden. Men legde haar den dood van

haar man ten laste, en dit werd geloofd. Want, waartoe is niet de

vrouw van een ellendeling in staat, die ook nog publieke vrouw geweest

was? Als ze zweert, noemen ze haar meineedig, als ze schreit, zeggen

ze dat ze liegt, en als ze God aanroept, dat ze God lastert. Toch

hadden ze nog wat meegaandheid, en wachtten ze eerst haar bevalling

af, om haar daarna te geeselen. U weet dat de monniken het geloof

verbreiden, dat inlanders alleen met slaag kunnen behandeld worden:

leest u maar wat Padre Gaspar de San Agustin zegt.

"Als de vrouw veroordeeld wordt, zal ze den dag vervloeken waarop

haar kind geboren wordt, wat behalve het verlengen van de straf, een

verkrachting van moederlijke gevoelens is. Ongelukkigerwijze had de

vrouw een voorspoedige bevalling en kreeg ze--ook al een ongeluk--een

flinke zoon. Twee maanden later werd het vonnis voltrokken, tot

groote voldoening van de menschen, want zoo geloofden ze hun plicht

te vervullen. Al niet meer met rust gelaten in deze bergen, vluchtte

ze met haar twee zoons naar de naburige provincie. En daar leefden ze

als wilde beesten: hatend en gehaat. De oudste van de twee broers, zich

te midden van zooveel ellende zijn gelukkige kinderjaren herinnerend,

werd _toelisan_, zoodra hij zich daartoe krachtig genoeg voelde. 't

Duurde niet lang, of de bloeddorstige naam van _Balat_ verbreidde zich

van provincie tot provincie; hij was de schrik van de dorpen, want

in zijn wraak verdelgde hij alles te vuur en te zwaard. De jongste,

die van nature een goed hart had, had zich bij zijn lot en schande

neergelegd: hij leefde met zijn moeder van wat het bosch opleverde,

ze kleedden zich van de lompen die de voorgangers hun toewierpen. Zij

had haar naam verloren: men kende haar alleen bij de benamingen:

'veroordeelde, hoer, gegeeselde.' Hij was alleen bekend als de zoon

van zijn moeder, want om de zachtheid van zijn karakter hielden ze hem

niet voor een zoon van den brandstichter, en omdat men bij de inlanders

in zake zedelijkheid alles in twijfel kan trekken. Eindelijk viel de

beruchte _Balat_ op 'n dag in handen van 't gerecht, dat hem streng

rekenschap vroeg van zijn misdaden--het had niets gedaan om hem 't

goede te leeren. En op een morgen, toen de jonge man zijn moeder zocht,

die naar 't bosch was gegaan om paddestoelen te zoeken, en nog niet

terug was, vond hij haar lang uit op den grond, aan den kant van den

weg liggen, met haar gezicht naar de lucht, de oogen wijd opengespalkt

en strak, de vingers gekromd en in de aarde gewoeld, waar bloedvlekken

te zien waren. De jonge man kwam op 't idee zijn oogen op te slaan,

en den blik van 't lijk te volgen. En toen zag hij aan een tak een

man hangen, en aan dien man 't bloedige hoofd van zijn broer!"

"Groote God!" riep Ibarra.

"Dat kon mijn vader roepen!" ging Elias koeltjes voort. "De menschen

hadden den struikroover gevierendeeld, en de romp begraven, maar de

ledematen werden verspreid en in verschillende dorpen opgehangen. Als u

soms eens van Kalamba naar Santo Tomas gaat, zult u nog een armzalige

_lomboy_-boom aantreffen, waar een been van mijn oom aan heeft

gehangen: de natuur heeft hem vervloekt, en de boom groeit niet en

geeft geen vrucht. Hetzelfde hebben ze met de andere ledematen gedaan,

maar 't hoofd als 't beste van 't individu, als wat men het makkelijkst

herkent, dat hebben ze voor zijn moeders hut opgehangen!"

Ibarra boog het hoofd.

