De maaltijd.
Ginds in de versierde feesttent zaten de groote mannen van de provincie
aan den maaltijd.
De _alcalde_ zat aan 't eene uiteinde der tafel, Ibarra aan 't
andere. Rechts van den jongen man bevond zich Maria Clara, en aan zijn
linkerzijde de notaris. Capitán Tiago, de _alférez_, de burgemeester,
de monniken, de beambten en de enkele jonge dames die gebleven waren,
zaten niet naar rang, maar naar eigen verkiezing.
Het feestmaal was nogal opgewekt en vroolijk, doch toen 't in vollen
gang was, kwam er een telegraafbode op Capitán Tiago af, met een voor
hem bestemd bericht. Natuurlijk vroeg deze verlof, het te mogen lezen,
en even natuurlijk verzocht iedereen hem, het te willen doen.
Onze waardige _Capitán_ fronst eerst de wenkbrauwen, dan trekt hij
ze op. Zijn gelaat verbleekt, klaart op, en haastig het papier weer
opvouwend, staat hij van tafel op, en zegt gejaagd:
"Dames en heeren, Zijne Excellentie de Gouverneur komt van avond mijn
huis met een bezoek vereeren!"
En meteen zet hij 't op een loopen, telegram en servet in de hand,
maar zonder hoed, bestormd door achterna gezonden uitroepen en vragen.
De tijding dat de _toelisan's_ of roovers gekomen waren, zou stellig
niet meer opschudding verwekt hebben.
"Hoort u 's even!" "Wanneer komt hij?" "Vertelt u ons toch 's! Z'n
Excellentie!"
Capitán Tiago was al weg.
"Zijne Excellentie komt en gaat logeeren bij Capitán Tiago!" riepen
er enkelen, er niet aan denkende, dat daar zijn dochter en zijn
aanstaande schoonzoon mee aanzaten.
"Hij kon geen betere keus doen!" antwoordde deze laatste.
De monniken keken elkaar aan. De blik wilde zeggen:
"De Capitán-General doet weer een van zijn dwaasheden: hij beleedigt
ons." Doch ze zwegen allen.
"Ik heb er gisteren al van gehoord", zeide de _alcalde_, "maar toen
was Zijne Excellentie nog niet vast besloten."
"Weet u wellicht, meneer de alcalde, hoeveel tijd de Gouverneur hier
denkt te blijven?" vroeg de _alférez_ ongerust.
"Met stelligheid niet, Zijne Excellentie houdt van verrassingen."
"Daar komen nog meer telegrammen!"
Deze waren voor den _alcalde_, den _alférez_ en den burgemeester en
bevatten hetzelfde bericht. De geestelijken merkten goed op, dat geen
enkel telegram aan den pastoor gericht was.
"Zijne Excellentie zal hier om vier uren in den namiddag aankomen,
heeren en dames!" zei de _alcalde_ plechtig.
"We kunnen rustig ons maal beëindigen!"
Het gesprek hervatte zijn gewonen loop.
"Merkwaardig dat onze groote prediker afwezig is!" zeide schuchter een
van de beambten, een mak uitziend man, die zijn mond niet opengedaan
had, voor 't oogenblik dat het eten begon, en die nu voor 't eerst
op dien dag sprak.
Allen die de geschiedenis van Crisóstomo's vader kenden, maakten
een gebaar of gaven een knipoogje alsof ze zeggen wilden: "Och loop,
't eerste wat je zegt is een onhandigheid!"
Doch een der aanzittenden antwoordde snaaks:
"Hij moet wel een beetje moe zijn..."
"Wat, een beetje?" riep de _alférez_, "bekaf moet hij wezen,
afgejakkerd. Asjeblieft, dat was een preek!"
"Een pracht, een reuzen-preek!" zei de notaris.
"Heerlijk, diepzinnig!" voegde de correspondent eraan toe.
"Om zooveel te kunnen spreken, moet men longen hebben zooals hij",
merkte Padre Manuel Martin op.
De Augustijner erkende alleen de kracht van zijn longen.
"En zijn gemakkelijkheid van zich uit te drukken," liet Padre Salvi
volgen.
"Weten de heeren wel dat meneer Ibarra de beste kok in de heele
provincie heeft?" zeide de _alcalde_ om 't gesprek een andere wending
te geven.
"Dat heb ik ook al gezegd, maar zijn schoone buurvrouw doet de
tafel geen eer aan, want ze eet bijna niets," gaf een der beambten
ten antwoord.
Maria Clara kleurde.
"Meneer, u bent wel vriendelijk... U moet op mijn persoontje maar
niet letten," stamelde zij verlegen, "maar..."
