XXXIV.

't Eerste wolkje.

Ten huize van Capitán Tiago heerschte niet minder verwarring dan in de

verbeelding der menschen. Maria Clara deed niets anders dan schreien

en luisterde niet naar de troostwoorden van haar tante en van Andéng,

haar zoogzuster. Haar vader had haar verboden met Ibarra te spreken,

zoolang de geestelijken hem geen absolutie van den kerkelijken ban

hadden gegeven.

Capitán Tiago, die het erg druk had met het in orde brengen van zijn

huis voor de waardige "ontvangst" van den gouverneur, was naar het

"klooster" opgeroepen.

"Schrei maar niet, kindje," zeide tante Isabel onder 't zemen der

glimmende spiegelvlakken, "ze zullen den ban wel opgeheven krijgen,

ze zullen wel aan zijn Heiligheid den Paus schrijven...we zullen een

groote gift aan de armen doen...Padre Dámaso heeft alleen maar een

flauwte gehad...hij is niet dood!"

"Schrei niet," zei Andéng zacht tot haar, "ik zal wel zorgen, dat

je met hem praten kunt: waartoe dienen anders biechtstoelen, als

om te kunnen zondigen? Alles wordt vergeven, als je 't maar aan den

pastoor zegt."

Eindelijk kwam Capitán Tiago! De vrouwen zochten in zijn gelaat het

antwoord op veel vragen; doch 't gelaat van Capitán Tiago verkondigde

ontmoediging. De arme man transpireerde. Hij wreef zijn hand langs

zijn voorhoofd, en kon geen woord uitbrengen.

"Wat is er, Santiago?" vroeg tante Isabel vol bezorgdheid.

Hij antwoordde met een zucht, en wischte zich een traan weg.

"Om Gods wil, spreek toch! Wat is er gebeurd?"

"Wat ik wel gevreesd had!" barstte hij eindelijk half schreiend

los. "Alles is verloren! Padre Dámaso beveelt me de verloving af

te breken; als ik 't niet doe, ben ik verdoemd in dit leven en hier

namaals! Ze zeggen allemaal 't zelfde, zelfs Padre Sibyla! Ik moet de

deur van mijn huis voor hem sluiten en...ik ben hem meer dan vijftig

duizend _peso's_ schuldig! Dat heb ik ook aan de paters gezegd, maar

ze gaven er niks om. Wat verlies je liever, zeiden ze, vijftig duizend

peso's of je leven en je ziel? Ach, San Antonio! als ik 't geweten had,

als ik 't geweten had, als ik 't geweten had!"

Maria Clara snikte.

"Schrei niet, mijn kindje," hervatte hij, zich tot haar wendend. "Jij

bent niet zooals je moeder: die schreide nooit... nooit anders

dan om een grilletje...Padre Dámaso heeft me gezegd, dat er al een

familielid van hem uit Spanje is aangekomen...die bestemt hij je

tot aanstaande..."

Maria Clara hield de ooren dicht.

"Maar Santiago, ben je nu heelemaal gek?" riep tante Isabel. "Haar nu

met een anderen vrijer aan boord te komen. Denk je dan dat je dochter

zoo maar van aanstaande verwisselt, alsof ze een ander hemd aantrekt?"

"Dat heb ik ook niet gedacht, Isabel. Don Crisóstomo is

rijk...Spanjaarden trouwen alleen om 't geld...maar wat wil je dat

ik eraan doen zal? Ze hebben me met nog een kerkban gedreigd... Ze

zeggen, dat niet alleen mijn ziel groot gevaar loopt, maar ook mijn

lichaam ... mijn lichaam, versta je wel, mijn lichaam!"

"Maar jij doet niet anders dan je dochter den moed benemen! Is de

aartsbisschop niet een vriend van je? Waarom schrijf je dien niet?"

"De aartsbisschop is ook _fraile_, en de aartsbisschop doet niet

anders dan wat de _frailes_ hem zeggen. Maar Maria, je moet niet

schreien: de gouverneur komt straks. Hij zal je willen zien, en je hebt

roode oogen...Och, ik die gedacht had een gelukkigen avond te zullen

doorbrengen... Zonder die groote tegenspoed zou ik de gelukkigste man

op aarde wezen, en iedereen zou me benijd hebben...Bedaar wat mijn

kind: ik ben ongelukkiger dan jij, en ik schrei niet! Jij kunt nog

een beteren aanstaande krijgen. Maar ik, ik verlies vijftig duizend

_peso's_! Ach, Heilige Maagd van Antipolo, als 't me vanavond ten

minste maar wat meeliep!"

't Knallen van schoten, rollen van rijtuigen, paardengetrappel,

muziek die de koningsmarsch speelde, kondigden de komst van Z. E. den

Gouverneur der Filippijnsche eilanden aan. Maria Clara liep weg,

en verschool zich in haar slaapkamer... Arm meisje! Met haar hart

speelden grove handen, die er de fijne vezelen niet van kenden!

Terwijl het huis vol menschen liep, en krachtige schreden,

commando-stemmen, sabel-gerinkel en sporen-geklik overal weerklonken,

lag het zwaarbezochte jonge meisje neergeknield voor een gravure

van de Heilige Maagd. Deze was daar voorgesteld in die houding van

smartelijke verlatenheid, welke alleen Delaroche doorvoeld heeft,

als had hij haar verraste op 't oogenblik, dat ze 't graf van haar

zoon verliet.

Maria Clara dacht niet aan de smart dier moeder, ze dacht aan haar

eigen verdriet. Het hoofd op de borst gezonken en de handen op den

grond gesteund, geleek ze den stengel eener lelie door den storm

neergebogen. Een toekomstbeeld, waarvan ze jaren gedroomd, dat ze

jaren gekoesterd had, welks illusies, opgekomen in de kindsheid en

opgegroeid met de jeugd, vorm gaven aan de cellen van haar organisme,

thans uit geest en hart te willen wegwisschen met een enkel woord! Dat

is 't zelfde als het kloppen van dat hart te doen ophouden, 't licht

te benemen aan dien geest!

Maria Clara was een even goed en vroom Christin, als een liefhebbende

dochter. Niet alleen de kerkelijke ban over Ibarra vervulde haar met

angst: het bevel en de bedreigde rust van haar vader eischten thans

het offer harer liefde. Ze besefte nu de kracht dezer neiging meer dan

ooit te voren. 't Was een zachtkens voortglijdende rivier geweest,

met geurige bloemtapijten aan haar oevers, en fijn zand op haar

bedding. Haar water werd te nauwernood door den wind gerimpeld. 't Was

of de stroom allengs minder snel werd, zoo liet ze zich aanzien. Doch

opeens vernauwen zich haar oevers, steile rotsen beletten haar den

doortocht, eeuwenoude boomstammen liggen over elkaar als om een dam

te vormen... O, dan loeit de rivier, dan rijst het water, dan zieden

de golven, dan stuiven pluimen van schuim, dan beukt ze de rotsen en

stort zich in den afgrond!

Maria Clara wilde bidden, maar wie bidt er in wanhoop? We bidden

wanneer we hopen, en anders kunnen we, tot God gewend, slechts

klachten uiten.

"Mijn God!" kreet haar hart, "waarom moet gij zoo een man uitstooten,

hem de liefde zijner medemenschen ontzeggen? Gij onthoudt hem niet uw

zon, noch uw lucht, gij verbergt hem evenmin het gezicht op uw hemel,

waarom hem de liefde te weigeren, wanneer men leven kan zonder hemel,

zonder lucht en zonder zon, maar nimmer zonder liefde?"

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 38 / 70 题