De hanenvechtplaats.
Om den Zondag in eere te houden gaat men op de Filippijnen
gewoonlijk naar het hanenperk. Het hanenvechten is een hartstocht
die sinds een eeuw in 't land ingevoerd en geëxploiteerd wordt,
is een der volksondeugden, die meer op den voorgrond treedt dan het
opium-schuiven bij de Chineezen. Daar gaat de arme heen om wat hij
bezit op 't spel te zetten, begeerig als hij is om geld te verdienen
zonder te werken. Daar gaat ook de rijke heen, om verstrooiing te
zoeken, het geld gebruikende, dat er overschiet van zijn festijnen en
genade-missen; maar de som die verspeeld wordt is van hem, de haan
is wellicht met meer zorg opgekweekt dan de zoon, opvolger van den
vader in 't hanenperk, en dit verontschuldigt de spelers.
Aangezien het bestuur het toestaat, en 't zelfs bijna aanbeveelt--want
het gelast dat het schouwspel alleen gegeven mag worden op "openbare
pleinen," op "feestdagen" (opdat iedereen het zien kunne en het
voorbeeld moge aanmoedigen), "na de groote mis tot het donker" (acht
uur), zullen we eens dit spel gaan bijwonen, om eenige kennissen op
te zoeken.
Het hanenperk van San Diego onderscheidt zich slechts onbeduidend
van die welke men op andere plaatsen vindt. Het bestaat uit drie
afdeelingen: de eerste, die voor den ingang, is een groote rechthoek
van zoowat twintig meter lengte bij veertien breedte; aan een der
zijden opent een deur, waar gewoonlijk een vrouw bij waakt, die
belast is met het innen van _sa-pintoe_ of het toegangsgeld. Van dit
geld ontvangt het gouvernement een gedeelte: eenige honderdduizenden
peso's jaarlijks. Men zegt dat voor dit geld, dat de ondeugd voor
haar vrijheid betaalt, prachtige scholen worden opgericht, bruggen
gebouwd en straatwegen aangelegd, dat men daarvoor prijzen uitlooft
om landbouw en handel te bevorderen...Gezegend de ondeugd die zulk
een goeden uitslag oplevert! [44] In deze eerste afdeeling zijn de
verkoopsters van _sirih_, sigaretten, lekkernijen en andere eetwaren
enz. Daar krioelt het van jongens, die hun vaders en ooms vergezellen,
welke hen zorgvuldig inwijden in de geheimen des levens.
Deze afdeeling staat in verbinding met een ander van ietwat grooter
afmetingen, een soort "foyer", waar het publiek zich vereenigt voor
het "loslaten" der hanen.
In de foyer bevinden zich de meeste hanen, met een touw aan den
grond vastgemaakt, door middel van een pen van been of wilde
palm; daar zijn de beroepsspelers, de verslaafden, daar is de
ervaren mesjes-bevestiger; daar wordt onderhandeld, overwogen, te
leen gevraagd, verwenscht, gezworen en gevloekt, gelachen dat het
davert. Ginds streelt er een zijn haan, hem de hand over de glanzende
veeren strijkend; hier onderzoekt er een en telt de schubben der
pooten; daar vertelt men de daden der helden; wat verder zult ge een
troepje lieden zien, welke met pruilend gelaat een ontveerd hanelijk
wegdragen: het dier dat maanden lang de lieveling geweest is, nacht en
dag vertroeteld en verzorgd, en waarop ze streelende hoop-verwachtingen
bouwden, is nu niet meer dan een lijk, en wordt straks verkocht voor
een _peseta_, om met gember klaargemaakt dienzelfden avond gegeten te
worden. _Sic transit gloria mundi!_ De spelverliezer keert naar zijn
huis terug, waar hem de ongeruste vrouw en de lompig-gekleede kinderen
wachten, zonder 't kapitaaltje en zonder de haan. Van dien heelen
gulden droom, van al die zorgen maanden lang, van 't morgenkrieken tot
zonsondergang, van al die moeite en last, is niets dan een _peseta_
het resultaat, de asch die gebleven is van zooveel rook.