"Door uw aanwezigheid hier alleen doet u de tafel al genoeg eer aan,"
kwam de hoffelijke _alcalde_ haar te hulp.
"Meneer de pastoor," vervolgde hij luider, "ik merk op dat uw
hoogeerwaarde den heelen dag stil en in gedachten is..."
"Meneer de alcalde is een ontzagwekkende opmerker!" riep Padre Sibyla
op bijzonderen toon.
"Dat ben ik zoo gewoon," stamelde de Franciskaan, "ik hou meer van
luisteren dan van spreken."
"Uw hoogeerwaarde is er altijd op uit, om te winnen en niet te
verliezen!" zei de _alférez_ schertsend.
Padre Salvi nam 't echter niet als scherts op; zijn blik schitterde
even toen hij teruggaf:
"Meneer de _alférez_ zal wel weten dat ik 't niet ben die dezer dagen
wint of verliest!"
De _alférez_ lachte gedwongen en deed alsof hij de steek niet
gevoeld had.
In de andere feesttent aten de kinderen, voorgezeten door hun
onderwijzer. Voor Filippijnsche kleinen maakten ze nogal gedruisch,
want in den regel zijn dezen aan tafel en in tegenwoordigheid van
vreemden eer schuchter dan ongedwongen. Degeen die zich vergiste
met het gebruik van 't eetgereedschap, kreeg een terechtwijzing van
zijn buurman. Daaruit ontstond een woordenwisseling en beiden vonden
aanhangers: sommigen beweerden dat de lepel, anderen dat de vork of
het mes moest gebruikt worden. En daar zij niemand als bevoegd in
deze zaak beschouwden, kwam het niet tot een oplossing.
De ouders gaven elkaar knipoogjes of elleboog-stootjes of andere
teekens, en aan hun lach kon men zien, dat ze in hun schik waren.
"Stellig," zei een boerin tot een oude man, die bezig was zijn
sirihpruimpje klaar te maken, "al is 't ook dat mijn man 't niet hebben
wil, mijn Andoy wordt toch priester. We zijn wel arm, maar we zullen
wel werken, en, als 't noodig mocht wezen, zullen we bedelen. Er zijn
altijd menschen te vinden, die er geld voor over hebben, om een arme
te helpen priester te worden. Zegt broeder Mateo niet--en die liegt
niet--dat Paus Sixtus karbouwenhoeder in Batangas geweest was? Nou,
kijk maar 's naar mijn Andoy, en zeg me dan, of hij niet al 't gezicht
van den heiligen Vincent heeft!"
En de goede moeder glom van trots, toen ze zag dat haar zoontje zijn
vork met beide handen vasthield.
"God geve 't!" antwoordt de oude man, zijn sirih kauwend. "Als Andoy
nog 's paus wordt, gaan we naar Rome. He, he!"
"Wees maar niet ongerust, grootvader! Andoy zal 't niet vergeten,
dat u hem rotan-manden en _dikin_-mandjes heeft leeren vlechten."
"Je heb gelijk, Petra, ik geloof ook dat je zoon nog 's iets groots
wordt, op z'n minst aartsvader. Ik heb nog nooit iemand gezien die
zoo gauw 't handwerk geleerd heeft! Zeker, hij zal wel aan me denken
wanneer hij als paus of bisschop manden voor zijn keukenmeid moet
maken. Hij zal stellig missen voor mijn ziel lezen, he, he!"
En ons oudje vulde zijn _kalikoet_ of sirihzakje tot den rand.
"Als God mijn gebeden verhoort en mijn wensch vervuld wordt, zal ik
Andoy zeggen: 'Vent, ontdoe ons van al onze zonden, zend ons naar
den hemel. Dan hoeven we niet meer te bidden of te vasten of aflaten
te koopen. Wie een zoon heeft die Zijne Heiligheid de Paus zelf is,
die mag vrij zondigen!'"
"Zend hem morgen naar mijn huis, Petra," zeide de oude man vol
geestdrift, "ik zal hem leeren _nitô_-vlechtwerk te maken."
"Och wat! Wat denkt u wel, grootvader? Denkt u dat een pastoor
nog zijn handen verroert? De pastoor, zeg ik je, die niets meer
is dan pastoor, die werkt alleen bij de mis... wanneer hij zich
omkeert! De aartsbisschop draait zich zelfs niet meer om, die leest
de mis zittende. Dus de Paus...wel, de Paus leest de mis in zijn bed,
met een waaier in de hand!... wat verbeeldde u zich wel?"
"'t Is toch niet kwaad, Petra, dat hij leert, hoe je met _nitô_
werkt. Dan kan hij _salákot's_ (hoeden) en sigarenkokers verkoopen,
hoeft niet te bedelen, zooals de pastoor dat hier ieder jaar voor den
Paus doet. Ik krijg medelijden, als ik denk aan zoo'n armen heilige,
en dan geef ik altijd wat ik gespaard heb."
