XXIII.

De vischvangst.

Nog flonkerden de sterren aan 't saffieren gewelf en de vogels

sluimerden nog op de takken der boomen, toen een vroolijk troepje

menschen reeds de straten van 't dorp doorliep, op weg naar 't meer,

onder het levendige schijnsel der toortsen of _hulpes_, die ze droegen.

't Waren vijf jonge meisjes, die haastig voortstapten, elkaar bij

de hand of om 't middel vasthoudend en gevolgd door eenige oude

vrouwen en verscheidene dienstboden, welke op bevallige wijze manden

vol mondvoorraad, borden en anderszins op 't hoofd droegen. In de

oogen der meisjes lachte de jeugd en blonk de levensvreugde. 't

Overvloedige zwarte haar en de ruime plooien der luchtige gewaden

golfden in den morgenwind.

't Waren Maria Clara en haar vier vriendinnetjes: de vroolijke

_Sinang_, haar nichtje; de streng-bezadigde _Victoria_; de mooie _Idai_

en de ernstige _Neneng_ met haar bescheiden schuchtere schoonheid.

Ze praatten levendig met elkaar, gaven elkaar kneepjes, fluisterden

af en toe in apartjes en schaterden dan, dat het een lust was.

"Je zult de menschen wakker maken!" berispte Tante Isabel, "toen wij

jong waren maakten we zoo'n lawaai niet."

"U zult ook wel niet zoo vroeg opgestaan zijn als wij, en de oudjes

zullen toen ook wel niet zoo lui geweest zijn!" antwoordde de kleine

Sinang.

Ze waren een oogenblik stil, dan trachtten ze hun stem wat minder

uit te zetten, doch al heel spoedig vergaten ze zich, lachten weer

en vervulden de straat met hun jeudigfrissche stemmen.

"Toon je maar boos; spreek niet tegen hem!" zeide Sinang tot Maria

Clara. "Geef hem maar een flink standje: hij moet geen leelijke

gewoonten aannemen."

"Wees toch niet zoo veel-eischend," zei Idai.

"Wees veel-eischend, hoor! Niet zot! Een man moet gehoorzaam zijn

zoolang hij verloofd is, want later, als hij getrouwd is, doet hij

alles waar hij zin in heeft!" zoo raadde de kleine Sinang.

"Wat weet jij daar nou van, kind?" zei haar nichtje Victoria heel wijs.

"St, stil! Daar komen ze aan!"

Inderdaad, er kwam een troepje jongelui aan. Ze droegen groote

flakkerende bamboe-fakkels en liepen vrij bezadigd voort onder 't

tokkelen van een gitaar.

"'t Lijkt wel een gitaar van een bedelaar!" zei Sinang lachend.

Toen de twee troepjes elkaar tegenkwamen, waren het de vrouwen die een

ernstige en waardige ingetogenheid in acht namen, alsof ze 't lachen

nog nooit geleerd hadden, terwijl daarentegen de mannen praatten,

groeten wisselden, lachjes verkochten en zes vragen deden om een half

antwoord te krijgen.

"Is het meer kalm? Gelooft u dat we mooi weer zullen krijgen?" vroegen

de moeders.

"Maak u maar niet ongerust, dames, ik kan goed zwemmen," antwoordde

een lang en tenger gebouwd jongmensch.

"We hadden toch eigenlijk eerst naar de mis moeten gaan!" zuchtte

tante Isabel, de handen ineenslaande.

"'t Is nog tijd, mevrouw: Albino is op 't seminarie geweest, die kan

straks in de 'bangka' wel een mis lezen," antwoordde een ander en

wees daarbij op den lange en magere.

Deze, die er als een rechte snaak uitzag, trok, toen hij zich hoorde

noemen, dadelijk een boetvaardig gezicht, waarmee hij Padre Salvi

trachtte na te apen.

Ibarra nam, zonder zijn ernst af te leggen, toch deel aan de

vroolijkheid zijner makkers.

Toen ze aan 't strand kwamen slaakten de vrouwen onwillekeurig kreten

van verrassing en vreugde. Ze zagen daar twee groote _bangka's_ aan

elkaar verbonden en op schilderachtige wijze opgetooid met slingers

van bloemen en bladeren, met veelkleurige doeken die er met vergulde

nagels opgespijkerd waren, terwijl papieren lantaarntjes, afwisselend

met rozen, anjelieren en allerlei vruchten, als ananassen, djamboe's

enzoovoort, aan de geïmproviseerde tenten der vaartuigen hingen. Ibarra

had zijn eigen tapijtjes, kleedjes en kussens laten brengen en daarmee

gemakkelijke zitplaatsen voor de vrouwen en meisjes ingericht. De

stuurstangen en de riemen waren ook versierd. In de grootste _bangka_

waren een harp, gitaars, accordeons en een groote karbouwen-hoorn. In

de andere brandde vuur in de _kalan's_ van aardewerk; daar werden thee,

koffie en _salabat_ [18] (sorbet) voor 't ontbijt bereid.

"Hier de vrouwen, daar de mannen!" zeiden de moeders, toen men

instapte: "Bedaard, jullie meisjes.

"Niet zoo'n beweging maken, anders vergaan we, hoor."

"Eerst 't teeken des kruises!" zei tante Isabel en sloeg een kruis.

"En blijven we hier zoo afgescheiden?" vroeg Sinang en trok een

lip. "Wij alleen maar?... och jee!"

Dit "och jee!" bezorgde haar een kneep, die haar moeder op 't geschikte

oogenblik wist toe te dienen.

De _bangka's_ verwijderden zich allang van den oever, terwijl het

licht der lantaarntjes vroolijk blikkerde in 't spiegel-vlakke meer. In

't oosten verschenen de eerste dageraads-tinten.

Er heerschte vrijwel stilte: de jeugd scheen zich, tengevolge van de

scheiding door de moeders ingesteld, aan overpeinzing over te geven.

"Wees voorzichtig!" zei Albino, de oud-seminarist luide tot een ander

jongmensch, "druk vooral goed op het 'werk', dat er onder je voet is."

"Wat is er dan?"

"'t Is een prop, die er wel uit zou kunnen springen: dan krijgen we

water binnen. Er zijn veel gaten in deze _bangka_."

"O jee, we verdrinken zoo meteen!" riepen de vrouwen verschrikt.

"Maakt u maar niet ongerust, dames!" verzekerde onze ex-seminarist,

"deze _bangka_ is best te vertrouwen, er zijn niet meer dan vijf

gaten in, en niet eens erg groot."

