De stem der vervolgden.
Voordat de zon onder was zette Ibarra den voet in Elias' _bangka_,
aan den oever van 't meer. De jongeman scheen ontstemd.
"Vergeeft u me, meneer," zeide Elias met zekere droefheid, toen hij
hem gewaar werd. "Vergeeft u me, dat ik me veroorloofd heb u hier te
laten komen: ik wilde u in volle vrijheid spreken, en hier zullen we
geen getuigen hebben.
"Binnen een uur kunnen we terug zijn."
"U vergist u, vriend Elias," antwoordde Ibarra en trachtte te
glimlachen. "U zal me moeten brengen naar dat dorp daar, waarvan we
hier den klokketoren kunnen zien. Het noodlot dwingt me ertoe."
"Het noodlot?"
"Ja. Verbeeld u dat ik, hierheen komende, den _alférez_ ontmoette,
die met alle geweld me zijn gezelschap wilde aanbieden. Ik die aan
u dacht, en wist dat hij u kende, heb, om hem weg te krijgen, gezegd
dat ik naar dat dorp ging, waar ik den heelen dag zal moeten wezen,
want de man wil me morgen middag daar komen halen."
"Ik ben u erkentelijk voor die attentie, maar u had hem eenvoudig
moeten uitnoodigen, om mee te gaan," antwoordde Elias heel gewoontjes.
"Hoe zoo! En u dan?"
"Hij zou me niet herkend hebben, want den eenigen keer dat hij me
gezien heeft, kon hij er niet aan denken om mijn persoonlijkheid vast
te stellen."
"Ik ben er ellendig aan toe!" zuchtte Ibarra, aan Maria Clara
denkend. "En wat had u me te zeggen?"
Elias keek om zich heen. Ze waren reeds ver van den oever; de zon was
ondergegaan, en, daar er op die breedte nauwelijks schemering is,
begonnen de schaduwen zich uit te breiden, en deden den maneschijn
in volle pracht schitteren.
"Meneer," hervatte Elias op diep-ernstigen toon, "ik ben de drager
van de wenschen van veel ongelukkigen."
"Van ongelukkigen? Wat wilt u zeggen?"
Elias vertelde in enkele woorden het gesprek dat hij gehad had met
het opperhoofd der _toelisan's_, doch sloeg daarbij diens weifelingen
en bedreigingen over. Ibarra luisterde aandachtig naar hem, en toen
Elias zijn verhaal geëindigd had, heerschte er een lang stilzwijgen,
dat Ibarra het eerst verbrak:
"Dus wenschen ze.....?"
"Radikale hervormingen in de gewapende macht, in de geestelijkheid,
in de rechtsbedeeling, dat wil zeggen, ze vragen een vaderlijken blik
van de zijde van 't bestuur."
"Hervormingen in welke beteekenis?"
"Bijvoorbeeld: meer eerbied voor de menschelijke waardigheid, meer
veiligheid voor lijf en goed, minder macht bij de toch al gewapende
macht, minder voorrechten voor zulk een lichaam, dat er gemakkelijk
misbruik van maakt."
"Elias," antwoordde de jongeman, "ik weet niet wie u bent, maar ik
raad dat u geen alledaagsch mensch bent. U denkt en werkt anders dan
de andere menschen. U zult me begrijpen, als ik u zeg, dat, al is de
tegenwoordige toestand ook gebrekkig, hij nog erger zou worden als
hij veranderde. Ik zou de vrienden die ik in Madrid heb, kunnen laten
spreken, 'door ze te betalen,' ik zou met den _capitan general_ kunnen
spreken, maar zij zouden niets bereiken, en de _capitan general_ heeft
niet zooveel macht om zooveel nieuwigheden in te voeren. En ik zou
evenmin een stap in die richting doen, omdat ik heel goed begrijp dat,
al is 't waar dat die corporaties hun gebreken hebben, ze tegenwoordig
noodig zijn: ze zijn wat men noemt een 'noodzakelijk kwaad.'"
Elias hief het hoofd op, en keek hem verbaasd aan.
"Gelooft u ook al in 't noodzakelijk kwaad, meneer?" vroeg hij
met eenigszins bevende stem. "Gelooft u dat men, om goed te doen,
't kwade _moet_ doen?"