"Ik ben al besloten, buurvrouw, mijn zoon moet dokter worden. Niks
beter dan dokter!"
"Dokter! Zwijg toch, buurman," antwoordde Petra.
"Er gaat niks boven pastoor!"
"Pastoor! Larie! Pastoor? Een dokter verdient veel geld, de zieken
vereeren hem, buurvrouw!"
"Met je welnemen! De pastoor draait zich alleen maar drie of vier
keer om, zegt: 'déminos pabiskoem,' eet onze Lieve Heer en krijgt
geld. Alle menschen, zelfs de vrouwen vertellen hem hun geheimen!"
"En een dokter? Wat denkt u dan wel dat een dokter is? Een dokter
ziet alles wat jullie vrouwen mankeeren. Hij voelt de pols van de
jonge meisjes...
"Ik wou dat ik maar 's een enkel weekje dokter was."
"En de pastoor dan? Ziet de pastoor soms ook niet wat zoo'n dokter
ziet? Nou, nog beter hoor! U kent het spreekwoord wel: 'vette kip en
rond been voor den pastoor.'"
"Wat zou dat? Eten de dokters dan soms gedroogde visch?
"Die hebben zeker te klagen?"
"Nee, maar de pastoor maakt zijn handen ten minste niet vuil, zooals
zoo'n dokter. En dan heeft hij groote landerijen, en wanneer hij werkt,
dan doet hij 't met muziek en de kosters helpen hem erbij."
"En de biecht afnemen, buurvrouw? Noem je dat geen werken?"
"Nou, dat 's ook een werk! Al moest je de heele wereld de biecht
afnemen! Dat is zeker sloven en zwoegen, na te gaan wat mannen en
vrouwen doen, wat je buren doen! De pastoor gaat alleen maar zitten
en dan vertellen ze hem alles. Soms valt hij in slaap. Hij steekt een
paar zegeningen af, en klaar is Kees: we zijn weer Gods kinderen! Ik
wou dat ik 's pastoor was op een middag in den vasten tijd!"
"En 't... 't preeken dan? Is dat dan soms geen werk? Nou, dan moest u
maar 's opgelet hebben, hoe de 'groote pastoor' van ochtend zweette,"
bracht de man ertegen in, die voelde dat hij grond verloor.
"Preeken? Preeken een werk? Hoe komt 't bij u op? Ik woû dat ik maar
's een halven dag achtereen op de katheder mocht staan, om niets
anders te doen dan iedereen uit te vegen en de ooren te wasschen,
zonder dat iemand een woord terug durft te zeggen, en dat ze me daar
ook nog voor betaalden! Nou, ik wou dat ik 's pastoor mocht wezen,
een morgen maar, wanneer de lui die me geld schuldig zijn de mis
bijwonen! Let maar 's op, daar, hoe dik Padre Dámaso wordt van al
zijn standjes geven en ranselen!"
Inderdaad, daar kwam Padre Dámaso aanstappen met den waggelgang van
een zwaarlijvig mensch, half lachend, maar op zulk een boosaardige
wijze, dat Ibarra, toen hij hem zag, den draad van zijn toespraak
kwijt raakte.
De pater werd, schoon met eenige verwondering, door iedereen met
teekenen van vreugde begroet, behalve door Ibarra. Men was reeds aan
de nagerechten en de champagne schuimde in de kelken.
Padre Dámaso's glimlach werd zenuwachtig, toen hij zag, dat Maria
Clara naast Crisóstomo zat. Doch, een stoel nemende naast dien van
den _alcalde_, vroeg hij te midden van een beteekenisvolle stilte:
"Spraken de dames en heeren over iets? Gaat u dan voort."
"We waren aan de toasten," antwoordde de _alcalde_. "Meneer Ibarra
was juist bezig allen te bedanken die hem in zijn menschlievend
werk ter zijde gestaan hadden, en hij sprak over den bouwmeester,
toen uwe hoogeerwaarde..."
"Och, ik heb geen verstand van bouwkunde," viel de pater in de
rede, "maar ik lach wat om architekten en om de ezels die ze noodig
hebben. Kijk daar die kerk, daar heb ik 't plan voor geteekend, en die
is uitstekend gebouwd: dat heeft een Engelsche juwelier nog gezegd,
toen hij 's op een dag in 't 'klooster' bij me logeerde. Om zoo'n
plan te maken heb je aan een minimum hersens genoeg!"
"Maar," hervatte de _alcalde_, die zag dat Ibarra zweeg, "u zult
toch toegeven dat voor zekere gebouwen, bijvoorbeeld zoo'n school,
wel een deskundige noodig is!"