"Vijf gaten! Jezus! Willen jullie ons laten verdrinken?" kreten de

vrouwen ontsteld.

"Er zijn er maar vijf, dames en maar zoo groot," zei hetzelfde

jongemensch geruststellend, terwijl hij met duim en wijsvinger een

kringetje maakte. "Maar goed drukken op de proppen, dan zullen ze er

niet uitvliegen."

"Mijn God! Heilige Moeder Gods! Er komt al water naar binnen!" riep

een oudje, dat voelde dat ze nat werd.

Er ontstond een kleine beroering; eenigen gilden, anderen dachten

erover in 't water te springen.

"Goed met de voeten op de proppen drukken hoor!" hervatte Albino en

wees naar de plaats waar de jonge meisjes zaten.

"Waar? Waar dan toch? God, we weten 't niet! Komen jullie toch in

's hemels naam hier, om ze ons te wijzen: we weten heusch niet waar

ze zitten!" smeekten de vreesachtige vrouwen.

De ontzette moeders waren niet eerder gerust voordat vijf jonge meisjes

in de andere "bangka" waren gaan zitten. En vreemd genoeg! 't leek

wel, alsof elk van de vijf een gevaarlijk zitplaatsje had gehad, en al

de oudjes bij elkaar geen enkel lek in de boot te duchten hadden. En

nog vreemder toevalligheid! Ibarra kwam naast Maria Clara te zitten,

Albino naast Victoria en zoo verder. De bezorgde moeders keerden tot

hun rustige stemming terug. Bij de jonge meisjes bleef de onrust,

al veranderde die van aard.

Daar het water volkomen kalm was, en men zich niet ver van de

vischstaketsels bevond, terwijl het bovendien nog heel vroeg in den

morgen was, besloot men de riemen neer te leggen en gezamenlijk te

ontbijten. De lantarens werden uitgedaan, want de dageraad verlichtte

reeds het uitspansel.

De morgen was schoon: de wateren begonnen te glanzen. Uit 't hemellicht

en de weerkaatsing daarvan ontstond een klaarheid, die de dingen

verlichtte zoodat er schier geen schaduw viel, een schitterende

frissche klaarte, kleur-verzadigd als bij sommige zee-tafereelen.

Bijna iedereen was vroolijk. 't Lichte briesje dat er opstak was ook

heerlijk om in te ademen: zelfs hielden de moeders op met vermanen

en waarschuwen, om te lachen en gekheid met elkaar te maken.

Eén man alleen, die het gezelschap als loods diende, bleef stil en

in-zichzelf-gekeerd bij al die vreugde, 't Was een jongmensch met

stoere lichaamsbouw. Hij had iets belangwekkends in zijn uiterlijk

door de droeve uitdrukking van zijn oogen en de strenge lijnen van

zijn mond. Zijn zwarte haren, lang en onverzorgd, hingen hem over zijn

gespierden nek. Een lange kiel--_kamisa_--van grove donkerkleurige

stof, liet een athletische borst vermoeden, waar de geweldige spieren

met die van zijn bloote armen samenwerkten, om als spelenderwijs

de beide vaartuigen voort te loodsen: een breede riem van kolossale

afmeting diende hem daarbij als roerstang.

Maria Clara had meer dan eens gezien dat hij haar gadesloeg: telkens

wendde hij dan snel den blik ergens anders heen, en keek in de verte,

naar de bergen of naar den oever. Het jonge meisje kreeg medelijden

met zijn eenzaamheid: een paar beschuitjes nemende, bood ze hem die

aan. De loods keek haar een oogenblik eenigszins verwonderd aan,

doch daarna nam hij 't gebodene aan en dankte met een enkel nauw

verstaanbaar woord.

Niemand dacht verder meer aan den stuurman. Het vroolijke gelach en

de invallen der jonge meisjes deden hem geen spier op zijn gezicht

vertrekken.

Toen 't ontbijt afgeloopen was, zette men de tocht naar de visch-perken

voort.

Er waren er twee, op eenigen afstand van elkaar gelegen, beide

behoorden in eigendom aan Capitán Tiago. Van verre kon men eenige

reigers boven op de punten der bamboe-staketsels, in peinzende houding

zien zitten, terwijl enkele witte vogels--_kalanij_ of _kalau_, zooals

de Tagalen ze noemen--in verschillende richtingen rakelings langs

het watervlak vlogen en de lucht vervulden met hun schel gekrijsch.

Maria Clara keek naar de reigers, die bij 't naderen der _bangka's_

in de richting van 't naburige gebergte wegvlogen.

"Hebben die vogels hun nesten op de bergen?" vroeg het jonge meisje

aan den "loods", wellicht meer om hem aan 't praten te krijgen dan

om ingelicht te worden.

"Waarschijnlijk wel, juffrouw," antwoordde hij, "maar tot nog toe

heeft niemand ooit hun nesten gezien."

"Hebben ze dan geen nesten?"

"Ik veronderstel dat ze die wel hebben, ze zouden anders al heel

ongelukkig wezen."

Maria Clara bespeurde den toon van droefheid niet waarmee de "loods"

deze woorden uitsprak.

"Hoe is dat dan...?"

"Ze zeggen," antwoordde de jonge man, "dat de nesten van die vogels

onzichtbaar zijn, en dat ze ook de eigenschap bezitten, iemand die

ze gevangen heeft onzichtbaar te maken. 't Is ermee als met de ziel:

evenals die alleen gezien kan worden in den spiegel van de oogen, zoo

laten die nesten zich alleen waarnemen in 't spiegelvlak van 't water."

Maria Clara verzonk in gepeins.

Ondertusschen was men bij de _baklad_, het vischperk, aangekomen:

de oude schuitevoerder bond de vaartuigjes aan een der staketsels vast.

"Wacht," zei tante Isabel tot den zoon van den ouden man, die zich

gereedmaakte om met zijn _panalok_, een bamboe-stok met een netje

eraan, naar boven te klimmen. "We moeten eerst de _sinigang_ in orde

maken: dan kan de visch uit het water dadelijk in de soep."

"Die goeie tante Isabel!" riep de ex-seminarist, "die wil de visschen

geen oogenblik tijd laten om hun waterland te betreuren."