In deze "foyer" redetwisten de domsten; de slimmeren onderzoeken
gewetensvol de zaak, wegen, beschouwen, spreiden de vleugels uit,
betasten de spieren der hanen! Sommigen gaan zeer goed gekleed,
gevolgd en omringd door de aanhangers hunner dieren; anderen, vuil,
met het stempel der ondeugd op hun gelaat geprent, volgen angstvallig
de bewegingen der rijken, en letten aandachtig op de weddenschappen,
want de beurs kan wel leegraken, maar de passie niet verzadigd worden:
daar is geen enkel gezicht dat niet opgewonden is, daar vindt men
niet de luie, apathische, stille Filippijner. Hij is nu een en al
bewegelijkheid, hartstocht, vurig verlangen. Men zou zeggen dat ze
de dorst hebben die het slijkwater opwekt.
Van deze plaats komt men in 't arena, dat _rueda_ heet. De grond,
omsloten door bamboe, is hier meestal hooger dan in de vorige
afdeelingen. In 't bovenste deel, en bijna aan de zoldering rakend,
bevinden zich trapsgewijze geschikte zitplaatsen voor het publiek of
voor de spelers, die per slot van rekening dezelfden zijn. Gedurende
het gevecht vullen zich deze zitplaatsen met mannen en jongens, die
schreeuwen, krijschen, zweten, ruzie maken en vloeken. Gelukkig komt
bijna nooit een vrouw daar. In de _rueda_ zijn de notabelen, de rijken,
de befaamde beroepsspelers, de contractant en de spelrechter. Op
den grond, die uitstekend vastgestampt is, vechten de dieren, en van
daar-uit deelt het lot aan de huisgezinnen lach en traan, smulpartijen
of honger uit.
Op 't uur dat wij binnenkomen, zien we reeds de _gobernadorcillo_,
Capitán Pablo, Capitán Basilio, Lucas, de man met het litteeken in
zijn gezicht, die zooveel verdriet had over den dood van zijn broer.
Capitán Basilio treedt toe op iemand uit het volk en vraagt hem:
"Weet je ook welke haan Capitán Tiago meebrengt?"
"Ik weet het niet, meneer. Vanochtend zijn er twee van hem aangekomen,
een ervan is de _lasak_ (wit en rood), die de _talisain_ (bonte) van
den consul verslagen heeft. Gelooft u dat mijn _boelik_ (wit en zwart)
met hem zou kunnen vechten?"
"Ik geloof 't zeker! Ik verwed er mijn huis en mijn hemd om!"
Op dat oogenblik kwam Capitán Tiago binnen. Hij ging gekleed als de
groote spelers: een hemd van kanten-linnen, wollen pantalon en een
grooten strooien flaphoed. Achter hem aan kwamen twee bedienden,
de _lasak_ en een witten haan van ontzaggelijke afmetingen dragend.
"Sinang heeft me gezegd dat Maria 't iedere maand beter maakt!" zeide
Capitán Basilio.
"Heeft u gisterenavond verloren?"
"Een beetje. Ik weet dat u gewonnen heeft... ik zal zien, of ik
't goed maak."
"Wilt u de _lasak_ laten vechten?" vroeg Capitán Basilio, terwijl
hij naar den haan keek, en hem van den bediende vroeg.
"Dat ligt eraan, als er op gewed wordt."
"Hoeveel stelt u?"
"Minder dan twee laat ik hem niet gaan."
"Heeft u mijn _bulik_ gezien?" vroeg Capitán Basilio, en riep een
man die een kleinen haan droeg.
Capitán Tiago onderzocht hem, en na hem gewogen en na zijn schubben
betast te hebben, gaf hij hem terug.
"Hoeveel zet u op?" vroeg hij.
"Evenveel als u."
"Twee en vijfhonderd?"
"Drie?"
"Drie!"
"Voor de volgende!"
De kring van nieuwsgierige spelers verbreidde het bericht dat twee
beroemde hanen zouden vechten. Beiden hadden hun geschiedenis en
hun gevestigde roep. Iedereen wilde de twee beroemdheden zien, ze
onderzoeken. Men uitte meeningen, men deed voorspellingen.
