De familie van Elias.
"'t Zal zoowat zestig jaar geleden zijn dat mijn grootvader te Manila
woonde, en als boekhouder in een Spaansch handelshuis werkzaam was. Hij
was toen zeer jong, was getrouwd en had een zoon. Op een nacht, men
weet niet hoe, brandde het magazijn af, de brand deelde zich mee aan
't heele huis, en van dit aan andere gebouwen. De verliezen waren
ontelbaar, men zocht naar een schuldige, en de koopman beschuldigde
mijn grootvader. Tevergeefs kwam hij er tegen op, en, omdat hij arm
was, en dus geen beroemde advocaten kon betalen, werd hij veroordeeld
om in 't openbaar gegeeseld en door de straten van Manila rondgeleid
te worden.
"Nog niet lang geleden was deze onteerende straf nog in gebruik. 't
Volk noemde ze 'paard en koe,' en ze was duizendmaal erger dan
de dood. Mijn grootvader van iedereen verlaten, behalve van zijn
jonge vrouw, zag zich aan een paard vastgebonden, gevolgd door een
wreede menigte menschen, gegeeseld op iederen hoek van een straat,
ten aanzien van iedereen, van zijn broeders en in de nabijheid van de
ontelbare tempels van een Vredegod. Toen de ongelukkige--al voor altijd
onteerd--had voldaan aan de wraak van de menschen met zijn bloed, zijn
martelingen en zijn gegil, moesten ze hem van 't paard afhalen, want
hij was flauw gevallen. En God gave dat hij toen gestorven was! Met
een van die verfijnde wreedheden gaven ze hem de vrijheid. Zijn arme
vrouw, die toen zwanger was, bedelde tevergeefs van deur tot deur,
om werk of een aalmoes, om te kunnen zorgen voor haar zieken man of
haar ongelukkig kind. Och, wie heeft eenig vertrouwen in de vrouw
van een eerloozen brandstichter? Zijn vrouw moest zich dus aan de
prostitutie overgeven!"
Ibarra stond op van zijn bank.
"O, maak u niet ongerust! Prostitutie was geen schande meer voor haar,
evenmin voor baar man: eer en schaamte bestonden immers niet meer. De
man herstelde van zijn wonden, en ging zich met zijn vrouw en kind
verschuilen ergens in de bergen van deze provincie. Hier baarde
zijn vrouw een misvormd kind met allerlei ziekten, dat gelukkig
stierf. Hier woonden ze nog eenige maanden, ellendig, eenzaam,
gehaat en gevreesd bij een ieder. Daar mijn grootvader zijn ellende
niet verdragen kon, en hij minder moedig was dan zijn vrouw, hing hij
zich op, wanhopig als hij was zijn vrouw ziek en verstoken van alle
hulp en zorg te zien. Het lijk verging in 't gezicht van den zoon,
die zijn zieke moeder nauwelijks kon verzorgen, en de stank deed het
gerecht erachter komen.
"Mijn grootmoeder werd beschuldigd en veroordeeld, omdat ze geen
kennis had gegeven van 't overlijden. Men legde haar den dood van
haar man ten laste, en dit werd geloofd. Want, waartoe is niet de
vrouw van een ellendeling in staat, die ook nog publieke vrouw geweest
was? Als ze zweert, noemen ze haar meineedig, als ze schreit, zeggen
ze dat ze liegt, en als ze God aanroept, dat ze God lastert. Toch
hadden ze nog wat meegaandheid, en wachtten ze eerst haar bevalling
af, om haar daarna te geeselen. U weet dat de monniken het geloof
verbreiden, dat inlanders alleen met slaag kunnen behandeld worden:
leest u maar wat Padre Gaspar de San Agustin zegt.