Andeng, Maria Clara's zoogzuster, had, ondanks haar smetteloos vroolijk

gezichtje den naam van goed te kunnen koken. Ze maakte rijst-water,

tomaten en _kamia's_ klaar. Enkele anderen hielpen haar of hinderden

haar: wellicht wilden ze bij haar in de gunst komen. De jonge meisjes

maakten de laboe's schoon, wieschen de erwten en sneden de _paäjap

[19]_-vruchten in reepjes zoo groot als sigaretten.

Om het ongeduld te bezweren van hen die wilden zien, hoe de visschen

spartelend uit hun gevangenis zouden komen, greep de mooie Iday naar

de harp; Iday bespeelde niet alleen goed dit instrument, maar had

bovendien heel mooie vingertjes.

Het jonge gezelschap juichte en klapte in de handen, Maria Clara

gaf haar een kus. De harp is het instrument dat in die provincie het

meest bespeeld wordt en 't was voor het oogenblik het meest geschikte.

"Zingen, Victoria, zing's het 'huwelijks-lied!'" verzochten de moeders.

De jongelui verzetten zich en Victoria, die een goede stem had,

klaagde over schorheid. Het "huwelijkslied" is een mooie Tagaalsche

treurzang waarin al de ellende en droefheid van 't huwelijk, zonder

de vreugden ervan geschilderd worden.

Toen moest en zou Maria Clara zingen.

"Al wat ik zing is weemoedig."

"Dat 's niets, dat 's niets!" zeiden allen.

Ze liet zich niet lang bidden, greep de harp, speelde een voorspelletje

en zong met eenigszins trillende, maar welluidende en gevoelvolle stem:

Zoet zijn de uren in 't land van geboorte,

Waar al wat de zonne verlicht tot ons lacht.

Heerlijk is 't briesje dat waait in zijn velden,

En zachter de dood en veel zaal'ger de min.

Innige kussen de lippen omspelen

Begint men in d'armen van moeder zijn dag.

Hunkrend verlangt men haar hals te omsluiten,

En d'oogen weerkaatsen den glimlach van haar.

Zoet is de dood voor het land van geboorte,

Waar al wat de zonne verlicht tot ons lacht.

Doodsch is het briesje dat waait in de velden,

Voor hem die geen land heeft, geen moeder, geen lief.

De stem stierf weg, het gezang hield op, de harp verstomde en nóg

bleven allen luisteren. Niemand klapte in de handen. De jonge meisjes

voelden hun oogen vochtig worden, Ibarra scheen ontstemd en de jonge

"loods" keek strak vóór zich uit.

Plotseling hoorde men iets als een oorverdoovend geloei; de vrouwen

en meisjes slaakten een kreet en hielden de ooren dicht. Het

was de vroegere seminarist Albino, die met alle macht op de

karbouwen-hoorn--de _Tamboeli_--blies. Het lachen en de opgewektheid

herleefden. De oogen, nog zwemmend in tranen, schitterden met

vroolijken glans.

"Maar ben je nou van plan ons doof te maken, ketter?" schreeuwde

tante Isabel.

"Mevrouw", antwoordde de ex-seminarist plechtig, "ik heb 's hooren

vertellen van een armen trompetter, daar ver in 't noorden aan de

oevers van den Rijn, die alleen om zijn mooie getoeter getrouwd is

met een rijke adellijke jonge dame."

"Jawel, de trompetter van Säkkingen", viel Ibarra in, die niet nalaten

kon deel te nemen aan de hernieuwden opgewektheid.

En hij begon weer te blazen in den karbouwen-horen, ditmaal met nog

meer animo, terwijl hij de mond van 't blaas-instrument vooral dicht

bij de ooren van de jonge meisjes hield, die zich 't meest verteederd

hadden getoond. Natuurlijk ontstond er een kleine opschudding. De

moeders deden hem ten slotte door meppen met de muiltjes en knepen,

zijn helsche muziek staken.

"Au! au!" riep hij, terwijl hij zijn armen betastte.

"Och, och, wat 'n afstand is er toch tusschen de Filippijnen en de

oevers van den Rijn! Daar krijgen ze een lieve vrouw en landerijen,

en hier moeten ze gekastijd worden voor hun blazen!"

En allen lachten reeds. Zelfs Victoria. Toch zei Sinang, 't

jonge meisje met de vroolijke oogen, zachtjes tot Maria Clara:

"Gelukkige! Wat zou ik ook graag zingen als ik het maar kon!"

Andeng kondigde eindelijk aan dat de "kaldoe" klaar was, om zijn

gasten--de visch--te ontvangen.

Het kleine jongmensch, de zoon van den visscher, steeg toen op het

gesloten gedeelte van de "séro"--'t uiterste smalle stuk ervan--waar

men het Italiaansche opschrift van de hel: "Laat alle hoop varen gij

die hier binnentreedt" zou kunnen aanbrengen, als de visschen lezen

konden; want geen visch die daar inging kwam eruit, of hij moest

sterven. Het is een bijna ronde ruimte, zoo ingericht dat er een man

op het hoogste gedeelte staan kan, om daar met zijn netje de visschen

te kunnen ophalen.

"Daar zou ik me heusch niet vervelen, als ik er met den hengel mocht

visschen!" zeide Sinang popelend van pret.

Iedereen lette op: enkelen meenden reeds de visschen binnen in 't

netje te zien spartelen, het glanzen van de schubben waar te nemen

en zoo meer. Doch, toen de jonge man het ding in 't water stak,

sprong er niet een vischje op.

"'t Moet hier vol wezen," zeide Albino zacht, "'t is al meer dan vijf

dagen dat er niemand bij geweest is."

De visscher haalde den bamboe-stok op... och geen enkel vischje

tooide het net: 't leek wel of het water dat er met zijn zonneglanzen

overvloedig afdruppelde er zilverlachjes om liet hooren. Een hè! van

verbazing, ergernis en teleurstelling brak van alle lippen.

De jonge man herhaalde de bewerking en 't was met even weinig

resultaat.

"Je kan er niets van!" zei Albino en klauterde op de _encerradero_,

en hij rukte 't net uit de handen van den onhandigen jongen man.

"Nu moeten jullie 's zien! Andeng, doe de pot open!" Maar Albino kon

er evenmin mee terecht, en het net bleef leeg. Iedereen lachte.

"Maak toch geen leven: de visschen hooren 't en dan laten ze zich

niet vangen!" zeide hij. "Dit net is zeker kapot."

Doch het net bleek volkomen gaaf.

"Laat mij maar 's," zeide Leon, de aanstaande van Iday.

