XLV.

De twee dames.

Terwijl Capitán Tiago zijn _lasak_ liet vechten, maakte Doña Victorina

een wandeling door het dorp, met de bedoeling om te zien, hoe de luie

inlanders hun huizen en zaaivelden hadden. Ze had zich zoo zwierig

mogelijk aangekleed, en op haar zijden morgenjapon al haar linten

en bloemen aangebracht, om de provinciemenschen te overbluffen en

hun te laten zien, hoe groot de afstand was tusschen hen en haar

hoogheilige persoon. En de arm gevende aan haar manken echtgenoot,

liep ze te pronken door de straten van het dorp, te midden van de

stomme verbazing der bewoners.

Neef Linares was thuis gebleven.

"Wat hebben die inlanders leelijke huizen!" begon Doña Victorina,

terwijl ze een vies gezicht zette, "ik begrijp niet hoe ze erin leven

kunnen, daar moet je toch een inlander voor wezen. En wat zijn ze

slecht opgevoed en trotsch! Ze komen ons tegen, en nemen den hoed

niet eens af! Sla ze op hun hoed zooals de pastoors en de luitenants

van de _guardia civil_ doen, leer hun manieren."

"En als ze mij terugslaan?" vroeg dokter Espadaña.

"Daar ben je een man voor!"

"Maar...maar ik ben mank!"

Doña Victorina raakte uit haar humeur. De straten waren niet

geplaveid, en de sleep van haar japon kwam vol stof. Ze ontmoette

bovendien verscheidene jongemeisjes, die onder 't voorbijgaan de

oogen neersloegen, en niet, zooals ze behoorden, haar kostbaar kleed

bewonderden. Sinang's koetsier, die haar en haar nichtje in een

smaakvolle "tres-por-ciento" [45] rondreed, had de onhebbelijkheid,

hun "_tabik_" toe te roepen, en dat met zulk een geweldige stem,

dat zij op zij moest gaan en alleen maar kon protesteeren. "Hoor toch

's dien lomperd van een koetsier! Ik zal z'n baas 's zeggen, dat hij

zijn bedienden een betere opvoeding moet geven.

"Laten we naar huis gaan!" beval ze aan haar man. Deze, die voor een

onweer vreesde, draaide rond op zijn kruk, en gehoorzaamde het bevel.

Ze kwamen den _alférez_ tegen. Men groette elkaar, en dit verergerde

nog Doña Victorina's ontevredenheid: de krijgsman maakte niet alleen

geen compliment over haar kleeding, maar nam haar bijna spottend op.

"Jij moest zoo'n gewonen _alférez_ geen hand geven," zeide ze tot

haar echtgenoot, toen de ander weg was. "Hij kwam nauwelijks even aan

zijn pet, en jij hebt nog wel je hoed voor hem afgenomen. Je weet je

afstand niet te bewaren!"

"Hij is hier de ...baas!"

"En wat kan ons dat schelen? Zijn wij soms inlanders?"

"Je hebt gelijk!" antwoordde hij, omdat hij geen ruzie wilde maken.

Ze kwamen voorbij het huis van onzen militair. Doña Consolación zat

aan 't raam, als naar gewoonte, gekleed in 't flanel en haar stinkstok

rookend. Daar het huis laag was, konden ze elkaar goed aankijken, en

Doña Victorina haar duidelijk waarnemen. De Muze der _guardia civil_

nam haar bedaard van hoofd tot voeten op, en, daarna de onderlip

naar voren brengend spoog ze, en keerde 't hoofd naar den anderen

kant. Dit was te veel voor Doña Victorina's geduld, en, haar man

zonder armsteun latend, posteerde ze zich vlak voor de _alféreza_,

bevend en sprakeloos.

Doña Consolación wendde langzaam 't hoofd om, nam haar opnieuw kalmpjes

op, en spoog nog eens, maar ditmaal met grooter minachting.

"Wat scheelt u, dame?" vroeg ze.

"Kunt u me ook zeggen, _mevrouw_, waarom u me zoo aankijkt? Bent u

jaloersch?" brengt Doña Victorina er eindelijk uit.

"Ik jaloersch, ik? En op u?" zei de Medusa met een hoonlach. "Ja,

ik ben jaloersch op de krullen!"

"Kom hier, vrouw!" zeide de dokter. Let toch niet op...op die vrouw!"