Intusschen neemt het stemmengerucht toe, wordt de verwarring grooter,
men dringt binnen de _rueda_ en bestormt de zitplaatsen. De "loslaters"
brengen twee hanen naar het strijdperk, de eene wit, de andere rood,
reeds gewapend maar de mesjes zitten nog in de schede. Men hoort
uitroepen "op de witte!" "op de witte!", een enkele stem roept "op
de roode!" De witte was de "beroepene," de roode de "verlatene",
dat wil zeggen de verworpeling en de lieveling.
Onder de menigte loopen _guardia civiles_ rond. Ze dragen niet
de uniform van het welbeproefde korps, maar zijn ook niet in
burgerkleeding. Een broek van ruw wollen stof met roode franje, een
hemd met blauwe vlekken van de afgevende kiel, politie-muts, ziedaar
de vermomming in overstemming met hun houding. Ze wedden en houden
toezicht, ze verstoren de orde, terwijl ze zeggen die te handhaven.
Onder 't geschreeuw door worden de handen uitgestrekt waarin men met
geld zwaait en rinkelt, terwijl men in den zak het laatste geldstuk
opzoekt, of, als dat er niet is, zijn woord wil verpanden, belovende
dat men zijn karbouw, den aanstaanden oogst enz. wil verkoopen;
twee jongelieden, blijkbaar broeders, volgen met jaloersche oogen
de spelers, komen naar elkaar toe, mompelen schuchtere woorden waar
niemand naar luistert, worden telkens somberder en kijken elkaar met
ergernis en spijtigheid aan. Lucas neemt ze tersluiks op, glimlacht
boosaardig, laat zilveren _peso's_ klinken, gaat vlak langs de beide
broeders, en terwijl hij naar de _rueda_ kijkt, roept hij:
"Ik betaal vijftig, vijftig tegen twintig op den witte!"
De twee broeders wisselen een blik.
"Ik heb 't je wel gezegd," mompelt de oudste, "dat je niet al het
geld moest verwedden. Als je mijn raad gevolgd hadt, zouden we nu
overhebben, om op den roode te zetten!"
De jongste van de twee trad schuchter op Lucas toe, en raakte even
zijn arm aan.
"Ben jij 't?" roept deze en keert zich om, net doende alsof hij verrast
was, "neemt je broer mijn voorstel aan, of kom je om te wedden?"
"Hoe wil je dat we zullen wedden, als we alles verloren hebben?"
"Dus neem je 't aan?"
"Hij wil niet! Als u ons wat kon leenen: u zegt immers dat u ons
kent..."
Lucas krabde zich achter 't oor, trok zijn hemd glad, en antwoordde:
"Ja zeker ken ik jullie. Jullie zijt Tarsilo en Bruno, jonge en sterke
kerels. Ik weet dat je vader gestorven is tengevolge van de honderd
geeselslagen daagsch, die deze soldaten hem gaven. Ik weet dat jullie
er niet aan denkt om hem te wreken..."
"Bemoei u niet met onze zaken," viel Tarsilo, de oudste, in,
"dat brengt ongeluk. Als we geen zuster hadden, dan waren we al
lang opgehangen!"
"Ophangen? Ze hangen alleen een lafaard op, iemand die geen geld en
geen voorspraak heeft. En in allen gevalle is de wildernis dichtbij."
"Honderd tegen twintig, ik zet op den witte!" riep er een onder
't voorbijgaan.
"Leen ons vier _peso's_ ... drie ... twee," smeekte de jongste. "We
geven u later 't dubbele terug. Ze laten meteen de hanen los."
Lucas krabde zich nog eens achter 't oor.
"Pst! Dit geld is niet van mij, Don Crisóstomo heeft het mij gegeven
voor wie hem dienen willen. Maar ik zie wel dat jullie niet zijt
zooals je vader. Die was wel moedig. Laat hij die 't niet is geen
pretjes zoeken."
En hij verwijderde zich van hen, doch niet ver.
"Laten we 't aannemen, wat geeft 't?" zeide Bruno.