Hij keek aandachtig naar de _encerradero_, onderzocht daarna het net,

en, voldaan over zijn onderzoek, vroeg hij:

"Zijn jullie er zeker van dat er in vijf dagen niemand hier geweest

is?"

"O, volkomen zeker! De laatste keer was de dag voor Allerheiligen."

"Nu, dan is of het meer betooverd, of ik haal er wat uit."

Leon bracht de bamboe in het water, maar men zag zijn gezicht een

verbaasde uitdrukking aannemen. Zwijgend keek hij een oogenblik naar

't naburig gebergte. Daarna ging hij weer voort met de bamboe door

het water heen en weer te bewegen. Dan, zonder hem op te halen,

mompelde hij:

"Een kaaiman."

"Een kaaiman!" herhaalde men van alle kanten.

Het woord liep van mond tot mond, te midden van algemeene schrik

en ontsteltenis.

"Wat zeg je?" vroegen ze hem.

"Ik zeg dat er een kaaiman in gevangen zit," verzekerde Leon, en de

steel van de bamboe dieper in 't water stekende, hervatte hij:

"Horen jullie dat geluid? Dat 's geen zand, dat is de harde rug

van den kaaiman. Zien jullie wel, hoe die bamboestokken daar heen

en weer gaan? Dat doet hij, om zich los te werken, maar hij zit in

elkaar gerold. Wacht... hij is groot: zijn lichaam is bijna een palm

of meer breed."

"Wat moeten we doen?" werd er gevraagd.

"Vangen!" zei er een.

"Jezus! En wie moet hem dan vangen?"

Niemand waagde het daar neer te dalen. Het water was erg diep.

"Als we hem eens aan onze _bangka_ vastbonden, en hem zoo in triomf

wegsleepten," zei Sinang. "Dat eet me daar de visch op die voor ons

bestemd was!"

"Ik heb tot nu toe nog nooit een levende krokodil gezien!" merkte

Maria Clara zacht op.

De "loods" stond op, greep een lang touw en klom vlug op het vlakke

bovenstuk van de vangkorf. Leon maakte plaats voor hem.

Behalve Maria Clara had tot op dat oogenblik niemand op hem

gelet. Thans bewonderden allen zijn slanke gestalte.

Tot groote verbazing van iedereen en in weerwil van de kreten van

angst die allen lieten hooren, sprong de "loods" in de _encerradero_.

"Neem dit mes mee!" schreeuwde Crisóstomo, en haalde een breed

toledaansch mes voor den dag.

Doch in het water bruischte en borrelde het reeds, en de kolk sloot

zich geheimzinnig voor 't oog.

"Jezus, Maria en Jozef!" riepen de vrouwen. "Er gebeurt een

ongeluk! Jezus, Maria en Jozef!"

"Maakt u zich maar niets ongerust, dames," zeide de oude

schuitevoerder, "als er in de heele provincie een is die zoo iets

doen kan, dan is hij 't."

"Wie is die man toch?" vroegen ze.

"Wij noemen hem 'de loods.' 't Is de beste die ik ooit gezien heb. Hij

houdt alleen niet van zijn baantje."

Het water bewoog zich, er kwam meer en meer beroering in: 't was

alsof daar beneden in de diepte een worsteling plaats had. Het heele

staketsel raakte aan 't waggelen. Iedereen was stil, ademloos. Ibarra

omklemde zenuwachtig het heft van zijn scherpe mes.

De voorstelling scheen ten einde te loopen. Het hoofd van den jonge

man kwam boven water. Men begroette hem met vroolijke uitroepen. De

vrouwen en meisjes hadden de oogen vol tranen.

De "loods" klauterde naar boven met het uiteinde van het touw in de

hand. Eenmaal boven op het platte gedeelte trok hij 't naar zich toe.

Het monster vertoonde zich: het koord zat hem dubbel om zijn hals en

voorpooten. Het was een groot exemplaar, zooals Leon reeds vooruit

gezegd had, hij was gevlekt en zijn rug begroeid met groen mos. Dit

laatste beteekent bij de krokodillen hetzelfde als grijs haar bij

de menschen. Het dier loeide als een os, het sloeg met zijn staart

heftig tegen de bamboestaken van de omwanding, het klampte zich daaraan

vast en opende zijn akelige zwarte muil, zoodat de lange slagtanden

zichtbaar werden.

De "loods" heesch het gevaarte alleen op: niemand dacht eraan hem

te helpen.

Toen zijn prooi geheel uit het water was opgehaald en boven op het

platte deel van de _encerradero_ lag, zette hij er zijn voet op,

greep met zijn stevige knuisten de geweldige kaken en trachtte de

bek met het touw dicht te snoeren.

Het dier deed een nieuwe poging om los te komen: het kromde zijn

lichaam, sloeg met zijn geweldige staart tegen den grond, en, opeens

los-schietend, stortte het zich met een sprong in het meer buiten

de omrastering. Zijn aanvaller werd meegesleurd. De loods was in

doodsgevaar. Een kreet van ontzetting klonk uit ieders mond.

Bliksem-snel stortte een ander te water, voordat men nog zien kon

dat het Ibarra was. Maria Clara viel niet in zwijm: Filippijnsche

vrouwen kennen dat nog niet.

Men zag dat de golven rood werden van het bloed. De jonge visscher

sprong gewapend met zijn _bolo_--een kort breed mes--de diepte in. Zijn

vader sprong hem na. Doch nauwelijks waren dezen te water, of men zag

Crisóstomo en de loods weer boven komen, beiden vastgeklemd aan het

ongedierte. De witte buik was vol wonden en 't mes zat hem in de keel.

't Is onmogelijk de vreugde der omstanders te beschrijven; tientallen

armen strekten zich naar hen uit om de jonge mannen uit het water te

halen. De oudere vrouwen waren half gek. Ze lachten en baden. Andèng

vergat heelemaal dat haar soep al driemaal aan den kook was geweest:

al de "kaldoe" liep over en deed het vuur uitgaan. De eenige die geen

woord kon uitbrengen was Maria Clara.

Ibarra was ongedeerd, terwijl de "loods" een kleine schram in een

van zijn armen had.

"Ik ben u mijn leven verschuldigd!" zeide hij tot Ibarra, die zich

in wollen dekens en doeken wikkelde.

De stem van den "loods" scheen een zekere smart te verraden.

"U bent roekeloos", antwoordde Ibarra. "Een anderen keer moet u niet

weer zoo God verzoeken."

