XLVII.

De stem der vervolgden.

Voordat de zon onder was zette Ibarra den voet in Elias' _bangka_,

aan den oever van 't meer. De jongeman scheen ontstemd.

"Vergeeft u me, meneer," zeide Elias met zekere droefheid, toen hij

hem gewaar werd. "Vergeeft u me, dat ik me veroorloofd heb u hier te

laten komen: ik wilde u in volle vrijheid spreken, en hier zullen we

geen getuigen hebben.

"Binnen een uur kunnen we terug zijn."

"U vergist u, vriend Elias," antwoordde Ibarra en trachtte te

glimlachen. "U zal me moeten brengen naar dat dorp daar, waarvan we

hier den klokketoren kunnen zien. Het noodlot dwingt me ertoe."

"Het noodlot?"

"Ja. Verbeeld u dat ik, hierheen komende, den _alférez_ ontmoette,

die met alle geweld me zijn gezelschap wilde aanbieden. Ik die aan

u dacht, en wist dat hij u kende, heb, om hem weg te krijgen, gezegd

dat ik naar dat dorp ging, waar ik den heelen dag zal moeten wezen,

want de man wil me morgen middag daar komen halen."

"Ik ben u erkentelijk voor die attentie, maar u had hem eenvoudig

moeten uitnoodigen, om mee te gaan," antwoordde Elias heel gewoontjes.

"Hoe zoo! En u dan?"

"Hij zou me niet herkend hebben, want den eenigen keer dat hij me

gezien heeft, kon hij er niet aan denken om mijn persoonlijkheid vast

te stellen."

"Ik ben er ellendig aan toe!" zuchtte Ibarra, aan Maria Clara

denkend. "En wat had u me te zeggen?"

Elias keek om zich heen. Ze waren reeds ver van den oever; de zon was

ondergegaan, en, daar er op die breedte nauwelijks schemering is,

begonnen de schaduwen zich uit te breiden, en deden den maneschijn

in volle pracht schitteren.

"Meneer," hervatte Elias op diep-ernstigen toon, "ik ben de drager

van de wenschen van veel ongelukkigen."

"Van ongelukkigen? Wat wilt u zeggen?"

Elias vertelde in enkele woorden het gesprek dat hij gehad had met

het opperhoofd der _toelisan's_, doch sloeg daarbij diens weifelingen

en bedreigingen over. Ibarra luisterde aandachtig naar hem, en toen

Elias zijn verhaal geëindigd had, heerschte er een lang stilzwijgen,

dat Ibarra het eerst verbrak:

"Dus wenschen ze.....?"

"Radikale hervormingen in de gewapende macht, in de geestelijkheid,

in de rechtsbedeeling, dat wil zeggen, ze vragen een vaderlijken blik

van de zijde van 't bestuur."

"Hervormingen in welke beteekenis?"

"Bijvoorbeeld: meer eerbied voor de menschelijke waardigheid, meer

veiligheid voor lijf en goed, minder macht bij de toch al gewapende

macht, minder voorrechten voor zulk een lichaam, dat er gemakkelijk

misbruik van maakt."

"Elias," antwoordde de jongeman, "ik weet niet wie u bent, maar ik

raad dat u geen alledaagsch mensch bent. U denkt en werkt anders dan

de andere menschen. U zult me begrijpen, als ik u zeg, dat, al is de

tegenwoordige toestand ook gebrekkig, hij nog erger zou worden als

hij veranderde. Ik zou de vrienden die ik in Madrid heb, kunnen laten

spreken, 'door ze te betalen,' ik zou met den _capitan general_ kunnen

spreken, maar zij zouden niets bereiken, en de _capitan general_ heeft

niet zooveel macht om zooveel nieuwigheden in te voeren. En ik zou

evenmin een stap in die richting doen, omdat ik heel goed begrijp dat,

al is 't waar dat die corporaties hun gebreken hebben, ze tegenwoordig

noodig zijn: ze zijn wat men noemt een 'noodzakelijk kwaad.'"

Elias hief het hoofd op, en keek hem verbaasd aan.

"Gelooft u ook al in 't noodzakelijk kwaad, meneer?" vroeg hij

met eenigszins bevende stem. "Gelooft u dat men, om goed te doen,

't kwade _moet_ doen?"