"'t Is toch een en 't zelfde, of je opgehangen of gefusilleerd wordt:
wij arme lui dienen nergens anders voor."
"Je hebt gelijk, maar denk aan onze zuster."
Onderwijl is het strijdperk ontruimd. De kampstrijd zal een aanvang
nemen. Het geschreeuw bedaart allengs, en de twee "loslaters" en de
"mesjes-vastmaker" blijven in 't midden staan. Op een teeken van
den spelrechter ontbloot de eerste de stalen _navaja's_ en de fijne
lemmeten blinken dreigend, flikkerend.
De twee broeders gaan droevig en stil naar de omheining van het perk,
en kijken toe, het voorhoofd tegen de bamboe aan. Een man treedt op
hen toe, en zegt fluisterend:
"Zeg, man, honderd tegen tien. Ik ben voor den witte!"
Tarsilo kijkt hem verbouwereerd aan. Bruno geeft hem een stoot met
de elleboog, waarop hij met een gegrom antwoordt.
De "loslaters" houden de hanen met meesterlijke zachtheid vast,
zorgdragend zich niet te kwetsen. Er heerscht een plechtig stilzwijgen:
men zou wanen dat de aanwezigen behalve de twee loslaters gruwelijke
wassen poppen waren. De eene haan wordt bij den andere gebracht,
terwijl men den kop van den eene vasthoudt, opdat hij door 't krijgen
van een pik van den ander toornig wordt, en omgekeerd: bij ieder
doel moet gelijkheid wezen, zoowel tusschen Parijsche als tusschen
Filippijnsche hanen. Daarna laat men ze elkaar in 't gezicht kijken,
waardoor de arme beestjes weten wie hun een veertje uitgerukt heeft
en met wie ze moeten vechten. De halsveederen rijzen op, ze kijken
elkaar strak aan, en toornflitsjes ontsnappen uit hun kleine ronde
oogjes. Dan is het oogenblik gekomen. Men zet ze op den grond neer
en laat hun verder vrij spel.
Langzaam treden ze vooruit. Men hoort hun schreden op den harden
grond. Niemand kikt, in ademlooze spanning. De kop neerbuigend en
opheffend, als meten ze elkaar met de blik, uiten de beide hanen
geluiden, wellicht van bedreiging en minachting. Ze hebben het glanzend
lemmet ontwaard, dat koude blauwige flikkeringen uitzendt. Het gevaar
spoort hen aan, en ze gaan vastberaden op elkaar af; doch op een pas
afstands staan ze stil, met strakken blik, 't hoofd naar beneden, en
weer gaan de halsvederen omhoog. Op dat oogenblik worden de hersentjes
door bloed beloopen, de oogen flitsen, en met hun natuurlijken moed
werpen ze zich onstuimig op elkaar: snavel stoot tegen snavel, borst
tegen borst, staal tegen staal en vleugel tegen vleugel. De slagen
zijn met meesterschap afgeweerd, en er zijn alleen enkele veeren
gevallen. Ze meten zich opnieuw met elkaar. Plotseling vliegt de
witte op, en zwaait het doodelijke staal, maar de roode is op zijn
pooten doorgezakt, heeft den kop gebogen, en de witte heeft slechts
in de lucht geschermd. Doch, bij 't weer neerstrijken op den grond
en verwonding van achteren ontwijkend, keert hij zich snel om, en
maakt front. De roode valt hem met woede aan, doch hij verdedigt zich
bedaard: niet voor niets is hij de lieveling van 't publiek. Iedereen
volgt bevend en in angstige spanning de wisselingen van 't gevecht,
terwijl men nu en dan een onwillekeurige kreet laat hooren. De grond
raakt bedekt met roode en witte veeren, met bloed bespet. Maar 't duel
is niet op 't eerste bloed. De Filippijnen, hier de wetten volgend door
't bestuur gegeven, willen dat het op leven en dood zij, of totdat de
eerste vlucht. Het bloed drenkt reeds overal den grond, de slagen komen
korter op elkaar, doch de overwinning blijft onbeslist. Eindelijk,
met een uiterste krachtsinspanning, stort de witte vooruit, om den
genadeslag toe te brengen, steekt zijn mesje in den vleugel van den
roode, en dit dringt tusschen de beenderen door. Doch de witte is
in de borst gewond, en beiden, schier bloedeloos, uitgeput, hijgend,
de een tegen den ander aangedrukt, blijven zoo roerloos staan, totdat
de witte neervalt, bloed spuwt uit zijn snavel, met de pooten spartelt
en zieltoogt. De roode vastgehouden aan den vleugel, blijft naast hem,
zakt allengs op zijn pooten ineen en sluit langzaam de oogen.