"Als u me gevolgd was, als we samen dood gegaan waren," gaf de ander

terug, "daar onder in het meer, _dan was ik bij mijn menschen thuis

geweest!_"

Ibarra dacht er op dat oogenblik niet aan dat ook het overschot van

zijn vader daar verzonken was.

De ouderen onder de vrouwen van 't gezelschap wilden niet meer naar

een andere _baklad_ gaan; ze verkozen naar huis te gaan. De dag was

toch slecht begonnen, en er konden nog heel wat ongelukken gebeuren.

"Dat komt allemaal omdat we niet naar de mis zijn geweest!" zuchtte

een oudje.

"Maar wat hebben we dan toch voor ongeluk gehad, mevrouw?" vroeg

Ibarra. "De kaaiman alleen, zou ik zeggen!"

"Wat ten duidelijkste bewijst", concludeerde de oud-seminarist,

"dat ons kruipend gedierte in heel zijn zondig bestaan nooit naar

de mis is geweest. Ik heb hem nog nooit onder trouwe kerkbezoekende

kooplieden opgemerkt."

De _bangka's_ gingen dus toch naar een ander vischperk, en Andèng

moest nog eens haar _sinigang_ klaarmaken.

De dag spoedde voort. Er woei een frisch windje en de golven rezen

iets hooger, bruisend en krullend om het lichaam van de krokodil,

meevoerend bergen van schuim "waar flonkerde in kleurenpracht licht

van de zon," zooals de dichter Paterno het uitdrukt.

De muziek werd hervat: Iday bespeelde weer haar harp; de mannen

hun accordeons en gitaars, de een wat meer, de ander wat minder

zuiver. Maar die zich 't dapperst weerde was Albino: die tokkelde

maar raak, ging ieder oogenblik uit de maat en raakte zelfs eens

zoodanig de klus kwijt dat hij, zonder 't te merken, in een verkeerde

sonate oversloeg!

Het tweede visch-perk werd met zekere achterdocht verkend. Menigeen

verwachtte daar 't wijfje van den kaaiman te zullen aantreffen. Doch

de natuur is een guit: het net kwam er telkens goed gevuld uit te

voorschijn.

Toen trachtte men aan wal te gaan waar het bosch van eeuwenoude

boomen stond dat aan Ibarra toebehoorde. Daar in de schaduw en dicht

bij de kristalheldere beek, zou men tusschen de bloemen of onder

geïmproviseerde tenten een landelijk middagmaal gebruiken.

De muziek weerklonk in de lucht. De rook der steenen komforen steeg

vroolijk in dunne spiraalwolkjes naar boven, terwijl het water in

't verhitte vaatwerk zong.

Daarna verloor de waardige pastoor, door 't lezen van een paar brieven,

die wel-verzegeld en gelakt aangekomen waren, zijn eetlust en liet

hij zijn chocolade heelemaal koud worden.

"De pater wordt stellig ziek", zei de kok, terwijl hij een tweede

kop klaarmaakte, "hij heeft al dagen geen trek in 't eten: van de

zes gerechten, die ik hem voorzet, raakt hij er geen twee aan."

"Dat is omdat hij slecht slaapt," antwoordde de andere bediende,

"hij lijdt aan nachtmerries sedert dat hij een andere slaapkamer

heeft. Zijn oogen gaan hoe langer hoe dieper. Hij wordt iederen dag

magerder en geler."

Inderdaad zag Padre Salvi er deerniswaardig uit. Zonder zijn tweede kop

chocolade aan te roeren, noch te willen proeven van Cebu's smakelijke

beschuitjes, stapte hij zwijgend door de ruime zaal, terwijl hij in

zijn knokige handen een paar brieven verkneep, waarin hij nu en dan

las. Ten slotte vroeg hij om zijn rijtuig en gaf hij order dat men

hem zou brengen naar 't bosch met den geheimzinnigen boom, in welks

nabijheid het buitenpartijtje gehouden werd.

Daar aangekomen, zond Padre Salvi zijn rijtuig weg en liep alleen

het bosch in.

Een somber pad baande zich met moeite een doortocht door het dicht

gewas en leidde naar een beek, gevormd door verscheidene warme bronnen,

als zooveel andere aan de hellingen van de Makiling. Zijn oevers waren

getooid met wilde bloemen. Vele daarvan hadden nog geen latijnschen

naam, maar zonder twijfel zijn ze bekend bij de gouden insekten, bij

de vlinders van allerlei afmeting en kleur: blauw en goud, wit en

zwart, bont, helglanzend, met pauw-schakeeringen, dragend robijnen

en smaragden op hun vleugels. Bekend ook bij de duizenden torren

en kevers met hun metaal-gloed van goud doorspikkeld. Het gegons

dezer insekten, het snerpen der krekels dat dag en nacht aanhoudt,

het gekweel der vogels, of het doffe gedruisch van afvallende dorre

takken, die onder 't vallen overal blijven haken, waren de eenige

geluiden die de stilte verstoorden in dat oord vol geheimenis.

Een poos bleef onze pastoor dwalen tusschen de dichte slingerplanten,

zorgvuldig vermijdend de doorns, die zich aan zijn grofwollen

kleed vasthechtten als wilden ze hem tegenhouden, en de wortels der

boomen die boven den grond uitkwamen en ieder oogenblik een onervaren

voetganger zouden doen struikelen. Plotseling stond hij stil: vroolijk

schaterlachen en frissche stemmen troffen zijn oor. Het gelach ging

uit van de beek en kwam hoe langer hoe naderbij.

"Ik wil 's zien of ik een nest kan vinden", zeide een mooie, lieve

stem die den pastoor welbekend was.

"Ik zou hem willen zien, zonder dat hij me zag; ik zou hem overal

willen volgen."

Padre Salvi verborg zich achter den dikken stam van een boom en begon

te luisteren.

"Dat wil zeggen dat je met hem wil doen wat de pastoor met jou doet:

die beloert je immers overal?" antwoordde een vroolijke stem. "Pas

maar op, jaloezie maakt mager en geeft holle oogen!"

"Nee, nee, 't is geen jaloezie, 't is louter nieuwsgierigheid!" gaf

het zilver-stemmetje terug, terwijl het vroolijk geluid herhaalde:

"ja zeker, jaloezie, jaloezie!" en daarna weer schaterlachte.

"Als ik jaloersch was, zou ik niet mezelf maar hem onzichtbaar willen

maken, zoodat niemand hem zien kon".

"Maar dan zou jij hem evenmin zien. En dat 's goed. Het beste is

dat--als we 't nest vinden--we 't aan den pastoor cadeau geven: dan

zal hij ons kunnen beloeren zonder dat wij hem hoeven te zien. Zou

je dat niet lijken?"