"De jonge man vluchtte als een gevloekte," ging Elias voort. "Hij

vluchtte van dorp tot dorp, over bergen en dalen, en toen hij zich

al onbekend achtte, trad hij als daglooner in dienst bij een rijk

man in de provincie Tabajas. Zijn werkzaamheid en de zachtheid van

zijn karakter verschaften hem de achting van allen die zijn verleden

niet kenden. Door hard werken en sparen kreeg hij een kapitaaltje

bijeen, en omdat de ellende voorbij en hij jong was, dacht hij aan

zijn geluk. Zijn aardig voorkomen, zijn jeugd en zijn eenigszins

welgestelde positie deden hem de liefde winnen van een meisje van

't dorp. Maar hij dorst haar hand niet te vragen, omdat hij bang was

dat dan zijn verleden bekend zou worden. De liefde vermocht meer,

en beiden vergaten zich. De man waagt er alles op om de eer van zijn

meisje te redden: hij vraagt haar ten huwelijk, men brengt de papieren

voor den dag, en alles komt uit. De vader van 't meisje was rijk,

en kreeg gedaan dat de man vervolgd werd. Hij trachtte zich niet

te verdedigen, bekende alles en werd verbannen naar een _presidio_

of dwangarbeiders-kolonie. Het jonge meisje bracht een jongen en

een meisje ter wereld, die in 't geheim werden gezoogd. Men liet

ze gelooven dat hun vader dood was, wat niet moeilijk was, want hun

moeder zagen ze ook, toen ze nog heel jong waren, heengaan, zoodat

ze er niet aan konden denken hun afkomst na te gaan. Doordat onze

grootvader rijk was, hadden we 't als kinderen zeer goed. Mijn zuster

en ik werden samen opgevoed. We hielden van elkaar, zooals alleen

tweelingen dat kunnen, die geen andere liefde kennen. Toen ik nog heel

jong was, ging ik op 't Jezuïeten College leeren, en mijn zuster ging,

om niet heelemaal van mij gescheiden te worden, naar de kostschool

van La Concordia. Toen onze korte schooltijd om was--want we wilden

niets anders zijn dan landbouwers--gingen we naar 't dorp terug,

om bezit te nemen van de erfenis van onzen grootvader. We leefden

eenigen tijd gelukkig, de toekomst lachte ons toe, we hadden veel

bedienden, onze velden gaven een goeden oogst, en mijn zuster was op

't punt juist om te gaan trouwen met een jongmensch dat ze aanbad,

en dat haar evenzeer lief had. Door geldkwesties, door mijn karakter,

dat toen trotsch was, raakte ik in onmin wet een verren verwante,

en eens op een dag slingerde hij mij mijn duistere geboorte en mijn

eerloozen afkomst in 't gezicht.

"Ik beweerde dat het laster was, en eischte voldoening. Het graf

waarin zooveel rottenis sluimerde, opende zich weer, en de waarheid

kwam voor den dag, om me te beschamen. Tot overmaat van ramp hadden

we sinds jaren een ouden knecht, die al mijn grillen verdroeg zonder

zich ooit te beklagen, en die zich vergenoegde met alleen maar te

schreien en te kermen onder 't gelach en den spot van de andere

bedienden. Ik weet niet hoe dat familielid erachter kwam: een feit

is 't dat hij dien ouden knecht voor 't gerecht liet dagen en hem de

waarheid deed verklaren. De oude knecht was onze vader, die met hart

en ziel verkleefd was aan zijn kinderen, en dien ik herhaalde malen

mishandeld had. Ons geluk was weg, ik deed afstand van ons fortuin,

mijn zuster verloor haar verloofde, en we vertrokken met onzen vader

uit het dorp, om hier of daar elders heen te gaan. De gedachte dat

hij tot ons ongeluk had bijgedragen verkortte het leven van den ouden

man. Van zijn lippen vernam ik 't heele droeve verleden.

"Mijn zuster en ik bleven alleen.

"Zij schreide veel, maar bij al de smart die over ons kwam, kon ze haar

liefde niet vergeten. Zonder te klagen, zonder een woord te zeggen,

zag ze haar vroegeren verloofde met een ander trouwen, en ik zag haar

langzamerhand zieker worden, zonder haar te kunnen troosten. Op een

dag verdween ze. Tevergeefs zocht ik haar overal, tevergeefs deed ik

overal navraag, totdat ik zes maanden later vernam dat men in dien

tijd, na een aanwas van 't meer, op 't strand van Kalamba tusschen het

riet het lijk van een jongmeisje gevonden had. Ze had, naar men zeide,

een mes in haar borst steken. De overheid van dat dorp liet de zaak in

de naburige dorpen bekend maken. Niemand had zich aangemeld, om het

lijk op te vragen, geen enkel jongmeisje zou er verdwenen zijn. Naar

de gegevens die ik later kreeg, naar de kleeren, de sieraden, het

mooie gezichtje, het zeer overvloedige haar, begreep ik dat het mijn

arme zuster moest geweest zijn. Van dien tijd af dool ik van de eene

provincie naar de andere. Mijn roep en mijn geschiedenis zijn in den

mond van velen. Men vertelt allerlei dingen van me, die ik gedaan zou

hebben; soms is 't laster, maar ik stoor me weinig aan de menschen,

en ga mijn gang.

"Daar heeft u in 't kort mijn geschiedenis, en de geschiedenis van

een geval van menschenrecht."

Elias zweeg, en ging voort met roeien.

"Ik begin te gelooven dat u geen ongelijk heeft," zei Crisóstomo zacht,

"wanneer u zegt dat de gerechtigheid het goede moest nastreven door

de belooning van de deugd en de opvoeding van de misdadigers. Alleen

maar... 't is onmogelijk, 't is een utopie; want waar moet al het

geld vandaan komen? Al de nieuwe beambten?"