"Laat me die onbeschofte schooister eerst een les geven!" antwoordde

de vrouw, terwijl ze haar man een duw gaf, die hem bijna tegen den

grond deed vallen. En, zich weer tot Doña Consolación wendend, zei ze:

"Denk eraan met wie u te doen heeft! Ik ben geen provinciaal of

een soldaten-slet! In mijn huis in Manila komen geen _alféreces_,

die wachten daar aan de deur."

"Hola, doorluchtige mevrouw Blaaskaak! De _alféreces_ zullen er niet

binnenkomen, maar wel de _invaliden_, zooals die daar. Ha, ha, ha!"

Als het blanketsel 't niet belet had, dan had men Doña Victorina

kunnen zien blozen. Ze wilde haar vijandin te lijf, doch de schildwacht

hield haar tegen. Intusschen kwam de straat vol nieuwsgierigen.

"Zeg 's, ik verlaag me door met u te spreken. Menschen van rang en

stand... Wilt u mijn goed wasschen? Ik zal u goed betalen! Dacht u

dat ik niet wist dat u waschvrouw geweest is?"

"Gelooft u dat we niet weten, wie u is, en wat voor volk u

meebrengt? Och kom! M'n man heeft 't me al gezegd! Mevrouw, ik heb

ten minste niet aan meer dan aan één man toebehoord. Maar u? Je moet

wel van honger op sterven liggen, om je zoo tevreden te stellen met

het uitschot, de afval van de heele wereld!"

Deze slag was raak. Doña Victorina stroopte de mouwen op, balde de

vuisten, en de tanden op elkaar klemmend, begon ze te zeggen:

"Kom naar beneden, oude zeug, en ik zal je je vuile mond kapot

slaan! Slet van een heel bataljon, hoer van geboorte!"

De Medusa verdween snel van het venster, en weldra zag men haar naar

beneden hollen, zwaaiend met haar mans zweep.

Smekend trachtte Don Tiburcio tusschenbeide te komen, maar ze zouden

handgemeen geworden zijn, als de _alférez_ niet gekomen was.

"Dames!... Don Tiburcio!" riep deze.

"U moet uw vrouw beter opvoeden en haar betere kleeren koopen. Als

u geen geld heeft, moet u de lui van 't dorp maar berooven: daarvoor

heeft u soldaten!" schreeuwde Doña Victorina.

"Hier ben ik, mevrouw! Waarom slaat Uwe Excellentie nu mijn mond niet

kapot? U heeft niets meer dan tong en zwadder, juffrouw Groote Piet!"

"Meneer de _alférez_!" stamelde de echtgenoot.

"Och, loop heen, kwakzalver! Je draagt geen broek, sukkel!"

Er ontstond een twist met woorden en gebaren, met kreten, beleediging

en scheldwoorden. Al 't vuil dat ze in hun mars droegen werd voor

den dag gehaald, en aangezien ze alle vier tegelijk spraken en elkaar

zooveel dingen zeiden die zekere standen naar beneden halen, doordat

ze veel waarheden helder deden uitkomen, zien we er van af al wat

ze zeiden, neer te schrijven. De nieuwsgierigen, al hoorden ze ook

niet alles wat ze elkaar zeiden, vermaakten zich niettemin kostelijk,

en vlasten erop dat ze handgemeen zouden worden. Ongelukkigerwijze

voor hen kwam de pastoor en maakte er een eind aan.

"Heeren, dames! Wat 'n schandaal! Meneer de _alférez_!"

"Wat heeft u hier te maken, huichelaar, groote Carlist!"

"Don Fiburcio, neem uw vrouw mee! Mevrouw, bedwing uw tong, als

't u belieft!"

"Zegt u dat aan die bloedzuigers!"

Allengs raakte het woordenboek van scheldwoorden uitgeput, en eindigde

deze aflezing van onhebbelijkheden bij de echtparen. Dreigend en

elkaar na-jauwend, gingen ze ten slotte vaneen. Fray Salvi liep van

de eene naar de andere zijde, en verlevendigde het tooneel. Als onze

vriend de correspondent van Manila toch eens erbij geweest was...

"Vandaag nog gaan we naar Manila, en we vervoegen ons bij den

gouverneur!" zeide Doña Victorina woedend tot haar man. "Jij bent

geen man: 't is jammer voor de broek die je draagt!"