"Nee. Ik geloof erin als in een gewelddadig middel waarvan we ons
bedienen, wanneer we een ziekte willen genezen. Nu goed, 't land is een
organisme dat aan een slepende ziekte lijdt, en om het te genezen, ziet
het bestuur zich genoodzaakt van middelen gebruik te maken, die hard en
gewelddadig mogen wezen, maar niettemin nuttig en noodzakelijk zijn."
"'t Is een slechte dokter, meneer, die alleen maar tracht de
verschijnselen te verbeteren en ze te onderdrukken, zonder dat hij de
oorzaak van de kwaal tracht na te gaan, of, als hij die kent, bang
is die aan te grijpen. De _guardia civil_heeft alleen maar dit eene
doel: onderdrukking van de misdaad door schrik en geweld, een doel,
dat alleen maar bij toeval bereikt wordt. En men moet zich wel bewust
zijn, dat alleen die maatschappij streng mag wezen tegen de individuen,
die haar de noodige middelen voor haar zedelijke verheffing gegeven
heeft. Aangezien er in ons land geen maatschappij is--want volk
en bestuur vormen geen eenheid--moet het bestuur toegevend zijn,
niet alleen omdat het toegevendheid noodig heeft, maar omdat het
lid van die maatschappij dat door 't bestuur verwaarloosd en in
den steek gelaten wordt, minder verlicht is. Bovendien, als men uw
vergelijking volgt, is de behandeling die men op de kwalen van het land
toepast zoo verwoestend, dat die zich alleen laat voelen in 't gezonde
gestel, waarvan het de levenskracht verzwakt en voor de kwaal vatbaar
maakt. Zou het niet verstandiger wezen het zieke gestel te versterken,
en de gewelddadigheid van het geneesmiddel wat te temperen?"
"De _guardia civil_ verzwakken zou 't zelfde wezen als de veiligheid
in de dorpen in gevaar te brengen."
"De veiligheid in de dorpen!" riep Elias op bitteren toon. "'t Zal
gauw vijftien jaar zijn dat die dorpen hun _guardia civil_ hebben. En
zie nu 's: we hebben nòg _toelisan's_, nòg hooren we van plunderingen
van dorpen, nòg komt struikrooverij voor. De diefstallen gaan voort,
en de daders worden niet gevonden. De misdaad bestaat, en de echte
misdadiger waart vrij rond; maar niet de vreedzame dorpeling. Vraagt
u maar 's aan ieder fatsoenlijk dorpsbewoner, of hij die instelling
voor iets goeds houdt, een bescherming van 't bestuur, en niet voor
een opgelegd iets, een dwingelandij waarvan de buitensporigheden
meer kwaad doen dan de gewelddaden van de misdadigers. Die laatste
zijn werkelijk groot, maar ze zijn zeldzaam, en daarentegen is men
gerechtigd zich te verdedigen. Tegen de knevelarijen van 't wettig
gezag wordt zelfs geen protest geduld, en al zijn ze niet zoo groot,
ze zijn toch aanhoudend en gesanktioneerd."
"Wat werkt die instelling uit in 't leven op onze dorpen? Ze verlamt
het verkeer, omdat iedereen bang is, om allerlei nietigheden te
worden lastig gevallen. Ze is meer gevestigd op formaliteiten dan op
't wezen van de zaken zelf, 't eerste kenteeken van onmacht. Omdat
iemand zijn pas niet bij zich heeft, moet hij gebonden en mishandeld
worden. 't Doet er niet toe, of het een fatsoenlijk en geacht man
is. De chefs houden 't voor hun eerste plicht zich te laten groeten,
goedschiks of kwaadschiks, zelfs in 't duister van den nacht, waarin
ze nageaapt worden door de ondergeschikten, om de buitenmenschen te
mishandelen en te berooven. En voorwendsels ontbreken hun niet. De
onschendbaarheid van 't eigen huis bestaat niet: onlangs nog overvielen
ze te Kalamba door het raam het huis van een vreedzaam bewoner, aan
wien de chef verplichting had. Veiligheid van persoon is er niet:
wanneer ze de kazerne of hun huis moeten schoon hebben, gaan ze erop
uit en houden iedereen die geen weerstand biedt aan, om hem den heele
dag te laten werken. Wilt u meer? Nu dan, gedurende de feesten die we
gehad hebben zijn de verboden spelen doorgegaan, maar de geoorloofde
vermakelijkheden, die hebben ze onhebbelijk verstoord. U heeft gezien
hoe 't volk over hun dacht. Wat heeft het hun gebaat, dat ze hun drift
bedwongen hebben, en op de rechtvaardigheid van de menschen hopen? Och,
meneer, als u dat de orde handhaven noemt!..."