"Als de vrouw veroordeeld wordt, zal ze den dag vervloeken waarop
haar kind geboren wordt, wat behalve het verlengen van de straf, een
verkrachting van moederlijke gevoelens is. Ongelukkigerwijze had de
vrouw een voorspoedige bevalling en kreeg ze--ook al een ongeluk--een
flinke zoon. Twee maanden later werd het vonnis voltrokken, tot
groote voldoening van de menschen, want zoo geloofden ze hun plicht
te vervullen. Al niet meer met rust gelaten in deze bergen, vluchtte
ze met haar twee zoons naar de naburige provincie. En daar leefden ze
als wilde beesten: hatend en gehaat. De oudste van de twee broers, zich
te midden van zooveel ellende zijn gelukkige kinderjaren herinnerend,
werd _toelisan_, zoodra hij zich daartoe krachtig genoeg voelde. 't
Duurde niet lang, of de bloeddorstige naam van _Balat_ verbreidde zich
van provincie tot provincie; hij was de schrik van de dorpen, want
in zijn wraak verdelgde hij alles te vuur en te zwaard. De jongste,
die van nature een goed hart had, had zich bij zijn lot en schande
neergelegd: hij leefde met zijn moeder van wat het bosch opleverde,
ze kleedden zich van de lompen die de voorgangers hun toewierpen. Zij
had haar naam verloren: men kende haar alleen bij de benamingen:
'veroordeelde, hoer, gegeeselde.' Hij was alleen bekend als de zoon
van zijn moeder, want om de zachtheid van zijn karakter hielden ze hem
niet voor een zoon van den brandstichter, en omdat men bij de inlanders
in zake zedelijkheid alles in twijfel kan trekken. Eindelijk viel de
beruchte _Balat_ op 'n dag in handen van 't gerecht, dat hem streng
rekenschap vroeg van zijn misdaden--het had niets gedaan om hem 't
goede te leeren. En op een morgen, toen de jonge man zijn moeder zocht,
die naar 't bosch was gegaan om paddestoelen te zoeken, en nog niet
terug was, vond hij haar lang uit op den grond, aan den kant van den
weg liggen, met haar gezicht naar de lucht, de oogen wijd opengespalkt
en strak, de vingers gekromd en in de aarde gewoeld, waar bloedvlekken
te zien waren. De jonge man kwam op 't idee zijn oogen op te slaan,
en den blik van 't lijk te volgen. En toen zag hij aan een tak een
man hangen, en aan dien man 't bloedige hoofd van zijn broer!"
"Groote God!" riep Ibarra.
"Dat kon mijn vader roepen!" ging Elias koeltjes voort. "De menschen
hadden den struikroover gevierendeeld, en de romp begraven, maar de
ledematen werden verspreid en in verschillende dorpen opgehangen. Als u
soms eens van Kalamba naar Santo Tomas gaat, zult u nog een armzalige
_lomboy_-boom aantreffen, waar een been van mijn oom aan heeft
gehangen: de natuur heeft hem vervloekt, en de boom groeit niet en
geeft geen vrucht. Hetzelfde hebben ze met de andere ledematen gedaan,
maar 't hoofd als 't beste van 't individu, als wat men het makkelijkst
herkent, dat hebben ze voor zijn moeders hut opgehangen!"
Ibarra boog het hoofd.
"De jonge man vluchtte als een gevloekte," ging Elias voort. "Hij
vluchtte van dorp tot dorp, over bergen en dalen, en toen hij zich
al onbekend achtte, trad hij als daglooner in dienst bij een rijk
man in de provincie Tabajas. Zijn werkzaamheid en de zachtheid van
zijn karakter verschaften hem de achting van allen die zijn verleden
niet kenden. Door hard werken en sparen kreeg hij een kapitaaltje
bijeen, en omdat de ellende voorbij en hij jong was, dacht hij aan
zijn geluk. Zijn aardig voorkomen, zijn jeugd en zijn eenigszins
welgestelde positie deden hem de liefde winnen van een meisje van
't dorp. Maar hij dorst haar hand niet te vragen, omdat hij bang was
dat dan zijn verleden bekend zou worden. De liefde vermocht meer,
en beiden vergaten zich. De man waagt er alles op om de eer van zijn
meisje te redden: hij vraagt haar ten huwelijk, men brengt de papieren
voor den dag, en alles komt uit. De vader van 't meisje was rijk,
en kreeg gedaan dat de man vervolgd werd. Hij trachtte zich niet
te verdedigen, bekende alles en werd verbannen naar een _presidio_
of dwangarbeiders-kolonie. Het jonge meisje bracht een jongen en
een meisje ter wereld, die in 't geheim werden gezoogd. Men liet
ze gelooven dat hun vader dood was, wat niet moeilijk was, want hun
moeder zagen ze ook, toen ze nog heel jong waren, heengaan, zoodat
ze er niet aan konden denken hun afkomst na te gaan. Doordat onze
grootvader rijk was, hadden we 't als kinderen zeer goed. Mijn zuster
en ik werden samen opgevoed. We hielden van elkaar, zooals alleen
tweelingen dat kunnen, die geen andere liefde kennen. Toen ik nog heel
jong was, ging ik op 't Jezuïeten College leeren, en mijn zuster ging,
om niet heelemaal van mij gescheiden te worden, naar de kostschool
van La Concordia. Toen onze korte schooltijd om was--want we wilden
niets anders zijn dan landbouwers--gingen we naar 't dorp terug,
om bezit te nemen van de erfenis van onzen grootvader. We leefden
eenigen tijd gelukkig, de toekomst lachte ons toe, we hadden veel
bedienden, onze velden gaven een goeden oogst, en mijn zuster was op
't punt juist om te gaan trouwen met een jongmensch dat ze aanbad,
en dat haar evenzeer lief had. Door geldkwesties, door mijn karakter,
dat toen trotsch was, raakte ik in onmin wet een verren verwante,
en eens op een dag slingerde hij mij mijn duistere geboorte en mijn
eerloozen afkomst in 't gezicht.
