XLIII.

De vervolgden.

Bij het flauwe schijnsel dat de maan afzond door het dichte gebladerte

der boomen dwaalde een man met langzame bedaarde schreden door het

bosch. Van tijd tot tijd, en als om zich te oriënteeren, floot hij

een bizonder wijsje, waarop in de verte dezelfde tonen plachten te

antwoorden. De man luisterde aandachtig, en vervolgde dan zijn weg

in de richting van 't verwijderd geluid.

Ten slotte, na 't doorworstelen van duizend moeilijkheden, die een

maagdelijk woud 's nachts aanbiedt, kwam hij aan een klein open

terrein, hel beschenen door de maan in haar eerste kwartier. Hooge

rotsen, gekroond door boomen, rezen rondom op en vormden een soort

bouwvallig amfitheater. Vers omgehakte boomen, verkoolde stammen vulden

't midden, waartusschendoor ontzaggelijke rotsblokken lagen, door de

natuur gedeeltelijk met haar mantel van groen gebladerte bedekt.

Nauwelijks was de onbekende aangekomen, of een andere gestalte,

plotseling voor den dag komende van achter een groot stuk rots,

trad naar voren, en een revolver uit den gordel nemend, vroeg hij

op bevelenden toon in 't Tagaalsch terwijl hij de haan van 't wapen

overhaalde:

"Wie ben je?"

"Is de oude Pablo bij jullie?" vroeg de eerste bedaard en

onverschrokken zonder zich te storen aan de vraag.

"Spreek je van den _Capitán_? ja die is er."

"Zeg hem dan dat Elias hem hier zoekt," zeide de man die niemand

anders was dan onze geheimzinnige "loods".

"Bent u 't, Elias?" vroeg de onbekende met zekeren eerbied en naderbij

komend, zonder nochthans zijn revolver weer bij zich te steken. "In

dat geval gaat u maar mee."

Elias volgde hem.

Ze gingen een soort hol binnen, dat diep in de aarde wegzonk. De

gids, die den weg kende, waarschuwde de loods wanneer hij afdalen,

zich bukken of kruipen moest. Evenwel duurde het niet lang, of ze

kwamen in een soort zaal, armzalig verlicht door pek-toortsen, en

waarin zich twaalf gewapende kerels bevonden met ongure gelaatstrekken

en vuil gekleed. Sommigen zaten, anderen lagen op den grond, en er

werd nauwelijks gesproken. Met de ellebogen op een steen geleund,

die dienst deed als tafel, en peinzend het licht gadeslaande, dat zoo

weinig klaarte verspreidde bij zooveel rook, zag men een oude man met

een droef gelaat, het hoofd gewikkeld in een bebloede zwachtel. Niet

wetende dat die spelonk de verblijfplaats van _toelisan's_ of roovers

was, zou men de wanhoop lezend op 't gelaat des ouden mans, zeggen

dat het de Hongertoren was op den vooravond van de dag waarop Ugolino

zijn kinderen zou verslinden. [43]

Bij de komst van Elias en zijn gids richtten de mannen zich half

op, doch op een teeken van den laatste stelden ze zich gerust, en

vergenoegden zich met de loods, die ongewapend kwam, nauwkeurig op

te nemen.

De oude man wendde langzaam het hoofd om, en werd de ernstige

verschijning van Elias gewaar. Deze sloeg hem onbevangen gade, vol

droefheid en belangstelling.

"Ben jij het?" vroeg de oude, wiens gelaat, bij 't herkennen van den

jongen man, eenigszins opklaarde.

"In wat 'n toestand vind ik u!" mompelde Elias bij zichzelf, terwijl

hij 't hoofd schudde.

De oude man boog zwijgend het hoofd, gaf de mannen een teeken,

waarop zij opstonden, en heengingen, niet zonder eerst met een blik

de gestalte en de lichaamsbouw van den loods te meten.

"Ja!" zeide de grijsaard tot Elias, zoodra ze alleen waren: "zes

maanden geleden, toen ik je een schuilplaats in mijn huis bood, was ik

't die medelijden met jou had. Nu is ons lot veranderd, en ben jij

't die medelijden met mij hebt. Maar ga zitten, en vertel me 's,

hoe je hier gekomen bent."

"Zoo wat veertien dagen geleden hebben ze me van uw ongeluk gesproken,"

antwoordde de jongeman langzaam en zacht, terwijl hij naar het licht

keek; "ik ben dadelijk op weg gegaan, en heb u overal in de bergen

gezocht; ik heb bijna twee provincies afgezocht."

"om geen onschuldig bloed te vergieten, heb ik moeten vluchten. Mijn

vijanden vreesden zich te vertoonen en stelden alleen eenige

ongelukkigen tegenover me, die me niet het minste kwaad gedaan hebben."