"Ik erken dat er misbruiken zijn," hervatte Ibarra, "maar laten we
die aanvaarden voor al 't goede dat er ook is. Deze instelling mag
gebrekkig wezen, maar, geloof me, ze belet door den schrik die ze
inboezemt het toenemen van misdadigers."
"Zegt u liever dat door dien schrik het aantal misdadigers
vermeerdert," verbeterde Elias. "Voor de instelling van
dat lichaam waren bijna alle misdadigers--met zeer weinig
uitzonderingen--boosdoeners door honger: ze plunderden en roofden om te
kunnen leven. Maar nauwelijks was de duurte voorbij, of de wegen waren
weer vrij van roovers. De arme, maar dappere dorpswachtlieden--de
_cuadrillero's_--met hun gebrekkige wapens, waren voldoende om ze
op de vlucht te jagen. Toch zijn ze zoo belasterd door menschen
die over 't land geschreven hebben, de stumpers, die als recht
hadden te mogen sterven, als plicht te vechten, en als belooning
uitgelachen te worden. Nu zijn er _toelisan's_, en die blijven
't hun heele leven. Een misstap, een misdaad die op onmenschelijke
wijze gestraft is, de weerstand tegen de buitensporigheden van die
macht, vrees voor verschrikkelijke folteringen, dat drijft deze voor
altijd uit de samenleving en veroordeelt ze om of te moorden of te
sterven. Het schrikbewind van de _guardia civil_ sluit hun de deur
voor berouw. En aangezien een _toelisan_ in de bergen beter vecht
en zich verdedigt dan een soldaat, waar hij om lacht, volgt daaruit
dat we niet in staat zijn het kwaad uit te roeien, dat we zelf
in de wereld gebracht hebben. Denkt u, aan wat 't wijs beleid van
gouverneur de la Torre uitgewerkt heeft: de kwijtschelding van straf,
die hij aan die ongelukkigen gegeven heeft, bewees dat er daar in
die bergen nog een hart klopte in de menschen, dat ze alleen hoopten
op vergiffenis. Zoo'n schrikbewind is nuttig, als het volk slaaf is,
wanneer de bergen geen holen hebben, wanneer het gezag achter elke
boom een schildwacht zet, en wanneer het lichaam van de slaaf alleen
maar maag en ingewanden heeft. Maar wanneer zoo'n wanhopige, die vecht
voor zijn leven, voelt dat zijn arm sterk is, zijn hart klopt en zijn
heele wezen vol gal loopt, zou dan een schrikbewind den brand kunnen
blusschen bij dengeen die zelf de brandstof levert?"
"U brengt me aan 't wankelen, Elias. Ik zou waarlijk gaan gelooven
dat u gelijk had, als ik niet mijn eigen overtuigingen had. Maar let
op een feit--u hoeft dat niet kwalijk te nemen, want ik sluit u uit
en beschouw u als een uitzondering: Wie zijn de menschen die zulke
hervormingen wenschen? Bijna allemaal misdadigers of menschen die op
't punt staan om 't te worden!"
"Misdadigers of aanstaande misdadigers, maar waarom zijn ze 't? Omdat
men hun den vrede verstoord heeft, het geluk afgeroofd, hun gekwetst
heeft in hun dierbaarste neigingen; en toen ze bescherming vroegen
bij de justitie, hebben ze de overtuiging gekregen dat ze die
alleen van zichzelf konden verwachten. Maar u vergist u, meneer,
als u denkt dat alleen misdadigers die hervormingen vragen. Gaat u
maar van dorp tot dorp, van huis tot huis, luistert u maar 's naar
de zuchten van de gezinnen, en u zal u overtuigen, dat de kwalen
die de _guardia civil_ herstelt, gelijk, zoo niet minder erg zijn,
dan die ze voortdurend veroorzaakt. Moeten we daaruit besluiten,
dat al de dorpsmenschen misdadigers zijn? Waartoe ze dan tegen de
anderen te verdedigen? Waarom ze dan niet allemaal uitgeroeid?"