"Nee. Ik geloof erin als in een gewelddadig middel waarvan we ons

bedienen, wanneer we een ziekte willen genezen. Nu goed, 't land is een

organisme dat aan een slepende ziekte lijdt, en om het te genezen, ziet

het bestuur zich genoodzaakt van middelen gebruik te maken, die hard en

gewelddadig mogen wezen, maar niettemin nuttig en noodzakelijk zijn."

"'t Is een slechte dokter, meneer, die alleen maar tracht de

verschijnselen te verbeteren en ze te onderdrukken, zonder dat hij de

oorzaak van de kwaal tracht na te gaan, of, als hij die kent, bang

is die aan te grijpen. De _guardia civil_heeft alleen maar dit eene

doel: onderdrukking van de misdaad door schrik en geweld, een doel,

dat alleen maar bij toeval bereikt wordt. En men moet zich wel bewust

zijn, dat alleen die maatschappij streng mag wezen tegen de individuen,

die haar de noodige middelen voor haar zedelijke verheffing gegeven

heeft. Aangezien er in ons land geen maatschappij is--want volk

en bestuur vormen geen eenheid--moet het bestuur toegevend zijn,

niet alleen omdat het toegevendheid noodig heeft, maar omdat het

lid van die maatschappij dat door 't bestuur verwaarloosd en in

den steek gelaten wordt, minder verlicht is. Bovendien, als men uw

vergelijking volgt, is de behandeling die men op de kwalen van het land

toepast zoo verwoestend, dat die zich alleen laat voelen in 't gezonde

gestel, waarvan het de levenskracht verzwakt en voor de kwaal vatbaar

maakt. Zou het niet verstandiger wezen het zieke gestel te versterken,

en de gewelddadigheid van het geneesmiddel wat te temperen?"

"De _guardia civil_ verzwakken zou 't zelfde wezen als de veiligheid

in de dorpen in gevaar te brengen."

"De veiligheid in de dorpen!" riep Elias op bitteren toon. "'t Zal

gauw vijftien jaar zijn dat die dorpen hun _guardia civil_ hebben. En

zie nu 's: we hebben nòg _toelisan's_, nòg hooren we van plunderingen

van dorpen, nòg komt struikrooverij voor. De diefstallen gaan voort,

en de daders worden niet gevonden. De misdaad bestaat, en de echte

misdadiger waart vrij rond; maar niet de vreedzame dorpeling. Vraagt

u maar 's aan ieder fatsoenlijk dorpsbewoner, of hij die instelling

voor iets goeds houdt, een bescherming van 't bestuur, en niet voor

een opgelegd iets, een dwingelandij waarvan de buitensporigheden

meer kwaad doen dan de gewelddaden van de misdadigers. Die laatste

zijn werkelijk groot, maar ze zijn zeldzaam, en daarentegen is men

gerechtigd zich te verdedigen. Tegen de knevelarijen van 't wettig

gezag wordt zelfs geen protest geduld, en al zijn ze niet zoo groot,

ze zijn toch aanhoudend en gesanktioneerd."

"Wat werkt die instelling uit in 't leven op onze dorpen? Ze verlamt

het verkeer, omdat iedereen bang is, om allerlei nietigheden te

worden lastig gevallen. Ze is meer gevestigd op formaliteiten dan op

't wezen van de zaken zelf, 't eerste kenteeken van onmacht. Omdat

iemand zijn pas niet bij zich heeft, moet hij gebonden en mishandeld

worden. 't Doet er niet toe, of het een fatsoenlijk en geacht man

is. De chefs houden 't voor hun eerste plicht zich te laten groeten,

goedschiks of kwaadschiks, zelfs in 't duister van den nacht, waarin

ze nageaapt worden door de ondergeschikten, om de buitenmenschen te

mishandelen en te berooven. En voorwendsels ontbreken hun niet. De

onschendbaarheid van 't eigen huis bestaat niet: onlangs nog overvielen

ze te Kalamba door het raam het huis van een vreedzaam bewoner, aan

wien de chef verplichting had. Veiligheid van persoon is er niet:

wanneer ze de kazerne of hun huis moeten schoon hebben, gaan ze erop

uit en houden iedereen die geen weerstand biedt aan, om hem den heele

dag te laten werken. Wilt u meer? Nu dan, gedurende de feesten die we

gehad hebben zijn de verboden spelen doorgegaan, maar de geoorloofde

vermakelijkheden, die hebben ze onhebbelijk verstoord. U heeft gezien

hoe 't volk over hun dacht. Wat heeft het hun gebaat, dat ze hun drift

bedwongen hebben, en op de rechtvaardigheid van de menschen hopen? Och,

meneer, als u dat de orde handhaven noemt!..."