"Och wat, larie!" riep Padre Dámaso spottend, "wie een _des_kundige
voor zoo iets noodig heeft, is een _snert_kundige!
"Daar moet je toch waarlijk botter voor wezen dan de inlanders--die
bouwen hun eigen huizen--om niet vier van die muren te kunnen opzetten
en daar een deksel op te maken; want wat is zoo'n school anders?"
Allen keken naar Ibarra, doch deze ging voort met Maria Clara te
praten, ofschoon hij bleek werd.
"Maar uwe hoogeerwaarde moet toch in aanmerking nemen ..."
Doch de Franciskaner liet den alcalde niet aan 't woord. "U weet toch
zeker wel," ging hij voort, "dat een leekebroeder van ons, de domste
dien we hebben, een goed, mooi en goedkoop gasthuis heeft gebouwd. Hij
liet flink werken en betaalde niet meer dan acht 'cuarto's' per dag,
zelfs aan de menschen die van andere dorpen moesten komen. Die kon er
mee omgaan, die deed niet als sommige 'halve garen' en sinjo's, die
het werkvolk bederven door hun drie of vier 'real' loon te geven". [37]
"Zegt uw weleerwaarde dat hij maar acht cuarto's
betaalde? Onmogelijk!" zeide de _alcalde_, om het gesprek een andere
wending te geven.
"Ja, meneer, en zoo moest iedereen doen die zich voor goed Spanjaard
uitgeeft. Och, 't is duidelijk: sinds het Suez-kanaal geopend is,
is er hier de klad in gekomen. In vroeger tijd, toen we de Kaap
moesten omvaren, kwam er hier niet zooveel tuig, en gingen er ook
niet zooveel naar Europa, om als tuig terug te komen!"
"Maar Padre Dámaso!"
"U weet heel goed, hoe de inlander is: als hij maar even wat gestudeerd
heeft, hangt hij de geleerde uit. Al die snotjongens die tegenwoordig
naar Europa gaan..."
"Maar luister nu toch 's even, weleerwaarde!" viel de _alcalde_ in,
die ongerust begon te worden over 't aanvallend karakter dier woorden.
"Ze eindigen allemaal zooals ze 't verdienen", ging de monnik voort:
"de hand Gods is erin te bespeuren; je zou blind moeten wezen, om
't niet te zien. De ouders van zulk 'vee' krijgen in dit leven de
kastijding al... die crepeeren in de gevangenis, ha, ha! net als..."
Doch hij bracht zijn zin niet ten einde. Ibarra--die lijkbleek was
geworden--had hem met den blik gevolgd. Toen hij de toespeling op zijn
vader hoorde, sprong hij op en liet zijn stoere vuist neerkomen op
't hoofd van den priester, die als bedwelmd achterover viel.
Vol verbazing en schrik dorst niemand tusschen beiden komen.
"Laat me begaan!" riep de jonge man met een vreeselijke stem, en hij
strekte zijn hand uit naar een scherp mes, terwijl hij met zijn eene
voet op de keel van den pater stond. Deze was inmiddels van zijn
verbijstering hersteld. "Die niet dood wil, moet me laten begaan!"
Ibarra was buiten zich zelve: zijn lichaam beefde, zijn oogen bewogen
zich dreigend in hun kassen. Fray Dámaso deed een geweldige poging
om op te staan, die bijna slaagde, maar de ander greep hem bij zijn
keel en duwde hem in elkaar op zijn knieën.
"Meneer Ibarra! Meneer Ibarra!" stamelden enkelen.
Maar niemand, zelfs niet de _alférez_, waagde het om naderbij
te komen. Men zag 't mes flikkeren en dacht aan de kracht en den
gemoedstoestand van den jongeman. Allen voelden zich als verlamd.
"Jullie daar, jullie hebben je mond gehouden, nu neem ik 't op me. Ik
heb gedaan wat ik kon om 't te vermijden. God heeft 't zoo gewild,
laat God beslissen!"
De jongeman ademde zwaar, maar bleef met ijzeren greep den Franciskaan
neerdrukken. Tevergeefs wrong en worstelde deze om los te komen.
"Mijn geweten is volkomen rustig, ik voel niet de minste weifeling..."
En om zich heen kijkende, voegde hij eraan toe: "Eerst dit: Is er
onder u soms iemand die zijn vader niet liefgehad heeft, die alleen
haat voelt, als hij aan hem denkt, iemand die misschien geboren is
in schande en vernedering?... Nu? Hoor je, iedereen zwijgt. Zeg,
priester van een God van vrede, die altijd den mond vol heeft van
heiligheid en godsvrucht, en je hart vol afschuwelijkheid, jij hebt
zeker nooit beseft wat een vader is... anders zou je aan den jouwe
gedacht hebben! Zie je? onder die menschen daar, die jij minacht,
is er geen een zooals jij. Je bent geoordeeld."