"Er is hier een misvatting, die me op 't oogenblik ontgaat, de een
of andere fout in de theorie die door de praktijk te niet gedaan
wordt, want in Spanje, in 't vaderland, bewijst dat korps goede
diensten--heeft dat vroeger ook gedaan."
"Ik twijfel er niet aan: misschien is 't daar beter ingericht, het
personeel beter gekozen. Misschien ook omdat Spanje het noodig heeft,
de Filippijnen niet. Onze zeden, onze wijze van zijn, waar men zich
altijd op beroept, wanneer men ons een recht wil ontzeggen, worden
geheel uit 't oog verloren, wanneer men ons iets wil opleggen. En
zegt u me 's, meneer: waarom hebben de andere volken deze instelling
niet ingevoerd, die door hun naburigheid met Spanje er meer op
moesten lijken dan de Filippijnen? Zou 't daarom wezen dat ze minder
diefstallen op hun spoorwegen, minder moorden hebben, en men elkaar
op de groote hoofdplaatsen minder dolksteken geeft?"
Ibarra boog het hoofd als in gedachten, dan richtte hij het op en
antwoordde:
"Dit vraagstuk, mijn vriend, eischt een ernstige studie. Als mijn
nasporingen me zeggen dat die klachten gegrond zijn, zal ik aan
mijn vrienden in Madrid schrijven, aangezien we geen afgevaardigden
hebben. Geloof intusschen dat het bestuur een korps noodig heeft met
een onbeperkte macht, om zich te doen eerbiedigen, en een gezag om
den noodigen indruk te maken."
"Dat moet zoo wezen, meneer, wanneer het bestuur in oorlog is met
het land. Maar, ten bestwil van 't bestuur, moeten we 't volk niet
doen gelooven dat het weerstand biedt aan 't gezag. En al was 't zoo,
als we macht boven prestige verkozen, moesten we wel goed toezien,
aan wie we die onbeperkte macht geven. Zooveel macht in handen van
domme mannen, beheerscht door hartstochten zonder zedelijke opvoeding,
zonder beproefde eerlijkheid, is een wapen in de handen van een gek
onder een weerlooze menigte. Ik geef toe, en wil met u gelooven, dat
het bestuur dien arm noodig heeft: nu, laat het dan dien arm goed
kiezen, laat het de waardigsten ervoor uitkiezen. En aangezien het
liever zichzelf gezag geeft dan dat het volk het dat zou toestaan,
moet het ten minste toonen, dat het zich dat gezag weet te geven."
Elias sprak hartstochtelijk, met geestdrift. Zijn oogen schitterden,
en de klank van zijn stem had iets trillends. Er volgde een plechtige
stilte: de _bangka_, niet door de riemen voortbewogen, scheen rustig op
't water te blijven liggen. De maan scheen met heerlijken glans in een
saffieren hemel. Enkele lichtjes ontvonkten in de verte op den oever.
"En wat vragen ze meer?" vroeg Ibarra.
"Hervorming van 't priesterschap," antwoordde Elias op ontmoedigden,
droeven toon. "De ongelukkigen vragen meer bescherming tegen..."
"Tegen de geestelijke orden?"
"Tegen hun onderdrukkers, meneer."
"Zouden de Filippijnen vergeten zijn wat ze aan die orden te danken
hebben? Zouden ze de ontzaglijke schuld van dankbaarheid vergeten zijn
aan degenen die ze onttrokken hebben aan de dwaling, om hun 't geloof
te geven, aan hen die ze hebben beschermd tegen de buitensporigheden
van het burgerlijk bestuur? Dat komt ervan, als men de geschiedenis
van zijn land niet kent!"
Elias was verbaasd, en kon nauwelijks geloof slaan aan wat hij hoorde.
