Gewetensonderzoek.
Lange dagen en droeve nachten zijn voorbijgetrokken over de legerstede
van Maria Clara. Ze was, enkele oogenblikken na dat ze "bediend"
was, weer ingestort, en gedurende haar ijlen had ze maar steeds den
naam van haar moeder uitgesproken, die ze nooit gekend had. Doch
haar vriendinnen, haar vader en haar tante hadden gewaakt; ze hadden
missen laten lezen en offergaven geschonken aan al de wonderdoende
beelden. Capitán Tiago beloofde de Heilige Maagd van Antipolo een
gouden stok ten geschenke te geven. En ten slotte begon de koorts
allengs, maar geregeld af te nemen.
Doctor Espadaña was verbaasd over de geneeskracht van alteastroop en
ijslands mos; want hij had verder niets voorgeschreven. Doña Victorina
was zoo in haar schik over haar man, dat eens op een dag, toen deze
haar op haar sleep trapte, zij niet haar gewone straf toepaste--hem
zijn tanden af te nemen--maar zich vergenoegde met hem te zeggen:
"Als je niet toevallig mank was, zou je zelfs op mijn korset trappen."
En zij droeg er geen!
Op een middag, terwijl Sinang en Victoria hun vriendin bezochten,
waren in de eetkamer de pastoor, Capitán Tiago en de familie van Doña
Victorina bezig wat te gebruiken en onderwijl te praten.
"Nu, 't spijt me wel", zeide de dokter, "'t zal Padre Dámaso ook
erg spijten."
"En waarheen zegt u dat ze hem overplaatsen?" vroeg Linares aan
den pastoor.
"Naar de provincie Tabayas," antwoordde deze achteloos.
"Wie 't ook erg spijten zal is Maria, wanneer ze 't hoort", zeide
Capitán Tiago. "ze houdt van hem, alsof 't haar vader was."
Fray Salvi keek hem schuin aan.
"Ik geloof, pater", ging Capitán Tiago voort, "dat deze heele ziekte
komt van de narigheid die ze op den feestdag gehad heeft."
"Ik ben van 't zelfde gevoelen, en u heeft er goed aan gedaan,
meneer Ibarra niet toe te staan met haar te spreken, 't Zou haar
verergerd hebben."
"En als wij er niet geweest waren", viel Doña Victorina in, "zou
Clarita al in den hemel aan 't lofzingen wezen."
"Amen Jezus!" meende Capitán Tiago te moeten zeggen.
"Gelukkig voor u dat mijn man niet juist een voornameren zieke onder
handen had, want dan had u een ander moeten roepen, en hier zijn
't allemaal domkoppen. Mijn man..."
"Ik geloof en blijf bij wat ik gezegd heb," viel de pastoor op zijn
beurt in, "de biecht die Maria Clara gedaan heeft, heeft de gunstige
crisis teweeggebracht, die haar leven gered heeft. Een rein geweten
is meer waard dan veel medicijnen, en, 't zij verre van me dat ik de
macht van de wetenschap ontken, vooral niet van de chirurgie, maar
een rein geweten... u moet maar 's de vrome boeken lezen, en u zult
zien hoeveel genezingen bewerkt zijn, enkel door een goede biecht!"
"Neem me niet kwalijk," bracht Doña Victorina gepikeerd hiertegen in,
"die kracht van een biecht...nou geneest u de vrouw van den _alférez_
maar eens met een biecht!"
"Een wond, mevrouw, is volstrekt geen ziekte waarop het geweten eenigen
invloed kan hebben!" antwoordde Padre Salvi streng. "En toch zou een
goede biecht haar behoeden voor herhalingen van zulke afranselingen
als die van vanmorgen."
"Ze verdient het!" ging Doña Victorina voort, alsof ze Padre Salvi
niet gehoord had. "Die vrouw is erg onhebbelijk! In de kerk doet ze
niet anders dan naar mij kijken. Natuurlijk, 't is ook maar iemand van
niets. Zondag wou ik haar vragen, of ik soms apen in mijn gezicht had;
och maar wie wil zich bevuilen door te praten met menschen beneden
zijn stand?"
Van zijn kant hervatte de pastoor, alsof hij evenmin deze heele tirade
gehoord had:
"Geloof me, Don Santiago, om uw dochter heelemaal te genezen, is 't
noodig dat ze morgen een communie doet. Ik zal haar het _viaticum_
brengen ...ik geloof dat ze niets zal hebben om te biechten. Maar,
als ze van avond wil..."