Daarop verklaart de spelrechter, in overeenstemming met de
voorschriften van 't bestuur, dat de roode overwinnaar is. Een woest
geschreeuw begroet deze uitspraak, een geschreeuw dat men in 't heele
dorp kan hooren, gerekt eentonig en een poos durend. Die het in de
verte hoort begrijpt dan dat de "verlatene"--niet de "lieveling"
overwinnaar is geweest. Anders zou het gejubel niet zoo lang geduurd
hebben. 't Is ermee als met de volken: als een klein volk erin slaagt
de overwinning te behalen op een groot, wordt die bezongen, en door
alle eeuwen heen verteld.
"Zie je wel?" zei Bruno spijtig tot zijn broeder. "Als je me hadt
willen gelooven, zouden we nu honderd _peso's_ hebben: door jouw
schuld zitten we zonder een _cuarto_."
Tarsilo antwoordde niet, maar keek met oogen half dicht om zich heen,
als zocht hij iemand.
"Daar staat hij te praten met Pedro," hervatte Bruno. "Hij geeft hem
geld, wat 'n geld!"
Inderdaad telde Lucas in handen van Sisa's man zilvermunten uit. Ze
wisselden nog heimelijk eenige woorden, en gingen dan vaneen, naar
't scheen voldaan.
"Pedro heeft zich zeker verbonden: nou, die weet ten minste wat hij
doet!" zuchtte Bruno.
Tarsilo bleef somber en in gepeins voor zich staren. Met zijn hemdsmouw
veegde hij zich 't zweet af, dat langs zijn voorhoofd gutste.
"Broer," zeide Bruno, "ik ga, als jij niet besluiten kunt. De partij
gaat door: de _lasak_ moet winnen en we mogen zoo'n mooie gelegenheid
niet laten voorbijgaan.
"Ik wil wedden bij 't volgende gevecht. Wat kan 't me schelen? Zoo
wreken we onzen vader."
"Wacht!" zeide Tarsilo, en keek hem strak in de oogen: beiden waren
bleek. "Ik ga met je mee. Je hebt gelijk: we zullen onzen vader
wreken."
Hij bleef echter stilstaan, en veegde zich weer 't zweet van
't voorhoofd.
"Waarom blijf je staan?" vroeg Bruno ongeduldig.
"Weet je welke hanen nu volgen? Zijn ze de moeite waard?..."
"Dat 's ook wat moois! Heb je 't niet gehoord? De _boelik_ van Capitán
Basilio tegen de _lasak_ van Capitán Tiago. Volgens de regels van
't spel moet de _lasak_ het winnen."
"O de _lasak_! Ik zou ook wel willen wedden...maar laten we ons
eerst verzekeren."
Bruno maakte een gebaar van ongeduld, maar volgde zijn broeder. Deze
bekeek de haan goed, sloeg hem in de onderdeelen gade, wikte en woog,
deed eenige vragen: de ongelukkige weifelde. Bruno was zenuwachtig,
en keek hem vertoornd aan.
"Maar zie je dan die breede schub niet die hij daar, bij zijn spoor,
heeft? Zie je die pooten niet? Wat wil je meer? Kijk die beenen 's,
spreid die vleugels 's uit! En deze gespleten schub boven deze breede,
en deze dubbele?"
Tarsilo hoorde niet naar hem, maar ging voort met het dier te
onderzoeken: het gerinkel van goud en zilver drong tot zijn ooren door.