"Ik erken dat er misbruiken zijn," hervatte Ibarra, "maar laten we

die aanvaarden voor al 't goede dat er ook is. Deze instelling mag

gebrekkig wezen, maar, geloof me, ze belet door den schrik die ze

inboezemt het toenemen van misdadigers."

"Zegt u liever dat door dien schrik het aantal misdadigers

vermeerdert," verbeterde Elias. "Voor de instelling van

dat lichaam waren bijna alle misdadigers--met zeer weinig

uitzonderingen--boosdoeners door honger: ze plunderden en roofden om te

kunnen leven. Maar nauwelijks was de duurte voorbij, of de wegen waren

weer vrij van roovers. De arme, maar dappere dorpswachtlieden--de

_cuadrillero's_--met hun gebrekkige wapens, waren voldoende om ze

op de vlucht te jagen. Toch zijn ze zoo belasterd door menschen

die over 't land geschreven hebben, de stumpers, die als recht

hadden te mogen sterven, als plicht te vechten, en als belooning

uitgelachen te worden. Nu zijn er _toelisan's_, en die blijven

't hun heele leven. Een misstap, een misdaad die op onmenschelijke

wijze gestraft is, de weerstand tegen de buitensporigheden van die

macht, vrees voor verschrikkelijke folteringen, dat drijft deze voor

altijd uit de samenleving en veroordeelt ze om of te moorden of te

sterven. Het schrikbewind van de _guardia civil_ sluit hun de deur

voor berouw. En aangezien een _toelisan_ in de bergen beter vecht

en zich verdedigt dan een soldaat, waar hij om lacht, volgt daaruit

dat we niet in staat zijn het kwaad uit te roeien, dat we zelf

in de wereld gebracht hebben. Denkt u, aan wat 't wijs beleid van

gouverneur de la Torre uitgewerkt heeft: de kwijtschelding van straf,

die hij aan die ongelukkigen gegeven heeft, bewees dat er daar in

die bergen nog een hart klopte in de menschen, dat ze alleen hoopten

op vergiffenis. Zoo'n schrikbewind is nuttig, als het volk slaaf is,

wanneer de bergen geen holen hebben, wanneer het gezag achter elke

boom een schildwacht zet, en wanneer het lichaam van de slaaf alleen

maar maag en ingewanden heeft. Maar wanneer zoo'n wanhopige, die vecht

voor zijn leven, voelt dat zijn arm sterk is, zijn hart klopt en zijn

heele wezen vol gal loopt, zou dan een schrikbewind den brand kunnen

blusschen bij dengeen die zelf de brandstof levert?"

"U brengt me aan 't wankelen, Elias. Ik zou waarlijk gaan gelooven

dat u gelijk had, als ik niet mijn eigen overtuigingen had. Maar let

op een feit--u hoeft dat niet kwalijk te nemen, want ik sluit u uit

en beschouw u als een uitzondering: Wie zijn de menschen die zulke

hervormingen wenschen? Bijna allemaal misdadigers of menschen die op

't punt staan om 't te worden!"

"Misdadigers of aanstaande misdadigers, maar waarom zijn ze 't? Omdat

men hun den vrede verstoord heeft, het geluk afgeroofd, hun gekwetst

heeft in hun dierbaarste neigingen; en toen ze bescherming vroegen

bij de justitie, hebben ze de overtuiging gekregen dat ze die

alleen van zichzelf konden verwachten. Maar u vergist u, meneer,

als u denkt dat alleen misdadigers die hervormingen vragen. Gaat u

maar van dorp tot dorp, van huis tot huis, luistert u maar 's naar

de zuchten van de gezinnen, en u zal u overtuigen, dat de kwalen

die de _guardia civil_ herstelt, gelijk, zoo niet minder erg zijn,

dan die ze voortdurend veroorzaakt. Moeten we daaruit besluiten,

dat al de dorpsmenschen misdadigers zijn? Waartoe ze dan tegen de

anderen te verdedigen? Waarom ze dan niet allemaal uitgeroeid?"