"Ik beweerde dat het laster was, en eischte voldoening. Het graf
waarin zooveel rottenis sluimerde, opende zich weer, en de waarheid
kwam voor den dag, om me te beschamen. Tot overmaat van ramp hadden
we sinds jaren een ouden knecht, die al mijn grillen verdroeg zonder
zich ooit te beklagen, en die zich vergenoegde met alleen maar te
schreien en te kermen onder 't gelach en den spot van de andere
bedienden. Ik weet niet hoe dat familielid erachter kwam: een feit
is 't dat hij dien ouden knecht voor 't gerecht liet dagen en hem de
waarheid deed verklaren. De oude knecht was onze vader, die met hart
en ziel verkleefd was aan zijn kinderen, en dien ik herhaalde malen
mishandeld had. Ons geluk was weg, ik deed afstand van ons fortuin,
mijn zuster verloor haar verloofde, en we vertrokken met onzen vader
uit het dorp, om hier of daar elders heen te gaan. De gedachte dat
hij tot ons ongeluk had bijgedragen verkortte het leven van den ouden
man. Van zijn lippen vernam ik 't heele droeve verleden.
"Mijn zuster en ik bleven alleen.
"Zij schreide veel, maar bij al de smart die over ons kwam, kon ze haar
liefde niet vergeten. Zonder te klagen, zonder een woord te zeggen,
zag ze haar vroegeren verloofde met een ander trouwen, en ik zag haar
langzamerhand zieker worden, zonder haar te kunnen troosten. Op een
dag verdween ze. Tevergeefs zocht ik haar overal, tevergeefs deed ik
overal navraag, totdat ik zes maanden later vernam dat men in dien
tijd, na een aanwas van 't meer, op 't strand van Kalamba tusschen het
riet het lijk van een jongmeisje gevonden had. Ze had, naar men zeide,
een mes in haar borst steken. De overheid van dat dorp liet de zaak in
de naburige dorpen bekend maken. Niemand had zich aangemeld, om het
lijk op te vragen, geen enkel jongmeisje zou er verdwenen zijn. Naar
de gegevens die ik later kreeg, naar de kleeren, de sieraden, het
mooie gezichtje, het zeer overvloedige haar, begreep ik dat het mijn
arme zuster moest geweest zijn. Van dien tijd af dool ik van de eene
provincie naar de andere. Mijn roep en mijn geschiedenis zijn in den
mond van velen. Men vertelt allerlei dingen van me, die ik gedaan zou
hebben; soms is 't laster, maar ik stoor me weinig aan de menschen,
en ga mijn gang.
"Daar heeft u in 't kort mijn geschiedenis, en de geschiedenis van
een geval van menschenrecht."
Elias zweeg, en ging voort met roeien.
"Ik begin te gelooven dat u geen ongelijk heeft," zei Crisóstomo zacht,
"wanneer u zegt dat de gerechtigheid het goede moest nastreven door
de belooning van de deugd en de opvoeding van de misdadigers. Alleen
maar... 't is onmogelijk, 't is een utopie; want waar moet al het
geld vandaan komen? Al de nieuwe beambten?"
"En waarvoor zijn dan de priesters die hun zending van vrede en
menschenliefde verkondigen? Zou 't verdienstelijker wezen het hoofd
van een kind met water te bevochtigen, het zout te eten te geven,
dan in 't verduisterde geweten van een misdadiger de vonk aan te
blazen die God ieder mensch heeft gegeven om 't goede te zoeken? Zou
't menschelijker wezen, een veroordeelde naar 't schavot te geleiden
dan hem te leiden langs 't moeilijke pad dat van de ondeugd naar de
deugd gaat? Worden er niet al spionnen, beulen en _guardias civiles_
betaald? Dat kost ook geld, en is nog smerig bovendien."