De andere aanwezigen, denkende dat hij een moord zou begaan, kwamen
in beroering.
"Laat me begaan," schreeuwde Ibarra nogmaals met dreigende
stem. "Wat? Is er iemand soms bang dat ik mijn handen zal bevuilen
met onrein bloed? Heb ik dan niet gezegd dat mijn geweten volkomen
rustig was? Laat ons begaan! Luistert, priesters, rechters, jullie die
jezelf voor een ander soort menschen houdt, met andere rechten! Mijn
vader was een man van eer. Vraagt 't gerust aan 't volk hier: dat
houdt zijn nagedachtenis hoog. Mijn vader was een goed burger: hij
heeft zich voor mij en 't welzijn van zijn land opgeofferd. Zijn huis
stond open voor een ieder, aan zijn tafel was plaats voor iederen
vreemdeling of verschoppeling, die in zijn ellende bij hem om hulp
kwam! Hij wat een goed christen: hij heeft altijd 't goede gedaan,
en nooit zwakken onderdrukt of ongelukkigen gekweld... Voor deze man
heeft hij zijn huis ook opengezet, hij heeft hem aan zijn tafel gehad,
hij heeft hem zijn vriend genoemd. Hoe is hij daarvoor beloond? De
man heeft hem belasterd, vervolgd, heeft domme menschen tegen hem
opgezet door misbruik te maken van zijn heilig ambt. Hij heeft zijn
graf geschonden, zijn nagedachtenis gehoond en hem zelfs in zijn
doodsrust vervolgd. En omdat hij daar niet mee tevreden is vervolgt hij
nu den zoon! Ik heb hem ontweken, ik heb hem vermeden waar ik kon... U
hebt hem van morgen den preekstoel hooren verontheiligen door mij aan
't dweepzieke volk als 't ware met den vinger aan te wijzen. Ik heb
gezwegen. Nu komt hij hier, om twist met me te zoeken. Ik heb eerst
in stilte geleden, tot uw verwondering, nietwaar? Maar hij heeft nu
weer een nagedachtenis beleedigd, die aan iedereen, die zich een
goed zoon voelt, heilig is... U aanwezigen, priesters, rechters,
heeft een van u zijn oude vader zijn nachtrust zien opofferen, om
voor u te werken, hem van u zien scheiden voor uw welzijn, sterven
van verdriet in de gevangenis, smachtend om u te mogen omhelzen,
zoekend naar iemand die troosten kon, alleen, ziek en ellendig,
terwijl u verweg in 't buitenland waart?... Hebt u later zijn naam
hooren smaden, hebt u ook zijn graf leeg gevonden, toen u er wilde
bidden? Niet? Zwijgt iedereen? Dan veroordeelt u hem!"
Hij hief het mes op, maar een jong meisje liep ijlings op hem toe en
hield met haar teedere handen zijn arm tegen. 't Was Maria Clara.
Ibarra keek haar aan alsof hij krankzinnig was geworden. Langzamerhand
verslapte de krampgreep van zijn vingers en liet hij 't lichaam van
den monnik los. 't Mes ontgleed hem. En 't gelaat met beide handen
bedekkend, liep hij door de menigte heen, hard weg.
Spoedig was het gebeurde in 't dorp bekend. In den beginne wilde
niemand 't gelooven, doch toen men voor de bewijzen zwichten moest,
uitte een ieder luide zijn verbazing.
Ieder maakte zijn opmerkingen, al naar den graad van zijn zedelijk
peil.
"Padre Dámaso is dood!" zeiden er sommigen. "Toen ze hem van den grond
opnamen, was zijn gezicht vol bloed. En hij haalde geen adem meer."
"Laat hem in vrede rusten, maar hij heeft niets dan zijn verdiende
loon!" riep een jongmensch uit. "Als je 's wist wat hij van morgen in
't klooster gedaan heeft... 't Is niet om te zeggen."
"Wat heeft hij gedaan? Heeft hij de coadjutor weer een pak ransel
gegeven?"
"Wat heeft hij toch gedaan? Kom, vertel 't ons."
"Hebt u van ochtend een Spaansche sinjo gedurende de preek door de
sakristie de kerk uit zien gaan?"
"Zeker, zeker, dat hebben we gezien. Padre Dámaso keek er nog erg
naar."