"Ik weet niet," voegde dadelijk Doña Victorina eraan toe, gebruik
makende van een oogenblik stilte, "ik begrijp niet, dat er mannen
in staat kunnen wezen met zulke vogelverschrikkers als die vrouwen
te trouwen. Van verre zie je al vanwaar ze komt. 't Is haar aan te
zien dat ze vergaat van jaloezie. 't Is te begrijpen! Wat verdient
zoo'n _alférez_?"
"Dus, Don Santiago, zegt u maar aan uw nicht dat ze de zieke moet
voorbereiden op de communie van morgen. Ik kom vanavond om haar
absolutie te geven voor haar zondetjes..."
En ziende dat tante Isabel uitging, zeide hij haar in 't Tagaalsch:
"Bereidt u uw nichtje voor, dat ze vanavond moet biechten. Ik zal haar
morgen het _viaticum_ brengen, daar zal ze spoediger door herstellen."
"Maar, pater," waagde Linares schuchter tegen te werpen, "u moet nu
niet gelooven dat ze in doodsgevaar is."
"Maakt u maar niets ongerust!" antwoordde hij, zonder hem aan te
kijken, "ik weet heel goed wat ik doe. Ik ben al bij heel wat zieken
geweest. Bovendien moet zij maar zelf zeggen, of ze de heilige communie
wil doen, en u zult zien dat ze in alles toestemt."
Voorloopig stemde Capitán Tiago in alles toe.
Tante Isabel trad de ziekenkamer binnen.
Maria Clara lag nog te bed, bleek, zeer bleek; naast haar zaten haar
beide vriendinnen.
"Neem nog een korreltje," zeide Sinang zacht, en bood haar een wit
pilletje aan, dat ze uit een glazen buisje haalde, "hij zegt dat je
met de medicijn moet ophouden, als je gegons in de ooren voelt."
"Heeft hij je niet nog eens geschreven?" vroeg de zieke zacht.
"Nee. Hij moet het zeer druk hebben!"
"Heeft hij niets aan me laten zeggen?"
"Hij zegt alleen maar, dat hij zal trachten van den aartsbisschop
kwijtschelding te krijgen van den kerkelijken ban, om dan..."
Het gesprek werd hier gestoord door de komst der tante.
"De pater zegt dat je je moet voorbereiden op biechten, mijn kindje,"
zeide zij. "Laat haar nu alleen, dan kan ze haar gewetensonderzoek
doen."
"Maar ze heeft immers nog geen week geleden gebiecht!" protesteerde
Sinang. "Ik ben niet ziek, en ik zondig niet zoo vaak als zij!"
"Och kom, weet je niet wat de pastoor zegt? De rechtvaardige zondigt
zeven maal op een dag. Zeg, zal ik je het _Anker_, de _Ruiker_ of de
_Rechte weg ten Hemel_ brengen?"
Maria Clara antwoordde niet.
"Nou, je moet je maar niet vermoeien," voegde de goede tante eraan
toe. "Ik zelf zal je 't gewetensonderzoek voorlezen, en dan moet jij
maar alleen aan je zonden zien te denken."
"Schrijf hem dat hij niet meer aan mij moet denken!" fluisterde Maria
Clara Sinang in 't oor, toen ze afscheid van haar nam.
"Hoe zoo?"
Doch de tante kwam binnen, en Sinang moest wel heengaan, zonder te
begrijpen wat haar vriendin haar gezegd had.
De goede tante zette een stoel bij het licht, zette de bril op de
punt van haar neus, en, een boekje openslaande, zeide ze:
"Let nu goed op, mijn kind. Ik zal beginnen met de geboden Gods. Ik
zal langzaam lezen, dan kun je nadenken. Als je me niet goed verstaan
hebt, moet je 't me zeggen, dan zal ik 't overdoen. Je weet wel dat
ik, waar 't je welzijn geldt, nooit moe word."
Ze begon met eentonig neusgeluid de beschouwingen omtrent de
zondegevallen voor te lezen. Na iedere paragraaf zweeg ze een heele
poos, om het jonge meisje tijd te geven, zich haar zonden te herinneren
en er berouw over te hebben.
Maria Clara keek starend voor zich uit. Toen het eerste gebod,
"God lief te hebben boven alle dingen," gelezen was, sloeg Tante
Isabel haar boven haar bril even gade, en was tevreden over haar
peinzend en droevig aanzien. Ze hoestte vroom, en begon, na een lange
pauze, aan 't tweede gebod. De goede oude las met zalving, en toen
de beschouwingen gelezen waren keek ze weer eens naar haar nichtje,
dat langzaam het hoofd naar den anderen kant wendde.
"Och!" zeide tante Isabel bij zichzelve, "dat van 't ijdel gebruiken
van zijn heiligen naam, daar heeft 't arme schaap zich nooit aan
schuldig gemaakt. Laten we 't derde nemen."