"Ma ... maar, vrouw, en de _guardias_ dan? Ik ben immers mank!"

"Je moet hem op 't pistool of op de sabel uitdagen, of anders... of

anders..."

En Doña Victorina keek hem in zijn tanden.

"M'n lieve mensch, ik heb nooit een pistool..."

Doña Victorina liet hem niet uitspreken: met een verheven gebaar rukte

ze hem midden op de straat het gebit uit zijn mond en trapte erop. Hij,

half schreiend, en zij vonken schietend, kwamen thuis.

Linares was op dat oogenblik aan 't praten met Maria Clara, Sinang en

Victoria, en daar hij niets van de oneenigheid wist, maakte hij zich

niet weinig ongerust, toen hij zijn neef en nicht ontwaarde. Maria

Clara, die tusschen kussens en dekens in een armstoel lag, was niet

weinig verwonderd de nieuwe gelaatsuitdrukking van haar dokter te zien.

"Neef," zeide Doña Victorina, "jij moet nu dadelijk den _alférez_

gaan uitdagen, of anders..."

"En waarom?" vroeg Linares verbaasd.

"Je moet hem nu dadelijk gaan uitdagen, anders zeg ik hier aan iedereen

wie je bent."

"Maar Doña Victorina!"

De drie vriendinnen keken elkaar aan.

"Zoo, denk je dat? De _alférez_ heeft ons beleedigd, en heeft er van

alles uitgebraakt, gezegd dat jij was wat je was! De ouwe heks is

naar beneden gekomen met een zweep, en deze hier, deze vent heeft

zich laten uitschelden... een man!"

"Och!" zei Sinang, "ze hebben gevochten, en dat hebben wij niet

gezien!"

"De _alférez_ heeft de dokter z'n tanden uitgeslagen!" voegde

Victorina erbij.

"Vandaag nog gaan we naar Manila. Jij blijft hier, om hem uit te

dagen, of anders zeg ik aan Santiago dat het alles leugen is wat je

hem verteld hebt, dan zeg ik hem..."

"Maar, Doña Victorina, Doña Victorina!" viel Linares haar bleek in

de rede, terwijl hij op haar toetrad, "bedaart u toch. Doet u me niet

herinneren, dat..." en hij zeide er zachtjes bij: "niet onvoorzichtig

zijn, vooral nu niet."

Toen dit juist plaats had, kwam _Capitán_ Tiago van de hanegevechten

thuis. Hij was bedroefd en zuchtte: hij had zijn _lasak_ verloren,

zijn wit-en-roode haan.

Doña Victorina gaf hem geen tijd om uit te blazen.

In weinig woorden en met veel gescheld erin vertelde ze hem al wat

er gebeurd was, natuurlijk zichzelf in een gunstig daglicht plaatsend.

"Linares zal hem gaan uitdagen, hoort u? Zoo niet, dan moet u hem

niet toestaan dat hij met uw dochter trouwt, dat moet u dan niet

doen! Als hij geen moed heeft, verdient hij Clarita niet."

"Dus je trouwt met dien meneer?" vroeg Sinang, wier vroolijke oogen

zich met tranen vulden. "Ik wist dat je verstandig was, maar niet

veranderlijk."

Maria Clara, bleek als was, richtte zich half op, en keek met ontstelde

oogen naar haar vader, naar Doña Victorina en naar Linares. Deze kreeg

een kleur, _Capitán_ Tiago sloeg de oogen neer, en de dame liet volgen:

"Clarita, denk daar steeds aan: trouw nooit met een man die geen

broek aan heeft. Je loopt kans dat zelfs de honden je beleedigen."

Doch het jongemeisje antwoordde niet, en zeide tot haar vriendinnen:

"Willen jullie me naar mijn kamer brengen, ik kan niet alleen."

Ze hielpen haar opstaan, en het middel omvat door de ronde armen

harer vriendinnen, het marmeren voorhoofd geleund tegen den schouder

van Victoria, ging het jongmeisje haar slaapkamer in.

Dienzelfden avond haalden beide echtgenooten hun zaakjes bijeen,

boden _Capitán_ Tiago de rekening, die eenige duizenden beliep aan,

en den volgenden dag heel vroeg vertrokken ze naar Manila in 't rijtuig

van hun gastheer. De schuchtere Linares was als wreker achtergebleven:

die rol was hem althans toebedeeld.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 49 / 70 题