"Nu goed...na de preek heeft hij hem bij zich laten komen, en hem
gevraagd waarom hij heen was gegaan. 'Ik versta geen Tagaalsch, pater'
zei hij. 'En waarom heb je ermee gespot en gezegd dat het Grieksch
was?' Dat schreeuwde hij hem in zijn gezicht, en gaf hem meteen een
oorvijg. Het jongmensch sloeg terug, en zoo werd 't een formeele
vechtpartij, totdat ze door andere menschen werden gescheiden."
"Dat moest mij 's overkomen"... mompelde een student binnensmonds.
"Ik keur 't optreden van den Franciskaan af," antwoordde een ander,
"want godsdienst is iets dat men niemand als straf of boete
af moet dwingen. Maar ik ben er bijna blij om, want ik ken dat
jongemensch. Ik weet dat hij van San Pedro Makati komt, en goed
Tagaalsch spreekt. Tegenwoordig wil hij graag doorgaan voor iemand
die zoo kersversch uit Rusland is gekomen. En nu meent hij voornaam
te doen door de taal van zijn ouders te verloochenen."
"Dan is 't maar goed ook dat hij 'op zijn ziel' gehad heeft!"
"En toch moeten we tegen 't gebeurde opkomen," riep een andere student
uit. "Als we ons stilhielden, zou 't net zijn alsof we 't goed vonden,
en dan kon 't zelfde een van ons even zoo overkomen. We gaan weer
naar de tijden van Nero terug!"
"Je vergist je!" gaf een ander te kennen, "Nero was een groot
kunstenaar, en onze pater Dámaso preekt allerberoerdst!"
De commentaren der oudere menschen waren anders.
Terwijl men in een huisje buiten het dorp op de komst van den
gouverneur--Capitán Generaal--wachtte, zeide de burgemeester:
"'t Is niet makkelijk te zeggen, wie er gelijk heeft, en wie
ongelijk. Maar, als meneer Ibarra een beetje meer de voorzichtigheid
had betracht..."
"Als Padre Dámaso de helft van meneer Ibarra's voorzichtigheid had
gehad, wilt u misschien zeggen?" viel Don Filipo in. "'t Kwaje is,
dat ze de rollen verwisseld hebben: de jonge man heeft gehandeld als
een oud bezadigd man, de oude als een onbesuisd jongmensch."
"En u zegt dat niemand zich verroerde, dat er niemand tusschenbeide
is gekomen, behalve dan de dochter van Capitán Tiago?" vroeg Capitán
Martin.
"Geen enkele van de _frailes_, en de _alcalde_ ook niet? Hm! Erger
kon 't al niet! Ik zou niet graag in 't vel van dat jongemensch
steken. Niemand zal hem ooit vergeven dat hij bang voor hem geweest
is. Erger kon 't al niet, hm!"
"Gelooft u dat heusch?" vroeg Capitán Basilio vol belangstelling.
"Ik verwacht", zeide Don Filipo, terwijl hij met dezen een blik
verwisselde, "dat het dorp hem niet in den steek zal laten. Wij moeten
niet vergeten wat zijn familie voor ons gedaan heeft, en wat hij nu
voor ons doet. En als misschien de menschen in 't dorp uit vrees hun
mond houden en zich niet roeren, dan zullen zijn vrienden..."
"Maar, heeren," vroeg de burgemeester, "wat kunnen wij nu doen? Wat
kan 't volk doen? Och, wat er ook gebeurt, de monniken krijgen
altijd gelijk."
"Ze krijgen 'altijd' gelijk, omdat wij hun dat 'altijd' geven,"
gaf Don Filipo kregelig terug, terwijl hij beide malen sterk op dat
"altijd" drukte. "Als we maar eens onszelf gelijk gaven, dan zouden we
's verder kunnen praten!"
De "gobernadorcillo" krabde zich achter zijn oor, keek naar de
zoldering, en antwoordde scherp:
"Och, wat 'n warmbloedigheid! 't Lijkt wel alsof u nog niet weet, in
welk land we zijn en onze landlui niet kent. De _frailes_ zijn rijk en
steunen elkaar, wij zijn verdeeld en arm. Wel zeker! Probeert u maar
's hem te verdedigen, en u zult 's zien hoe ze u alleen laten zitten!"
"Jawel!" riep Don Filipo vol bitterheid uit, "dat zal gebeuren
zoolang men er zoo over denkt, zoolang vrees en voorzichtigheid
één blijven. Men let meer op een kwaad dat gebeuren kan, dan op 't
goede dat noodzakelijk is. Dadelijk doet zich vrees voor in plaats
van vertrouwen. Iedereen denkt aan zichzelf alleen, niemand aan zijn
evenmensch. Daarom zijn we allemaal zwak."
"Nu goed, u moet maar 's eerst aan een ander denken en dan aan uzelf,
en u zult 's zien hoe ze u met de gebakken peren laten zitten! Kent u
't Spaansche spreekwoord niet: welbegrepen menschlievendheid begint
met zichzelf?"