Na een kort stilzwijgen, dat hij benutte om de gedachten te lezen op

het sombere gelaat van den grijsaard, hervatte Elias:

"Ik ben gekomen om u iets voor te stellen. Nadat ik tevergeefs gezocht

had naar een of ander overblijfsel van de familie, die het ongeluk van

de mijne veroorzaakt heeft, heb ik besloten de provincie waar ik woon

te verlaten, om naar 't noorden te verhuizen, onder de ongeloovige

onafhankelijke stammen; wilt u het leven opgeven dat u nu leidt,

en met mij meegaan? Ik zal uw zoon wezen, nu u de uwen verloren

heeft. En ik die geen familie heb, zal in u een vader hebben."

De oude man schudde het hoofd, en zeide: "Wanneer men op mijn leeftijd

een wanhopig besluit neemt, dan is dat omdat er niets anders is. Een

man die, als ik, zijn jeugd en zijn rijpere jaren heeft doorgebracht

in arbeid voor zijn eigen toekomst en die van zijn kinderen; een man

die zich onderworpen heeft getoond aan al de wilsuitingen van zijn

meerderen, die gewetensvol moeilijke betrekkingen vervuld heeft, alles

geleden heeft, om in vrede en in een zoo groot mogelijke rust te leven;

wanneer die man, wiens bloed door ouderdom bekoeld is, afstand doet

van zijn heele toekomst, aan den rand van 't graf, dan is dat omdat

hij rijpelijk overwogen heeft dat vrede niet bestaat en ook niet het

hoogste goed is. Waartoe ellende lijden in een vreemd land? Ik had

twee zoons, een dochter, een eigen huis, fortuin. Ik genoot achting

en aanzien. Nu ben ik als een boom die van zijn takken beroofd is,

nu dwaal ik rond als een vluchteling, opgejaagd als een wild dier in

't bosch, en dat alles waarom? Omdat een man mijn dochter onteerd

heeft, omdat haar broeders rekenschap vroegen over de schanddaad van

dien man, en omdat die man met zijn waardigheid van geestelijke boven

de gewone menschen verheven staat. Alles wel beschouwd heb ik, vader,

onteerd in mijn ouderdom, de beleediging vergeven, ben ik toegevend

geweest tegenover de hartstochten van de jeugd en de zwakheden van

't vleesch. En wat moest ik doen tegenover een onherstelbaar kwaad,

wat anders dan zwijgen en redden wat me nog restte? Maar de misdadiger

was bang voor een wraak die hij min of meer nabij achtte, en zocht

het ongeluk van mijn zoons. Weet je wat hij gedaan heeft? Nee? Weet

je niet dat hij een diefstal in 't klooster verzon, en dat onder de

beschuldigden een van mijn zoons voorkwam? De ander kon hij er niet in

betrekken, want die was afwezig. Weet je de martelingen waaraan hij

onderworpen werd? Je kent ze, omdat ze in alle dorpen zoo toegepast

worden! Ik, ik zag mijn zoon opgehangen aan zijn haren, ik hoorde

zijn kreten, ik hoorde dat hij me riep, en ik, die laf was en aan

vrede gewend, ik heb den moed niet gehad noch om te dooden, noch om

te sterven! Weet je dat de diefstal niet bewezen kon worden, dat men

inzag dat het laster was, en dat de pastoor voor straf naar een ander

dorp werd overgeplaatst? En dat mijn zoon ten gevolge van de marteling

gestorven is? De andere, die mij restte, was niet laf als zijn vader,

en daar de beul vreesde dat hij misschien in hem zijn broer wreken zou,

werd hij onder voorwendsel dat hij geen bewijs van vestiging had,--dat

hij voor 't oogenblik vergeten had--door de _guardia civil_ opgepakt,

mishandeld, geprikkeld en met scheldwoorden tot het uiterste gebracht

zoo zelfs dat hij tot zelfmoord gedwongen werd. En ik, ik heb zooveel

schande overleefd, maar al heb ik niet den moed als vader gehad om

mijn kinderen te verdedigen, er blijft mij een hart voor de wraak,

en ik zal me wreken! De ontevredenen gaan zich meer en meer onder

mijn bevel vereenigen, mijn vijanden doen mijn troep toenemen, en op

den dag dat ik mij sterk genoeg voel, zal ik naar de vlakte afdalen

en mijn wraak en mijn eigen leven in 't vuur uitdooven! En die dag

zal komen, of er is geen God!"

En de oude man richtte zich zenuwachtig op, en met fonkelenden blik

en een hol klinkende stem voegde hij eraan toe, terwijl hij aan zijn

lange haren rukte:

"Vloek, vloek over mij, die de wrekende hand van mijn zoons heb

tegengehouden: ik heb ze vermoord! Had ik toegelaten dat de schuldige

stierf, had ik minder in Gods rechtvaardigheid en die van de menschen

geloofd, dan had ik nu mijn kinderen, voortvluchtig misschien, maar

zou ze hebben en ze zouden niet den marteldood gestorven zijn! Ik was

niet geboren om vader te zijn! Daarom heb ik ze niet! Vloek over mij,

die op mijn leeftijd nog niet geleerd had het midden te kennen waarin

ik leefde! Maar in vuur en bloed en in mijn eigen dood, zal ik je

weten te wreken!" De ongelukkige vader had zich ten toppunt van smart,

het verband afgerukt, en nu vertoonde zich een breede wond aan zijn

voorhoofd, waaruit bloeddruppels neervielen.