"Laten we nu naar den _boelik_ gaan kijken," zeide hij met gesmoorde
stem.
Bruno stampvoette, knarsetandde, maar gehoorzaamde zijn broeder.
Ze traden op een andere groep toe. Daar was men bezig den haan te
wapenen, men zocht _navaja's_ uit, de _atador_ of mesjes-vastmaker
maakte roode zijde klaar, smeerde hem met was in, en wreef hem
verscheidene malen.
Tarsilo omvatte het dier in een somber-wezenloozen blik: 't was alsof
hij den haan niet zag, maar iets anders in de toekomst. Hij streek
met de hand over 't voorhoofd.
"Ben je genegen?" vroeg hij zijn broeder met doffe stem.
"Ik? Te voren al. Ik hoefde ze niet eerst te zien!"
"'t Is dat...onze arme zuster..."
"Och wat! Hebben ze je dan niet gezegd dan Don Crisóstomo aan 't
hoofd staat? Heb je hem niet zien wandelen met den gouverneur? Wat
voor gevaar loopen we dan?"
"En als we dood gaan?"
"Wat zou dat nog? Onze vader is doodgeranseld."
"Je hebt gelijk!"
Beide broeders zochten Lucas op tusschen de groepen.
Zoodra ze hem gewaar werden, stond Tarsilo stil.
"Nee, laten we weggaan van hier. We gaan ons ongeluk tegemoet!" riep
hij.
"Ga jij weg, als je wil, ik neem 't aan!"
"Bruno!"
Ongelukkigerwijze naderde een man, en zeide tot hen:
"Wed u mee? Ik ben voor de _boelik_." De twee broeders antwoordden
niet.
"Ik heb gewonnen!"
"Hoeveel?" vroeg Bruno.
De man begon zijn muntstukken van vier _peso's_ te tellen. Bruno keek
hem ademloos aan.
"Ik heb twee honderd: vijftig tegen veertig!"
"Nee!" zeide Bruno beslist. "Zet..."
"Goed: vijftig tegen dertig!"
"Verdubbel als u wilt!"
"Goed! De _boelik_ is van mijn baas, en ik heb net gewonnen: honderd
tegen zestig."
"Top! Wacht, ik zal even geld halen."
"Maar ik zal 't geld in bewaring nemen," zeide de ander, die niet
veel vertrouwen had in Bruno's uiterlijk.
"'t Is me om 't even!" antwoordde deze, die wel vertrouwen had in
zijn eigen knuisten.
En zich tot zijn broeder wendend, zeide hij hem:
"Als jij blijft, ik ga heen."
Tarsilo dacht even na: hij had zijn broeder lief, maar hield ook van 't
spel. Hij kon hem niet alleen laten, en mompelde: "Goed, 't zij zoo!"
Ze traden op Lucas toe: deze zag hen aankomen, en glimlachte.
"Oom!" zei Tarsilo.
"Wat is er?"
"Hoeveel geeft u?" vroegen ze allebei.
"Ik heb 't al gezegd: als jullie op je nemen, om anderen te zoeken
voor 't overvallen van de kazerne, geef ik je dertig _peso's_, aan
elk van jullie, en tien aan elken kameraad. Als alles goed afloopt,
krijgt elk van den troep honderd, en jullie elk 't dubbele: Don
Crisóstomo is rijk."
"Aangenomen!" riep Bruno. "Geef op 't geld!"
"Ik wist wel dat jullie dapper waren evenals je vader! Kom mee, laten
de lui die hem van kant gemaakt hebben, ons niet hooren!" zeide Lucas,
en wees naar de _guardias civiles_.
En ze naar een hoek brengende, zei hij hun terwijl hij het geld
uittelde:
"Morgen komt Don Crisóstomo en brengt wapens. Overmorgen avond, zoo
tegen acht, moeten jullie naar het kerkhof gaan, en ik zal je zijn
laatste beschikkingen zeggen.
"Jelui hebben tijd om deelnemers te zoeken."
Ze gingen vaneen. De twee broeders schenen van rol verwisseld te
hebben: Tarsilo was kalm, Bruno ongerust.