"Ik geloof niets van de reiger-nesten", hervatte de ander. "Maar,

als ik 's op 'n keer jaloersch werd, dan zou ik wel weten, hoe ik

zou moeten spionneeren, zonder me zelf te laten zien!"

"Hoe dan, hoe? Misschien zooals zuster Escucha?" [20]

Vroolijk geschater volgde op deze herinnering uit den kostschooltijd.

"Nou, je weet ook wel hoe wij zuster Escucha bij den neus hadden!"

Padre Salvi zag van zijn schuilplaats Maria Clara, Victoria en

Sinang door de beek loopen. Alle drie keken met aandacht naar de

oppervlakte van het water, om naar 't geheimzinnig reiger-nest te

zoeken. Ze liepen tot de knieën in 't water. De ruime plooien van hun

badkleedjes verrieden de bevallige lijnen van hun beenen. Ze droegen

het haar los en de armen waren bloot, terwijl het bovenlijf bedekt was

door een gestreepte blouse in vroolijke kleuren. Onder 't zoeken naar

't fabelachtig nest plukten de drie jonge meisjes tevens bloemen en

moeskruiden aan den oever.

De Akteon-geestelijke [21] sloeg bleek en roerloos de kuische Diana's

daar vóór zich gade: zijn oogen die schitterden in de donkere kassen,

werden maar niet moe van het bewonderen der blanke, welgevormde

armen, van den fraaien hals met het begin der boezem-welving. De

kleine rooskleurige voeten, die daar met het water speelden, riepen

in zijn verzwakt lichaam vreemde gewaarwordingen wakker en deden in

zijn gloeiend brein ongekende droomen opkomen.

Achter een kromming van de beek verdwenen de lieflijke gestalten

tusschen dicht rietgewas, en hun wreede toespelingen werden verder

onhoorbaar. Bedwelmd, wankelend, bedekt met zweetdroppelen, trad Padre

Salvi te voorschijn uit zijn schuilplaats en keek met verbijsterde

oogen om zich heen. Weifelend stond hij roerloos stil. Dan deed hij

een paar schreden, als wilde hij de meisjes volgen, doch hij wendde

zich daarna om en, langs den oever loopende, trachtte hij de rest

van het gezelschap op te zoeken.

Op eenigen afstand vandaar zag hij midden in de beek een soort

bad-inrichting, goed omheind, en van boven beschut door een bladerrijk

rietbosch. Vandaar klonken vroolijke vrouwenstemmen. Palmbladeren,

bloemen en vaandeltjes dienden als versiering. Wat verderop zag hij

een bamboebrug en een eindweegs daarvandaan kon hij de mannen zien

baden, terwijl een menigte bedienden van beiderlei kunne rondom

geïmproviseerde komforen zwermde, druk bezig met het plukken van

kippen, het wasschen van rijst, het braden van een speenvarkentje en

anderszins. En daar ginds, aan den overkant, op een open plek in 't

bosch, die men daar gemaakt had, vereenigden zich tal van mannen en

vrouwen onder een dak van zeildoek, deels opgehangen aan de takken

der woudreuzen, deels aan nieuw-opgerichte staken. Daar bevonden

zich de _alférez_, de _coadjutor_, de burgemeester, zijn _teniënte

mayor_ of plaatsvervanger, de schoolmeester en verscheidene gewezen

_capitan's_, _teniëntes_ of adjunkten, ja zelfs Capitán Basilio,

de vader van Sinang, de vroegere tegenstander van wijlen Don Rafael

in een oud proces, dat nog voortduurde. Ibarra had hem gezegd: "we

zijn 't oneens over een rechtskwestie, en 't oneens zijn wil nog niet

zeggen vijanden zijn." En de befaamde redenaar der behoudsmannen nam

met geestdrift de uitnoodiging van den jongen man aan.

De pastoor werd door allen, zelfs door den _alférez_ met eerbied en

onderscheiding ontvangen.

"Maar waar komt u vandaan, weleerwaarde?" vroeg de laatstgenoemde,

toen hij bespeurde, hoe zijn gezicht vol schrammen zat en zijn kleed

bedekt was, met bladeren en stukjes dor hout. "Bent u gevallen?"

"Nee, ik ben verdwaald!" antwoordde Padre Salvi, terwijl hij zijn

oogen neersloeg, om naar zijn kleed te kijken.

Men ontkurkte flesschen met limonade, er werden jonge "klappers"

opengeslagen, opdat zij die uit het bad kwamen het frissche

water en het malsche vruchtvleesch--nog blanker dan melk--zouden

kunnen gebruiken; de jongemeisjes kregen bovendien nog een krans

van tjempaka (of _sampaga_, zooals men daar zegt), waartusschen

rozen en _ilang-ilang_ gevlochten waren, die het loshangende haar

parfumeerden. Men zette zich of strekte zich uit in de hangmatten,

die men aan de boomen had opgehangen, of wel men vermaakte zich rondom

een grooten, platten steen gezeten, met een spelletje: men zag er

speelkaarten, damborden, boekjes, vijfhoekige schelpjes en steentjes.

Men liet den pastoor den kaaiman zien, maar hij scheen afgetrokken

te zijn en toonde alleen eenige belangstelling, toen men hem

zeide dat de breede wond in de buik van het dier door Ibarra was

toegebracht. Overigens was de andere bevechter van het monster, de

geheimzinnige en vermaarde "loods" nergens te zien: hij was reeds

verdwenen vòor de _alférez_ aangekomen was.

Eindelijk kwam Maria Clara vergezeld van haar vriendinnetjes uit het

bad. Ze was als een roos in den morgendauw. Haar eerste lachje gold

Crisóstomo, en 't eerste wolkje op haar voorhoofd Padre Salvi. Deze

bespeurde het en zuchtte diep.

't Werd etenstijd. De pastoor, de coadjutor, de _alférez_, de

burgemeester en nog eenige _capitan's_ met de vice-burgemeester

of _teniënte mayor_ gingen aan een tafel zitten, waaraan Ibarra de

eereplaats innam. De moeders stonden niet toe dat er een enkele man

aan de tafel der jonge meisjes aanzat.

"Zeg, Albino, je moet dezen keer maar geen lek-gaten ontdekken zooals

in de bootjes, hoor," zeide Leon tot den oud-seminarist.

"Wat? Wat is dat?" vroegen de oudere vrouwen.