"Meneer," hervatte hij op ernstigen toon, "u beschuldigde het volk
van ondankbaarheid: veroorlooft u mij, een uit dat volk, dat ik het
verdedig. Gunsten die men aandoet, moeten, om recht op erkentelijkheid
te hebben, belangeloos zijn. Laten we de zending erbuiten laten,
ook de christelijke liefdadigheid, waar zoo mee gesold wordt. Laten
we ook niet spreken van de geschiedenis, laten we niet vragen wat
Spanje gedaan heeft met de Joden, het volk dat aan heel Europa een
boek, een godsdienst en een God gegeven heeft. Wat heeft het met
de Arabieren gedaan, het volk dat het een beschaving geschonken
heeft, verdraagzaam is geweest met zijn godsdienst, en dat zijn
nationaal bewustzijn heeft opgewekt, een bewustzijn dat onder de
romeinsche en gotische overheersching ingeslapen, ja bijna dood
was? U zegt dat ze ons het geloof gegeven en ons uit de dwaling
hebben verlost. Noemt u die uiterlijke praktijken geloof, noemt u
dien handel in riempjes en schapulieren godsdienst, of die wonderen
en vertelsels, die we dagelijks te hooren krijgen, waarheid? Is
dat de wet van Jezus Christus? Daarvoor hoefde een God zich niet
te laten kruisigen, en wij ons niet te verplichten tot een eeuwige
dankbaarheid: bijgeloof bestond lang te voren, ze hoefde alleen maar
wat mooier gemaakt en de prijs van de koopwaar wat hooger gesteld
te worden. U zult me zeggen, dat, hoe gebrekkig de godsdienst die
we nu hebben ook moge wezen, hij toch te verkiezen is boven dien we
hadden. Ik geloof het en ben 't eens, maar hij is te duur gekocht,
want daarvoor hebben we afstand gedaan van onze nationaliteit en onze
onafhankelijkheid. Daarvoor hebben we aan zijn priesters onze beste
dorpen gegeven, onze velden, en zelfs geven we onze spaarpenningen
voor 't aankoopen van godsdienstige voorwerpen. Men heeft bij ons een
artikel van buitenlandsche nijverheid ingevoerd, we betalen er goed
voor, en we leven in vrede. Als u me spreekt van de bescherming tegen
de _encomendero's_, [47] zou ik u kunnen antwoorden dat we door hen
juist onder de macht van die _encomendero's_ zijn gevallen. Maar nee,
ik erken dat een waarachtig geloof en een waarachtige menschenliefde
onze eerste zendelingen leidde, toen ze naar onze stranden kwamen. Ik
erken de schuld van dankbaarheid jegens die edele harten. Ik weet
dat het Spanje van toen overvloed van helden in alle standen telde,
zoowel in 't godsdienstige als in 't politieke, in 't burgerlijke en
in 't militaire. Maar omdat de voorouders deugdzaam waren, zouden
we daarom nu misbruiken in hun ontaarde afstammelingen maar moeten
dulden? Omdat men ons een groote weldaad heeft aangedaan, zouden we
nu schuldig zijn, door te beletten, dat men ons kwaad doet? Het land
vraagt geen afschaffing, 't vraagt alleen hervormingen die de nieuwe
omstandigheden en nieuwe behoeften vereischen."
"Ik heb mijn vaderland lief, zooals u 't ook lief kan hebben,
Elias. Ik begrijp eenigszins wat u verlangt. Ik heb met aandacht
aangehoord wat u gezegd heeft, en alles wel beschouwd, geloof ik dat
we de dingen met hartstocht-oogen zien. Hier minder dan elders zie
ik de noodzakelijkheid van hervormingen in."
"Is 't mogelijk, meneer?" vroeg Elias, de handen ontmoedigd
uitstrekkend. "Ziet u de noodzakelijkheid van hervormingen niet in,
u wiens familie-rampen?..."
"O, ik vergeet mezelf en vergeet mijn eigen narigheid waar het
de veiligheid in de Filippijnen, waar 't de belangen van Spanje
geldt!" viel Ibarra levendig in.
"Om de Filippijnen te behouden is het noodig dat de _frailes_ voortgaan
zooals ze nu doen, en in de vereeniging met Spanje ligt het heil voor
ons land."
Ibarra had uitgesproken, en Elias luisterde nog. Zijn gelaat stond
droef, zijn oogen hadden hun glans verloren.
"De zendelingen hebben 't land veroverd, dat is waar," hervatte
hij. "Gelooft u dat de Filippijnen door de _frailes_ behouden zullen
worden?"
"Ja, alleen door hen, zoo gelooft iedereen het die over de Filippijnen
geschreven heeft."