"Waarom zegt u niet liever," antwoordde de teniënte mayor buiten
zichzelve van ergernis: "dat welbegrepen lafheid begint met zelfzucht
en eindigt met schande! Ik neem dadelijk mijn ontslag bij den
_alcalde_: ik ben er beu van, den zot uit te hangen en niemand tot
nut te wezen... _Adios_!"
De vrouwen waren van een ander gevoelen.
"Och, och!" zuchtte er een, die er goedig uitzag, "die jonge menschen
toch! Wat zou zijn goeie moeder wel zeggen, als die nog leefde? Och
God! Als ik toch 's bedenk, dat mijn zoon ook zoo iets kan overkomen,
want dat 's ook een heethoofd...Och Heerejee! Ik ben bijna jaloersch
op zijn moeder, die dood is... ik zou doodgaan van verdriet."
"Nu, ik niet," antwoordde een andere vrouw, "ik zou er geen verdriet
van hebben, als zoo iets aan mijn twee zoons overkwam."
"Wat zegt u, _Capitana_ Maria?" riep de eerste uit, en sloeg de handen
in elkaar.
"Ik mag 't zien, dat een zoon opkomt voor de nagedachtenis van zijn
ouders. _Capitana_ Finay, wat zou u wel zeggen als u eens, als weduwe,
kwaad hoorde spreken van uw man en uw zoon Antonio zijn hoofd boog
en geen woord er tegenin zei?"
"Ik zou hem mijn zegen niet meer willen geven!" riep een derde uit. 't
Was zuster Roefa. "Maar..."
"Mijn zegen niet meer geven, dat nooit!" viel de goedige _Capitana_
Finay in, "een moeder mag zoo iets niet zeggen ...maar ik weet niet,
wat ik doen zou ... ik weet niet.., ik geloof dat ik 't besterven
zou...ik zou hem...nee! Lieve God! maar ik zou hem niet meer willen
zien...maar wat komt 't er toch bij u op aan, _Capitana_ Maria?"
"In allen gevalle," voegde zuster Roefa erbij, "moet men nooit
vergeten, dat het een groote zonde is, de hand op te heffen tegen
een gewijd persoon, een heilig man."
"De nagedachtenis van iemands ouders is nog heiliger," hervatte
_Capitana_ Maria. "Niemand, zelfs de Paus niet, en nog minder Padre
Dámaso, mag zoo'n heilige nagedachtenis ontwijden!"
"Dat is waar!" mompelde _Capitana_ Finay vol bewondering voor de
wijsheid der beide anderen, "waar haalt u toch zulke mooie redeneringen
vandaan?"
"Ja, maar hoe is 't dan met de kerkelijke ban en de verdoemenis?" vond
la Roefa nog in te brengen. "Wat beteekenen eer en goede naam in dit
leven, als we onze verdoemenis in 't leven hiernamaals bewerken? Alles
is vergankelijk, maar de kerkelijke ban...een dienstknecht van Jezus
Christus...te hoonen... zoo iets kan alleen de Paus vergeven!"
"God zal 't wel vergeven, want 't is zijn gebod vader en moeder
te eeren. God zal hem niet in den ban doen! En ik zeg u: als dat
jongmensch in mijn huis komt, dan ontvang ik hem en spreek ik met
hem. Als ik een dochter had, dan woû ik dat hij mijn schoonzoon werd:
iemand die een goed zoon is, zal zeker een goed echtgenoot zijn en
een goed vader ook, gelooft u dat maar, zuster Rufa!"
"Nu, ik denk er anders over. U mag zeggen wat u wilt: al schijnt het
ook dat u gelijk heeft, ik blijf den pastoor gelooven. Voor alles
zorg ik voor 't heil van mijn ziel. Wat zegt u, _Capitana_ Finay?"
"Och, wat zal ik u zeggen? U hebt beiden gelijk! Ik weet 't niet, ik
ben maar 'n dom mensch... Maar ik weet wel, dat ik aan mijn zoon zal
zeggen, dat hij niet meer studeeren moet! Ze zeggen dat de geleerden
aan den galg eindigen. Heilige Moeder Gods! En dan woû mijn zoon nog
wel naar Europa!"
"Wat denkt u dan te doen?"
"Hem zeggen dat hij bij me moet blijven. Wat geeft 't of ie wat meer
weet? Morgen of overmorgen gaan we toch dood, de geleerde menschen
evengoed als de domme menschen...de hoofdzaak is in vrede te leven."
En de goede vrouw zuchtte, en sloeg de oogen ten hemel.