"De _bangka's,_ dames, waren net zoo gaaf als dit bord," verklaarde

Leon en wees op zijn bord.

"Mijnheer de _alférez_, weet u al iets van den kerel die Padre Dámaso

heeft mishandeld?" vroeg Padre Salvi.

"Van welken kerel, mijnheer de pastoor?" riep de _alférez_ uit,

terwijl hij door het glas wijn heen, dat hij bezig was uit te drinken,

den geestelijke aankeek.

"Nou, van wien anders dan van den kerel, die eergisteren middag Padre

Dámaso onderweg heeft afgeranseld!"

"Heeft-ie Padre Dámaso afgeranseld?!" vroegen er verscheidenen.

De coadjutor scheen in zijn schik.

"Ja zeker, en Padre Dámaso ligt nu te bed!

"Ze zeggen dat het dezelfde Elias is, die u in den modderpoel heeft

gesmeten, mijnheer de _alférez_."

De _alférez_ kreeg een kleur, van schaamte of van den wijn.

"Och, ik dacht zoo," hervatte Padre Salvi eenigszins spotachtig,

"dat u op de hoogte van de zaak zou zijn... dat u als kommandant van

de _guardia civil_..."

De onderofficier beet zich op de lippen en stotterde een zotte

verontschuldiging uit.

Op dit oogenblik vertoonde zich een bleeke, magere, ellendig gekleede

vrouw. Niemand had haar zien aankomen, want ze liep zoo zachtjes, zoo

geruischloos dat men haar 's nachts voor een schim zou gehouden hebben.

"Geef wat te eten aan die arme vrouw!" zeiden de oudjes. "Hei, kom

's hier!"

Doch zij vervolgde haar weg, en trad op de tafel toe waar de pastoor

zat. Deze wendde het hoofd om, herkende haar, en 't mes waarmee hij

at, viel hem uit de hand.

"Geef die vrouw wat te eten!" beval Ibarra.

"De nacht is donker en de kinderen verdwijnen," mompelde de bedelares.

Maar bij 't zien van den _alférez_ die haar toesprak, ontstelde de

vrouw hevig en liep hard weg. Weldra was ze tusschen 't geboomte

verdwenen.

"Wie is dat?" vroeg hij.

"Een ongelukkige die gek is geworden door al het verdriet en de

schrikken die ze doorstaan heeft," antwoordde don Filipo. "Ze is al

vier dagen zoo."

"Is 't misschien een zekere Sisa?" vroeg Ibarra belangstellend.

"Ze is door uw soldaten opgepakt", ging de _teniënte mayor_ met

zekere bitterheid voort, steeds tot den _alférez_ sprekende, "ze

zijn met haar door het heele dorp gegaan, om ik weet niet wat dat

haar kinderen zouden gedaan hebben en... dat niet opgehelderd is."

"Hoe nu?" vroeg de _alférez_ zich tot den pastoor wendend, "is 't

misschien de moeder van uw twee kostertjes?"

De pastoor knikte.

"Die zijn verdwenen, zonder dat iemand iets van hen is te weten

kunnen komen!" voegde don Filipo er op strengen toon aan toe. Hij

keek onderwijl den burgemeester aan, en deze sloeg de oogen neer.

"Ga die vrouw zoeken!" gelastte Crisóstomo aan de bedienden. "Ik heb

beloofd moeite te doen, om uit te vinden waar haar kinderen gebleven

zijn..."

"Wat is er verdwenen, zegt u?" vroeg de _alférez_.

"Zijn uw kostertjes verdwenen, mijnheer de pastoor?"

De toegesprokene dronk zijn glas wijn leeg en knikte.

"Caramba, mijnheer de pastoor!" riep onze krijgsman spottend, en vol

pret dat hij zich 's wreken kon, "er verdwijnen een paar zilverstukken

van uw weleerwaardigheid, en ze halen me mijn sergeant heel vroeg uit

zijn bed, om ze te laten zoeken. Er verdwijnen twee kosters en 'uwe

weleerwaardigheid' zegt niets... En u, mijnheer de _Capitán_... 't

Is ook waar dat u..."

En hij voleindigde zijn zin niet, maar barstte in lachen uit, terwijl

hij zijn lepel diep in 't roode vruchtvleesch van een wilde _papaja_

stak.

"De zaak is dat ik verantwoordelijk ben voor 't geld..."

"Een prachtig antwoord, eerwaarde zieleherder!" viel de _alférez_

met vollen mond in. "Een pracht van een antwoord, heilige man!"

Ibarra wilde tusschenbeide komen, doch Pater Salvi gaf met zichtbaar

zelfbedwang en een verknepen lachje terug:

"En weet u, mijnheer de _alférez_, wat er verteld wordt van 't

verdwijnen van de twee jongens? Niet? Vraag 't dan maar 's aan uw

soldaten!"

"Hoe dat zoo?" vroeg den ander, zijn vroolijkheid kwijt rakend.

"Ze zeggen dat er in de nacht van hun verdwijnen verscheidene schoten

gehoord zijn!"

"Verscheidene schoten?" herhaalde de _alférez_ en keek de omstanders

verbaasd aan.

Men knikte bevestigend.

Padre Salvi hervatte daarop langzaam en met wreeden spot in zijn toon:

"Komaan, ik zie wel dat u geen misdadigers oppakt en evenmin weet

wat de menschen onder uw orders uitvoeren. En u wilt de zedenmeester

spelen en anderen leeren wat hun plicht is. U kent zeker wel het

spreekwoord van de beste stuurlui?"...

"Heeren!" viel Crisóstomo in, ziende dat de _alférez_ bleek werd,

"naar aanleiding hiervan zou ik 's willen weten, wat de heeren denken

over een plan van me. Ik dacht erover, die krankzinnige vrouw aan de

zorgen van een dokter toe te vertrouwen, en dan onderwijl met uw hulp

en raad naar haar kinderen te zoeken."

De terugkomst der bedienden, die de gekke vrouw niet hadden kunnen

vinden, maakte ten slotte een eind aan de oneenigheid der twee

tegenstanders, doordat het gesprek op een ander onderwerp overging.

Toen 't eten afgeloopen was, en de thee en koffie opgediend werd,

verdeelden zich de jongen en de ouden in verschillende groepjes. Dezen

haalden de damborden, anderen grepen naar de kaarten, maar de jonge

meisjes, nieuwsgierig naar de toekomst, wilden liever eenige vragen

doen aan het "Rad van Fortuin."