"O!" riep Elias uit, terwijl hij ontmoedigd de riem in de _bangka_
neersmeet. "Ik dacht niet dat u zoo'n min idee had van 't bestuur en
van 't land. Waarom veracht u allebei niet? Wat zou u zeggen van een
gezin dat alleen in vrede leeft door tusschenkomst van een vreemde? Een
land dat gehoorzaamt, omdat men het bedriegt, een bestuur dat gebiedt,
omdat het gebruik maakt van dat bedrog, een bestuur dat zelf niet in
staat is zich bemind te maken noch zich te doen eerbiedigen! Vergeeft u
me meneer, maar ik geloof dat uw bestuur dom en zelfmoordend optreedt,
als het werkelijk zich verheugt dat men zoo denkt. Ik dank u intusschen
voor uw vriendelijkheid. Waar wilt u dat ik u heen zal brengen?"
"Nee," hervatte Ibarra, "we zijn aan 't redetwisten, we moeten weten
wie er gelijk heeft in zulk een gewichtige aangelegenheid."
"Verschoon me, meneer," antwoordde Elias 't hoofd schuddend, "ik ben
niet welsprekend genoeg om u te overtuigen. Al heb ik wat opvoeding
genoten, ik ben een inlander, mijn leven is voor u twijfelachtig,
en mijn woorden zullen u altijd verdacht voorkomen. Zij die 't
tegenovergestelde beweerd hebben zijn Spanjaarden, en als zoodanig--al
zeggen ze ook gemeenplaatsen of onnoozelheden--geven hun toon,
hun titels en hun afkomst hun zooveel gezag, dat ik er voorgoed van
moet afzien ze tegen te spreken. Bovendien, wanneer ik zie dat u,
die uw land liefheeft, u, wiens vader rust onder deze kalme golven,
u, die u hebt zien tarten, beleedigen en vervolgen, wanneer _u_
nog zulke meeningen blijft aanhangen, in weerwil van alles en van uw
hooge beschaving, dan begin ik te twijfelen aan mijn overtuigingen,
en neem ik de mogelijkheid aan dat het volk zich vergist. Ik moet
die ongelukkige menschen die hun vertrouwen op andere menschen
gesteld hebben, nu zeggen dat ze alleen op God en hun eigen arm
moeten bouwen. Ik dank u nog eens, en wacht uw order, waarheen ik u
brengen moet."
"Elias, uw bittere woorden gaan me ter harte, en brengen mij ook
in twijfel. Wat zal ik u zeggen? Ik ben niet te midden van 't volk
opgevoed, en ik ken misschien zijn behoeften niet. Ik heb mijn jeugd
in de Jezuïetenschool doorgebracht. Ik ben opgegroeid in Europa,
ik heb me gevormd door boeken, en ik heb alleen kunnen lezen wat de
menschen aan 't licht hebben kunnen brengen: wat in 't duister blijft,
wat de schrijvers niet zeggen, dat is mij onbekend. En toch heb ik
evenals u ons vaderland lief, niet alleen omdat het ieders plicht is
het land lief te hebben waaraan hij zijn bestaan dankt, en waaraan
hij misschien ook zijn laatste toevlucht zal verschuldigd zijn; niet
alleen omdat mijn vader 't me zoo geleerd heeft, omdat mijn moeder eene
inlandsche was, en omdat al mijn mooiste herinneringen daar leven; ik
heb 't bovendien lief omdat ik daaraan mijn geluk dank en zal danken!"
"En ik omdat ik het mijn ongeluk dank!" mompelde Elias.
"Ja, vriend, ik weet dat u lijdt, u is ongelukkig, en dat doet
u de toekomst donker inzien, en heeft invloed op uw manier van
denken. Daarom luister ik met zeker voorbehoud naar uw klachten. Als
ik de drijfveeren kon waardeeren, een deel van dat verleden..."
"Mijn ongeluk erkent een anderen oorsprong. Als ik wist dat het
verhaal ervan eenig nut kon aanbrengen, zou ik 't u doen, want,
daargelaten dat ik er heelemaal geen geheim van maak, is het ook wel
bij vrij veel menschen bekend."
"Misschien dat ik mijn oordeelvellingen zal wijzigen, wanneer ik
het weet. Ik hoef u niet meer te zeggen dat ik meer op feiten dan op
theorieën afga."
Elias zweeg eenige oogenblikken.
"In dat geval, meneer," hervatte hij, "zal ik u in 't kort mijn
geschiedenis vertellen."