"Nu", zei _Capitana_ Maria ernstig, "als ik rijk was zooals u,
dan zou ik mijn zoons vrij laten reizen: 't zijn jongelieden, en
't zullen eenmaal mannen moeten wezen...Ik heb wel niet lang meer te
leven...we zouden elkaar in 't andere leven terugzien. Zoons moeten
er naar streven, wat meer te zijn dan hun ouders, en als we ze aan
den leiband houden, leeren we ze alleen kind zijn?."
"Och, wat 'n vreemde ideën heeft u!" riep Capitana Finay ontsteld uit,
en sloeg weer de handen in elkaar. "'t Is net of u geen pijn geleden
heeft, toen u uw tweelingen kreeg!"
"Juist omdat ik ze met pijn ter wereld heb gebracht, en ze behoorlijk
heb opgevoed, al zijn we nog zoo arm, wil ik niet, dat na al de moeiten
en zorgen die ze ons gekost hebben het maar halve mannen werden..."
"Ik geloof niet dat u van kinderen houdt, zooals God het
voorschrijft!" zeide zuster Roefa op eenigszins strengen toon.
"Och, neem me niet kwalijk: iedere moeder houdt van haar kinderen
op haar eigen manier. Ik heb ze lief om hun zelf. Zoo heeft mijn man
't me geleerd."
"Al uw ideën, Capitana Maria," zeide la Roefa op een preektoon,
"zijn al heel weinig godsdienstig. Wordt u maar 's zuster van den
Allerheiligsten Rozenkrans, van Sint Franciskus, van Sinte Rita of
van Sinte Clara!"
"Zuster Roefa, zoodra ik me een waardige zuster van de menschen voel,
zal ik zien zuster van de heiligen te worden," antwoordde de ander
lachend.
Op 't marktplein zitten eenige landlieden te praten onder 't daar
opgeslagen verhemelte. De man die zooveel ophad met het doktersberoep
zit erbij.
"Wat me 't meeste spijt," zei deze, "is dat de school nu niet afkomt."
"Hoe zoo, hoe nu?" vroegen de omstanders vol belangstelling.
"Mijn zoon kan nu geen dokter meer worden, wel karrevoerder! Er komt
niets van! Er komt geen school meer!"
"Wie zegt dat, dat er geen school komen zal?" vroeg een ruwe,
stoergebouwde boer, met breede kaken en een smal hoofd.
"Ik! De blanke paters hebben gezegd dat Don Crisóstomo een
_pilibistiro_ is. Er komt geen school!"
Allen keken elkaar vragend aan: die naam was iets nieuws voor hen.
"En is dat iets leelijks, die naam?" waagde ten slotte de stoere
landbouwer te vragen.
"'t Ergste wat de eene Christen van den ander kan zeggen!"
"Erger dan _tarantado_ en _saragaté_?" [38]
"Was 't dat maar! Daar hebben ze me dikwijls voor uitgescholden,
en dat heeft me koud gelaten."
"Och kom, 't zal toch niet erger zijn dan 'indio', zooals de _alférez_
ons noemt." [39]
De man wiens zoontje karrevoerder zou worden, kijkt somberder, de
ander krabt zich achter zijn oor en denkt na.
"Dan is 't zeker net zooals _bitlopora_, (_vete á la porra_, loop
naar de weerga!), wat de 'ouwe' van den _alférez_ altijd zegt! Nog
erger dan dat is spugen op de hostie."
"Nu dan, 't is nog erger dan spugen op de hostie op Goeden Vrijdag,"
antwoordde hij ernstig. "U zult zich wel herinneren, dat het woord
_ispitjoso_ [40], als het op iemand toegepast werd, voldoende was om
te maken, dat de politie van villa-Abrille hem naar een ballingsoord
of naar de gevangenis bracht. Nu, _pilibistiro_ is veel erger: als
ze je eenmaal _pilibistiro_ noemen, ga dan maar dadelijk biechten en
betaal je schulden af, want dan zit er niets anders op dan dat je je
laat ophangen. Dat zeggen de lui die 't weten kunnen."
Allen waren onder den indruk.
"Ze mogen me dwingen schoenen te dragen en mijn leven lang niets
anders te drinken dan van die paardenpies, die ze bier noemen, als
ik me ooit _pilibistiro_ laat noemen!" zwoer onze boer terwijl hij
zijn vuisten balde. "Nou, als ik Don Crisóstomo was, zoo rijk was,
en Spaansch kende als hij, en vlug kon eten met mes en lepel zooals
hij, dan lachte ik om vijf pastoors bij elkaar!"
"De eerste de beste 'guardia civil' die ik kippen zie stelen, noem ik
_pilibistiro_...en dan ga ik dadelijk biechten", mompelde heel zachtjes
een der landlieden, terwijl hij zich van 't gezelschap verwijderde.