"Vriend, noch u noch ik zullen 't gedaan krijgen, al willen we 't ook."
"Alleen, ja, dan zijn we niets. Maar neem de zaak van 't volk op,
vereenig u met het volk, sla zijn klachten niet in den wind, geef
het goede voorbeeld aan de anderen, geef een denkbeeld van wat een
vaderland is!"
"Wat het volk vraagt, is een onmogelijkheid. We moeten afwachten."
"Afwachten, afwachten staat gelijk met lijden!"
"Als ik 't vroeg, zouden ze me uitlachen."
"En als 't volk u steunt?"
"Nooit! Ik zal nooit de man zijn die de menigte moet leiden om door
geweld gedaan te krijgen wat het bestuur niet geschikt acht. Nee! En
als ik eens die gewapende menigte zag, zou ik me aan de zijde van 't
bestuur scharen en ze bestrijden, want in die bende zou ik mijn volk
niet zien. Ik wil hun heil: daarvoor richt ik een school op. Ik zoek 't
te bereiken door 't onderwijs, door de trapsgewijze vooruitgang. Zonder
licht is er geen weg te vinden."
"Zonder strijd is er ook geen vrijheid!" antwoordde Elias.
"Maar zoo'n vrijheid wil ik niet!"
"Maar zonder vrijheid is er geen licht," hervatte de loods levendig.
"U zegt dat u uw land weinig kent. Ik geloof 't. U ziet de worsteling
niet die voorbereid wordt, u ziet de wolk aan den horizon niet. De
strijd begint in de sfeer van de denkbeelden, om dan naar de arena
af te dalen, die met bloed geverfd zal worden. Ik hoor Gods stem:
wee degenen die hem zullen tegenstreven! Voor hun is de geschiedenis
niet geschreven!"
Elias scheen geheel veranderd: staande, met ontbloot hoofd, had zijn
mannelijk gelaat, beschenen door de maan, iets buitengewoons. Hij
schudde zijn overvloedig haar, en ging voort:
"Ziet u dan niet hoe alles ontwaakt? De slaap heeft eeuwen geduurd,
maar eens viel de bliksemstraal, die vernielde, maar tot nieuw leven
riep. Van toen af werken er nieuwe stroomingen in de geesten, en
deze stroomingen, die nu gescheiden zijn, zullen zich eenmaal onder
Gods leiding vereenigen. God heeft de andere volken niet verzaakt,
hij zal evenmin ons verzaken: zijn zaak is de vrijheidszaak."
Een plechtige stilte volgde op deze woorden. Intusschen naderde de
_bangka_, onmerkbaar door de golven voortbewogen, den oever. Elias
was de eerste die de stilte verbrak.
"Wat moet ik zeggen aan degenen die me zenden?" vroeg hij, van toon
veranderend.
"Ik heb 't u al gezegd: dat ik hun toestand ten zeerste betreur,
maar dat ze moeten hopen en afwachten, want de misstanden worden
niet genezen door ander kwaad, en in ons ongeluk hebben we allen
mee schuld."
Elias gaf verder geen antwoord. Hij boog het hoofd, en ging door
met roeien. En aan den oever gekomen, nam hij afscheid van Ibarra,
zeggende:
"Ik dank u, meneer, voor de welwillendheid waarmee u wel naar me heeft
willen luisteren. In uw eigen belang verzoek ik u dat u voortaan
mij vergeet, en dat u me niet herkent, in welken toestand u me ook
mag aantreffen."
En dit gezegd hebbende, bracht hij de _bangka_ weer van den oever,
roeiend naar een boschje aan 't strand. Gedurende de lange overtocht
bleef hij zwijgen. Hij scheen niet anders te zien dan de duizenden
diamanten, die hij met zijn roeiriem uit het meer ophaalde en
weer daaraan teruggaf, waar ze geheimzinnig verdwenen tusschen de
donker-blauwe golven.
Eindelijk was hij aangekomen. Een man kwam te voorschijn uit het
boschje en trad op hem toe.
"Wat zal ik aan onzen hoofdman zeggen?" vroeg hij.
"Zeg hem dat Elias, als hij niet eerder sterft, zijn woord zal
nakomen," antwoordde hij droevig.
"Wanneer zal je je dan bij ons voegen?"
"Wanneer onze hoofdman meent dat het uur van gevaar gekomen is."
"Dat 's goed, vaarwel!"
"Als ik niet voor dien tijd dood ben," mompelde Elias.