"Ik eerbiedig uw smart," hervatte Elias, "en ik begrijp uw

wraakbegeerte. Ik ben net als u, en toch, uit vrees om een onschuldige

te treffen, vergeet ik liever mijn ellende."

"Jij kunt vergeten, omdat je jong bent, en omdat je geen enkele

zoon verloren hebt, geen enkele laatste hoop! Maar ik zweer 't je:

ik zal geen onschuldige doen lijden. Zie je deze wond? Om niet een

arme wachtkerel die zijn plicht deed te dooden, heb ik me die laten

toebrengen."

"Maar bedenkt u niet," zeide Elias na een oogenblik zwijgens,

"bedenkt u niet in welk een schrikkelijke brand u ons arm volk

zal werpen? Als u met eigen hand wraak neemt, zullen uw vijanden

vreeselijke weerwraak nemen niet tegen u, maar tegen 't volk, dat

als naar gewoonte, beschuldigd wordt, en dan, wat 'n onrecht!"

"Laat het volk leeren zich te verdedigen, laat iedereen zich

verdedigen!"

"Weet u wel dat zoo iets onmogelijk is! Meneer, ik heb u gekend in een

anderen tijd, toen u nog gelukkig was. Toen gaf u me wijze raad. Staat

u me toe?..."

De grijsaard kruiste de armen, en scheen vol aandacht.

"Meneer," ging Elias voort, zijn woorden goed overwegend, "ik heb het

geluk gehad, een dienst te kunnen bewijzen aan een rijken jongeman,

iemand met een goed en edel hart en die zijn land liefheeft. Men

zegt dat die jongeman vrienden in Madrid heeft. Ik weet het niet,

maar wel kan ik u verzekeren dat hij op vriendschappelijken voet

staat met den Capitán Generaal. Wat zou u ervan zeggen, als wij hem

tot onzen aanklager maakten, als we hem belang deden stellen in de

zaak van ons ongelukkige volk?"

De oude man schudde het hoofd.

"Zeg je dat hij rijk is? Rijke menschen denken aan niets anders dan

hun rijkdom te vermeerderen: trots en praal verblinden ze en omdat

ze gewoonlijk er zelf goed aan toe zijn, vooral wanneer ze machtige

vrienden hebben, bekommert zich geen van hun om de ongelukkigen. Ik

weet dat alles, omdat ik zelf rijk ben geweest!"

"Maar de man van wien ik spreek, is niet zooals anderen.

"'t Is een zoon die gehoond is geworden in de nagedachtenis van

zijn vader. 't Is een jongmensch dat, omdat hij spoedig een gezin

zal hebben, aan de toekomst denkt, aan een goede toekomst voor zijn

kinderen."

"Dan is 't een man die spoedig gelukkig zal wezen, en onze zaak is

niet die van de gelukkige menschen."

"Maar 't is wel die van de mannen die een hart hebben!"

"Laat 't wezen!" hervatte de oude man, en ging weer zitten, "neem aan

dat hij onze pleitbezorger is bij den opperlandvoogd, veronderstel

dat hij op de hoofdplaats afgevaardigden vindt die voor ons willen

opkomen, geloof je dan dat ons recht zal gedaan worden?"

"Laten we 't probeeren, voordat we bloedige maatregelen nemen,"

antwoordde Elias. "'t Moet u wel verbazen dat ik, een ander

ongelukkige, jong en sterk als ik ben, u, een oud en zwak man,

vreedzaam optreden aanraad. Maar dat komt omdat ik zooveel ellenden

gezien heb door ons veroorzaakt, evenzeer als door de onderdrukkers:

't is altijd de weerlooze die 't gelag betaalt."

"En als we toch niets bereiken?"

"Iets zal er bereikt worden, gelooft u me: niet alle bestuurders zijn

onrechtvaardig. Als we niets gedaan krijgen, als ze onze klachten in

den wind slaan, als de mensch doof geworden is voor de smartkreten

van zijn evenmenschen, dan ben ik tot uw orders!"

De grijsaard omarmde vol geestdrift Elias.

"Ik neem je voorslag aan, Elias. Ik weet dat je je woord houdt. Je

zult bij me komen, en ik zal je helpen, om je voorouders te wreken,

jij zult mij helpen om mijn kinderen te wreken! Mijn zoons die zoo

waren als jij!"

"Intusschen moet u iedere gewelddadigheid vermijden."

"Jij moet de klachten van 't volk blootleggen: je kent ze. Wanneer

zal ik je antwoord vernemen?"

"Zend me over vier dagen een man naar het strand van San Diego, en

ik zal hem het antwoord zeggen dat de man in wien ik mijn hoop stel

me gegeven heeft. En zoo niet, dan ben ik de eerste die valt in den

strijd, dien we samen ondernemen zullen."

"Elias zal niet sterven, Elias zal de aanvoerder wezen, wanneer

Capitán Pablo voldaan over zijn wraak gevallen is," zeide de grijsaard.

En hij zelf vergezelde den jongeman tot buiten het hol.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 47 / 70 题