"Er is hier een misvatting, die me op 't oogenblik ontgaat, de een

of andere fout in de theorie die door de praktijk te niet gedaan

wordt, want in Spanje, in 't vaderland, bewijst dat korps goede

diensten--heeft dat vroeger ook gedaan."

"Ik twijfel er niet aan: misschien is 't daar beter ingericht, het

personeel beter gekozen. Misschien ook omdat Spanje het noodig heeft,

de Filippijnen niet. Onze zeden, onze wijze van zijn, waar men zich

altijd op beroept, wanneer men ons een recht wil ontzeggen, worden

geheel uit 't oog verloren, wanneer men ons iets wil opleggen. En

zegt u me 's, meneer: waarom hebben de andere volken deze instelling

niet ingevoerd, die door hun naburigheid met Spanje er meer op

moesten lijken dan de Filippijnen? Zou 't daarom wezen dat ze minder

diefstallen op hun spoorwegen, minder moorden hebben, en men elkaar

op de groote hoofdplaatsen minder dolksteken geeft?"

Ibarra boog het hoofd als in gedachten, dan richtte hij het op en

antwoordde:

"Dit vraagstuk, mijn vriend, eischt een ernstige studie. Als mijn

nasporingen me zeggen dat die klachten gegrond zijn, zal ik aan

mijn vrienden in Madrid schrijven, aangezien we geen afgevaardigden

hebben. Geloof intusschen dat het bestuur een korps noodig heeft met

een onbeperkte macht, om zich te doen eerbiedigen, en een gezag om

den noodigen indruk te maken."

"Dat moet zoo wezen, meneer, wanneer het bestuur in oorlog is met

het land. Maar, ten bestwil van 't bestuur, moeten we 't volk niet

doen gelooven dat het weerstand biedt aan 't gezag. En al was 't zoo,

als we macht boven prestige verkozen, moesten we wel goed toezien,

aan wie we die onbeperkte macht geven. Zooveel macht in handen van

domme mannen, beheerscht door hartstochten zonder zedelijke opvoeding,

zonder beproefde eerlijkheid, is een wapen in de handen van een gek

onder een weerlooze menigte. Ik geef toe, en wil met u gelooven, dat

het bestuur dien arm noodig heeft: nu, laat het dan dien arm goed

kiezen, laat het de waardigsten ervoor uitkiezen. En aangezien het

liever zichzelf gezag geeft dan dat het volk het dat zou toestaan,

moet het ten minste toonen, dat het zich dat gezag weet te geven."

Elias sprak hartstochtelijk, met geestdrift. Zijn oogen schitterden,

en de klank van zijn stem had iets trillends. Er volgde een plechtige

stilte: de _bangka_, niet door de riemen voortbewogen, scheen rustig op

't water te blijven liggen. De maan scheen met heerlijken glans in een

saffieren hemel. Enkele lichtjes ontvonkten in de verte op den oever.

"En wat vragen ze meer?" vroeg Ibarra.

"Hervorming van 't priesterschap," antwoordde Elias op ontmoedigden,

droeven toon. "De ongelukkigen vragen meer bescherming tegen..."

"Tegen de geestelijke orden?"

"Tegen hun onderdrukkers, meneer."

"Zouden de Filippijnen vergeten zijn wat ze aan die orden te danken

hebben? Zouden ze de ontzaglijke schuld van dankbaarheid vergeten zijn

aan degenen die ze onttrokken hebben aan de dwaling, om hun 't geloof

te geven, aan hen die ze hebben beschermd tegen de buitensporigheden

van het burgerlijk bestuur? Dat komt ervan, als men de geschiedenis

van zijn land niet kent!"

Elias was verbaasd, en kon nauwelijks geloof slaan aan wat hij hoorde.