"En waarvoor zijn dan de priesters die hun zending van vrede en

menschenliefde verkondigen? Zou 't verdienstelijker wezen het hoofd

van een kind met water te bevochtigen, het zout te eten te geven,

dan in 't verduisterde geweten van een misdadiger de vonk aan te

blazen die God ieder mensch heeft gegeven om 't goede te zoeken? Zou

't menschelijker wezen, een veroordeelde naar 't schavot te geleiden

dan hem te leiden langs 't moeilijke pad dat van de ondeugd naar de

deugd gaat? Worden er niet al spionnen, beulen en _guardias civiles_

betaald? Dat kost ook geld, en is nog smerig bovendien."

"Vriend, noch u noch ik zullen 't gedaan krijgen, al willen we 't ook."

"Alleen, ja, dan zijn we niets. Maar neem de zaak van 't volk op,

vereenig u met het volk, sla zijn klachten niet in den wind, geef

het goede voorbeeld aan de anderen, geef een denkbeeld van wat een

vaderland is!"

"Wat het volk vraagt, is een onmogelijkheid. We moeten afwachten."

"Afwachten, afwachten staat gelijk met lijden!"

"Als ik 't vroeg, zouden ze me uitlachen."

"En als 't volk u steunt?"

"Nooit! Ik zal nooit de man zijn die de menigte moet leiden om door

geweld gedaan te krijgen wat het bestuur niet geschikt acht. Nee! En

als ik eens die gewapende menigte zag, zou ik me aan de zijde van 't

bestuur scharen en ze bestrijden, want in die bende zou ik mijn volk

niet zien. Ik wil hun heil: daarvoor richt ik een school op. Ik zoek 't

te bereiken door 't onderwijs, door de trapsgewijze vooruitgang. Zonder

licht is er geen weg te vinden."

"Zonder strijd is er ook geen vrijheid!" antwoordde Elias.

"Maar zoo'n vrijheid wil ik niet!"

"Maar zonder vrijheid is er geen licht," hervatte de loods levendig.

"U zegt dat u uw land weinig kent. Ik geloof 't. U ziet de worsteling

niet die voorbereid wordt, u ziet de wolk aan den horizon niet. De

strijd begint in de sfeer van de denkbeelden, om dan naar de arena

af te dalen, die met bloed geverfd zal worden. Ik hoor Gods stem:

wee degenen die hem zullen tegenstreven! Voor hun is de geschiedenis

niet geschreven!"

Elias scheen geheel veranderd: staande, met ontbloot hoofd, had zijn

mannelijk gelaat, beschenen door de maan, iets buitengewoons. Hij

schudde zijn overvloedig haar, en ging voort:

"Ziet u dan niet hoe alles ontwaakt? De slaap heeft eeuwen geduurd,

maar eens viel de bliksemstraal, die vernielde, maar tot nieuw leven

riep. Van toen af werken er nieuwe stroomingen in de geesten, en

deze stroomingen, die nu gescheiden zijn, zullen zich eenmaal onder

Gods leiding vereenigen. God heeft de andere volken niet verzaakt,

hij zal evenmin ons verzaken: zijn zaak is de vrijheidszaak."

Een plechtige stilte volgde op deze woorden. Intusschen naderde de

_bangka_, onmerkbaar door de golven voortbewogen, den oever. Elias

was de eerste die de stilte verbrak.

"Wat moet ik zeggen aan degenen die me zenden?" vroeg hij, van toon

veranderend.

"Ik heb 't u al gezegd: dat ik hun toestand ten zeerste betreur,

maar dat ze moeten hopen en afwachten, want de misstanden worden

niet genezen door ander kwaad, en in ons ongeluk hebben we allen

mee schuld."

Elias gaf verder geen antwoord. Hij boog het hoofd, en ging door

met roeien. En aan den oever gekomen, nam hij afscheid van Ibarra,

zeggende:

"Ik dank u, meneer, voor de welwillendheid waarmee u wel naar me heeft

willen luisteren. In uw eigen belang verzoek ik u dat u voortaan

mij vergeet, en dat u me niet herkent, in welken toestand u me ook

mag aantreffen."

En dit gezegd hebbende, bracht hij de _bangka_ weer van den oever,

roeiend naar een boschje aan 't strand. Gedurende de lange overtocht

bleef hij zwijgen. Hij scheen niet anders te zien dan de duizenden

diamanten, die hij met zijn roeiriem uit het meer ophaalde en

weer daaraan teruggaf, waar ze geheimzinnig verdwenen tusschen de

donker-blauwe golven.

Eindelijk was hij aangekomen. Een man kwam te voorschijn uit het

boschje en trad op hem toe.

"Wat zal ik aan onzen hoofdman zeggen?" vroeg hij.

"Zeg hem dat Elias, als hij niet eerder sterft, zijn woord zal

nakomen," antwoordde hij droevig.

"Wanneer zal je je dan bij ons voegen?"

"Wanneer onze hoofdman meent dat het uur van gevaar gekomen is."

"Dat 's goed, vaarwel!"

"Als ik niet voor dien tijd dood ben," mompelde Elias.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 53 / 70 题