En het derde gebod werd ontleed en gecommentarieerd, en alle gevallen
werden gelezen waarin men er tegen zondigt. Daarna wendde ze zich
weer naar 't bed. Doch deze keer bracht de tante de bril naar boven,
en wreef zich de oogen uit: ze had gezien dat haar nichtje de zakdoek
naar 't gezicht bracht als om tranen af te drogen.
"Hm!" zei ze, "hm! hm! 't Arme kind is zeker in slaap gevallen
gedurende de preek."
En haar bril weer op 't puntje van haar neus zettend, zeide ze bij
zichzelf:
"Laten we 's zien, of ze net zoo als ze de feestdagen niet heeft
geëerd, ook vader en moeder niet geëerd heeft."
En ze las het vierde gebod, met nog zeuriger stem en nog meer door
den neus, geloovende zoo meer plechtigheid aan de zaak bij te zetten,
zooals ze dat veel geestelijken had hooren doen.
Het jonge meisje bracht intusschen verscheidene malen de zakdoek aan
de oogen, en haar ademhaling werd hoorbaarder.
"Wat 'n goede ziel!" dacht het oudje; "zij die zoo gehoorzaam en
zoo inschikkelijk tegenover iedereen is! Ik heb meer zonden gedaan,
en ik heb nooit echt kunnen schreien."
En ze begon aan 't vijfde gebod, met nog meer zeurigheid en zoo
mogelijk nog erger neusgeluid, en met zooveel geestdrift, dat ze
't gesnik van haar nichtje niet hoorde. Alleen na een pauze die ze
maakte, na de beschouwingen over doodslag met gewapende hand te hebben
gelezen, bemerkte zij 't gekreun der zondares. Toen steeg de toon boven
't verhevene, ze las wat er nog stond op een toon die ze dreigend
trachtte te maken, en ziende dat Maria nog steeds bleef schreien,
zeide ze, terwijl ze dichter bij 't bed kwam:
"Schrei maar, kind, schrei maar! Hoe meer je schreit, hoe eer God je
vergeven zal. Wees maar zeker dat de smart van zondeinkeer beter is
dan die van zelfverwijt! Geef je zelf ook slagen op de borst, maar
niet hard, want je bent nog ziek."
Doch, alsof de smart om toe te nemen verborgenheid en eenzaamheid
behoefde, hield Maria Clara, toen ze zich verrast zag, langzaam
op met zuchten, en droogde haar oogen, zonder een woord te zeggen,
of haar tante te antwoorden.
Deze ging met lezen voort, maar omdat het schreien van haar publiek
opgehouden was, verloor ze de geestdrift, en gaven de laatste geboden
haar zelfs slaap, en deden haar geeuwen tot groot nadeel van het
eentoonig neusgeluid, dat op die wijze afgebroken werd.
"Als ik 't niet zag, zou ik 't niet gelooven!" dacht de goede oude
vrouw daarna. "Dit meisje zondigt als een soldaat tegen de vijf eerste
geboden juist het omgekeerde van ons vroeger! Wat gaat het vreemd in
de wereld tegenwoordig!"
En ze stak een groote kaars aan voor de Heilige Maagd van Antipolo,
en nog twee kleinere voor onze Lieve Vrouw der Rozenkrans en Onze
Lieve Vrouw van de Pilaar, terwijl ze er zorg voor droeg een ivoren
kruisbeeldje te verwijderen en in een hoek te leggen, om daaraan toch
vooral duidelijk te kennen te geven, dat de kaarsen niet voor dat
beeldje waren aangestoken. De maagd van Delaroche kreeg ook niets:
't was een onbekende vreemdelinge, en tante Isabel had nog nooit van
een wonder van haar gehoord.
We weten niet wat er voorgevallen is bij de biecht van dien avond:
wij eerbiedigen zulke geheimen. De biecht duurde lang, en de tante,
die uit de verte haar nichtje in 't oog hield, kon opmerken dat de
pastoor, in plaats van 't oor gekeerd te hebben naar den mond der
zieke, integendeel het gezicht naar haar gewend had, en slechts in de
schoone oogen van het jongemeisje scheen te willen lezen wat ze dacht,
of er naar te gissen.
Bleek en met opeengeklemde lippen verliet Padre Salvi het
slaapvertrek. Zijn somber en met zweet bedekt voorhoofd ziende, zou
men gezegd hebben, dat hij biechteling was geweest en geen absolutie
had kunnen krijgen.
"Jezus, Maria en Jozef!" zeide onze tante, en sloeg een kruis, om
een slechte gedachte van zich te verjagen.
"Wie snapt nu de jonge meisjes van tegenwoordig?!"