"Meneer," hervatte hij op ernstigen toon, "u beschuldigde het volk

van ondankbaarheid: veroorlooft u mij, een uit dat volk, dat ik het

verdedig. Gunsten die men aandoet, moeten, om recht op erkentelijkheid

te hebben, belangeloos zijn. Laten we de zending erbuiten laten,

ook de christelijke liefdadigheid, waar zoo mee gesold wordt. Laten

we ook niet spreken van de geschiedenis, laten we niet vragen wat

Spanje gedaan heeft met de Joden, het volk dat aan heel Europa een

boek, een godsdienst en een God gegeven heeft. Wat heeft het met

de Arabieren gedaan, het volk dat het een beschaving geschonken

heeft, verdraagzaam is geweest met zijn godsdienst, en dat zijn

nationaal bewustzijn heeft opgewekt, een bewustzijn dat onder de

romeinsche en gotische overheersching ingeslapen, ja bijna dood

was? U zegt dat ze ons het geloof gegeven en ons uit de dwaling

hebben verlost. Noemt u die uiterlijke praktijken geloof, noemt u

dien handel in riempjes en schapulieren godsdienst, of die wonderen

en vertelsels, die we dagelijks te hooren krijgen, waarheid? Is

dat de wet van Jezus Christus? Daarvoor hoefde een God zich niet

te laten kruisigen, en wij ons niet te verplichten tot een eeuwige

dankbaarheid: bijgeloof bestond lang te voren, ze hoefde alleen maar

wat mooier gemaakt en de prijs van de koopwaar wat hooger gesteld

te worden. U zult me zeggen, dat, hoe gebrekkig de godsdienst die

we nu hebben ook moge wezen, hij toch te verkiezen is boven dien we

hadden. Ik geloof het en ben 't eens, maar hij is te duur gekocht,

want daarvoor hebben we afstand gedaan van onze nationaliteit en onze

onafhankelijkheid. Daarvoor hebben we aan zijn priesters onze beste

dorpen gegeven, onze velden, en zelfs geven we onze spaarpenningen

voor 't aankoopen van godsdienstige voorwerpen. Men heeft bij ons een

artikel van buitenlandsche nijverheid ingevoerd, we betalen er goed

voor, en we leven in vrede. Als u me spreekt van de bescherming tegen

de _encomendero's_, [47] zou ik u kunnen antwoorden dat we door hen

juist onder de macht van die _encomendero's_ zijn gevallen. Maar nee,

ik erken dat een waarachtig geloof en een waarachtige menschenliefde

onze eerste zendelingen leidde, toen ze naar onze stranden kwamen. Ik

erken de schuld van dankbaarheid jegens die edele harten. Ik weet

dat het Spanje van toen overvloed van helden in alle standen telde,

zoowel in 't godsdienstige als in 't politieke, in 't burgerlijke en

in 't militaire. Maar omdat de voorouders deugdzaam waren, zouden

we daarom nu misbruiken in hun ontaarde afstammelingen maar moeten

dulden? Omdat men ons een groote weldaad heeft aangedaan, zouden we

nu schuldig zijn, door te beletten, dat men ons kwaad doet? Het land

vraagt geen afschaffing, 't vraagt alleen hervormingen die de nieuwe

omstandigheden en nieuwe behoeften vereischen."

"Ik heb mijn vaderland lief, zooals u 't ook lief kan hebben,

Elias. Ik begrijp eenigszins wat u verlangt. Ik heb met aandacht

aangehoord wat u gezegd heeft, en alles wel beschouwd, geloof ik dat

we de dingen met hartstocht-oogen zien. Hier minder dan elders zie

ik de noodzakelijkheid van hervormingen in."

"Is 't mogelijk, meneer?" vroeg Elias, de handen ontmoedigd

uitstrekkend. "Ziet u de noodzakelijkheid van hervormingen niet in,

u wiens familie-rampen?..."

"O, ik vergeet mezelf en vergeet mijn eigen narigheid waar het

de veiligheid in de Filippijnen, waar 't de belangen van Spanje

geldt!" viel Ibarra levendig in.

"Om de Filippijnen te behouden is het noodig dat de _frailes_ voortgaan

zooals ze nu doen, en in de vereeniging met Spanje ligt het heil voor

ons land."

Ibarra had uitgesproken, en Elias luisterde nog. Zijn gelaat stond

droef, zijn oogen hadden hun glans verloren.

"De zendelingen hebben 't land veroverd, dat is waar," hervatte

hij. "Gelooft u dat de Filippijnen door de _frailes_ behouden zullen

worden?"

"Ja, alleen door hen, zoo gelooft iedereen het die over de Filippijnen

geschreven heeft."

"O!" riep Elias uit, terwijl hij ontmoedigd de riem in de _bangka_

neersmeet. "Ik dacht niet dat u zoo'n min idee had van 't bestuur en

van 't land. Waarom veracht u allebei niet? Wat zou u zeggen van een

gezin dat alleen in vrede leeft door tusschenkomst van een vreemde? Een

land dat gehoorzaamt, omdat men het bedriegt, een bestuur dat gebiedt,

omdat het gebruik maakt van dat bedrog, een bestuur dat zelf niet in

staat is zich bemind te maken noch zich te doen eerbiedigen! Vergeeft u

me meneer, maar ik geloof dat uw bestuur dom en zelfmoordend optreedt,

als het werkelijk zich verheugt dat men zoo denkt. Ik dank u intusschen

voor uw vriendelijkheid. Waar wilt u dat ik u heen zal brengen?"

"Nee," hervatte Ibarra, "we zijn aan 't redetwisten, we moeten weten

wie er gelijk heeft in zulk een gewichtige aangelegenheid."

"Verschoon me, meneer," antwoordde Elias 't hoofd schuddend, "ik ben

niet welsprekend genoeg om u te overtuigen. Al heb ik wat opvoeding

genoten, ik ben een inlander, mijn leven is voor u twijfelachtig,

en mijn woorden zullen u altijd verdacht voorkomen. Zij die 't

tegenovergestelde beweerd hebben zijn Spanjaarden, en als zoodanig--al

zeggen ze ook gemeenplaatsen of onnoozelheden--geven hun toon,

hun titels en hun afkomst hun zooveel gezag, dat ik er voorgoed van

moet afzien ze tegen te spreken. Bovendien, wanneer ik zie dat u,

die uw land liefheeft, u, wiens vader rust onder deze kalme golven,

u, die u hebt zien tarten, beleedigen en vervolgen, wanneer _u_

nog zulke meeningen blijft aanhangen, in weerwil van alles en van uw

hooge beschaving, dan begin ik te twijfelen aan mijn overtuigingen,

en neem ik de mogelijkheid aan dat het volk zich vergist. Ik moet

die ongelukkige menschen die hun vertrouwen op andere menschen

gesteld hebben, nu zeggen dat ze alleen op God en hun eigen arm

moeten bouwen. Ik dank u nog eens, en wacht uw order, waarheen ik u

brengen moet."

"Elias, uw bittere woorden gaan me ter harte, en brengen mij ook

in twijfel. Wat zal ik u zeggen? Ik ben niet te midden van 't volk

opgevoed, en ik ken misschien zijn behoeften niet. Ik heb mijn jeugd

in de Jezuïetenschool doorgebracht. Ik ben opgegroeid in Europa,

ik heb me gevormd door boeken, en ik heb alleen kunnen lezen wat de

menschen aan 't licht hebben kunnen brengen: wat in 't duister blijft,

wat de schrijvers niet zeggen, dat is mij onbekend. En toch heb ik

evenals u ons vaderland lief, niet alleen omdat het ieders plicht is

het land lief te hebben waaraan hij zijn bestaan dankt, en waaraan

hij misschien ook zijn laatste toevlucht zal verschuldigd zijn; niet

alleen omdat mijn vader 't me zoo geleerd heeft, omdat mijn moeder eene

inlandsche was, en omdat al mijn mooiste herinneringen daar leven; ik

heb 't bovendien lief omdat ik daaraan mijn geluk dank en zal danken!"

"En ik omdat ik het mijn ongeluk dank!" mompelde Elias.

"Ja, vriend, ik weet dat u lijdt, u is ongelukkig, en dat doet

u de toekomst donker inzien, en heeft invloed op uw manier van

denken. Daarom luister ik met zeker voorbehoud naar uw klachten. Als

ik de drijfveeren kon waardeeren, een deel van dat verleden..."

"Mijn ongeluk erkent een anderen oorsprong. Als ik wist dat het

verhaal ervan eenig nut kon aanbrengen, zou ik 't u doen, want,

daargelaten dat ik er heelemaal geen geheim van maak, is het ook wel

bij vrij veel menschen bekend."

"Misschien dat ik mijn oordeelvellingen zal wijzigen, wanneer ik

het weet. Ik hoef u niet meer te zeggen dat ik meer op feiten dan op

theorieën afga."

Elias zweeg eenige oogenblikken.

"In dat geval, meneer," hervatte hij, "zal ik u in 't kort mijn

geschiedenis vertellen."

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 52 / 70 题