"Kom, mijnheer Ibarra!" riep Capitán Basilio, die wat heel vroolijk

begon te worden, "we zijn nu al vijftien jaar aan 't procedeeren, en

er is geen rechter van de _audiencia_ die de zaak uitmaakt: laten we

's zien, of we 't schaakbord kunnen laten beslissen."

"Onmiddellijk en met heel veel genoegen!" antwoordde de jongeman. "Een

oogenblik, want de _alférez_ wil afscheid nemen."

Toen men van deze partij hoorde, schaarden zich al de oudere mannen

die verstand van schaken hadden om het schaakbord. De partij was

belangwekkend, en zelfs de onkundigen voelden zich aangetrokken. De

oude vrouwen echter omringden den pastoor, om met hem over

godsdienstige onderwerpen te praten, doch Fray Salvi achtte zeker

plaats en gelegenheid niet geschikt, want hij gaf vage antwoorden

en zijn sombere, iet of wat verstoorde blikken gingen overal heen,

behalve naar zijn toespreeksters.

Het spel begon met grooten ernst.

"Als de partij onbeslist blijft, schorten we ons proces op, hoor,"

zeide Ibarra.

Midden onder 't spelen ontving Ibarra een telegrafisch bericht dat

hem de oogen deed schitteren en tegelijk deed verbleken. Zonder het te

openen stak hij het in zijn zakportefeuille, doch wierp onderwijl een

blik op de groep jongelui die onder gelach en geschreeuw voortgingen

met de toekomst te ondervragen.

"Schaak aan den koning!" zeide de jonge man.

Capitán Basilio wist geen ander redmiddel dan hem achter de koningin

te verbergen.

"Schaak aan de koningin!" zeide de ander weder en dreigde haar met

zijn kasteel, dat door een pion verdedigd werd.

Daar hij zijn koningin niet kon dekken en haar evenmin achteruit

kon zetten van wege den koning die er achter stond, vroeg Capitán

Basilio bedenktijd.

"O gaarne!" antwoordde Ibarra. "Ik had net wat te vragen aan enkelen

uit dat groepje daar."

Hij stond op en gaf zijn tegenstander een kwartier tijd.

Iday hield een kartonnen schijf in de hand waarop acht en veertig

vragen geschreven stonden, Albino had het antwoorden-boek.

"Dat 's gelogen! Dat is niet waar! Dat is 'n puur verzinsel!" riep

Sinang op huilerigen toon.

"Wat overkomt je?" vroeg Maria Clara.

"Stel je voor; ik vraag: 'Wanneer zal ik verstandig worden?' Ik gooi

de dobbelsteenen, en hij daar, die mislukte pastoor, leest in 't boek:

'Wanneer de kikkers haren zullen krijgen!' Hoe vind je dat?"

En Sinang trok een leelijk gezicht tegen den oud-seminarist. Deze

bleef lachen.

"Wie zegt je ook om zoo'n vraag te doen?" zeide haar nichtje

Victoria. "Je verdient dat je zoo'n antwoord krijgt!"

"Doe eens een vraag!" zeide men tot Ibarra en hield hem de schijf

voor. "We hebben afgesproken dat wie 't beste antwoord kreeg, een

geschenk van de anderen zou ontvangen. Wij hebben allemaal al een

vraag gedaan."

"En wie heeft het beste antwoord gekregen?"

"_Maria Clara, Maria Clara_!" riep Sinang. "We hebben haar of ze

woû of niet, laten vragen: 'Is zijn liefde trouw en standvastig?' en

't boek heeft geantwoord..."

Doch Maria Clara hield haar, sterk blozend, de beide handen voor den

mond en belette haar zoo verder te spreken.

"Nu, geef me dan maar 't rad!" zeide Crisóstomo lachend.

"Ik vraag: 'Zal wat ik nu onderneem goed afloopen?'"

"He, wat 'n leelijke vraag!" riep Sinang uit.

Ibarra wierp de dobbelsteenen neer, en, naar het getal dat ze aanwezen,

werd bladzijde en regel opgezocht.

"Droomen zijn droomen," las Albino op.

Ibarra nam het telegram uit zijn zak en opende het bevend:

"Dezen keer heeft uw boek een leugentje verteld!" riep hij vol vreugde

uit... "Lees maar!"

"Plan school goedgekeurd; uitspraak over 't andere gunstig."

"Wat beteekent dat?" vroeg men om hem heen.

"Was er niet zooeven gezegd dat degeen die 't beste antwoord ontving

een cadeau zou krijgen?" vroeg hij met een van aandoening bevende stem,

terwijl hij het papier zorgvuldig in tweeën scheurde.

"Ja, ja!"

"Nu goed, dit is mijn geschenk," zeide Ibarra, terwijl hij de eene

helft aan Maria Clara overreikte. "Ik wil in het dorp een school voor

jongens en meisjes oprichten: die school zal mijn geschenk wezen.

"En wat wil dat andere stuk zeggen?"

"Dat zal ik geven aan dengene die het slechtste antwoord gehad heeft."

"Dan krijg ik 't! Dan is 't voor mij?" riep Sinang.

Ibarra gaf haar het papier en verwijderde zich snel.

"En wat wil 't nu zeggen?"

Doch de gelukkige jonge man was al ver, en ging zijn schaakpartij

hervatten.

Fray Salvi, nog steeds afgetrokken kijkend, voegde zich bij het

vroolijke troepje jongelui. Maria Clara wischte een traan van

vreugde weg.

Het lachen en praten hield op. De pastoor keek naar de jonge mannen,

maar slaagde er niet in een enkel woord uit te brengen. De anderen

wachtten erop dat hij zou spreken, en bleven zoolang zwijgen.

"Wat is dit?" kon hij eindelijk uitbrengen, terwijl hij het boek

opnam en er in bladerde.

"Rad van Fortuin, een boek voor een spelletje," antwoordde León.

"Weten jullie niet dat het zonde is aan zulke dingen te

gelooven?" zeide de pastoor, en verscheurde toornig de bladen.

Kreten van verbazing en ergernis ontsnapten aan aller lippen.

"'t Is nog erger zonde te beschikken over een andermans eigendom,

zonder de toestemming van den eigenaar!" gaf Albino terug, terwijl

hij opstond.

"Meneer de pastoor, dat noemt men roof, en dat is door God en menschen

verboden."

Maria Clara sloeg de handen in elkaar, keek met betraande oogen naar

het overschot van 't boek dat kort te voren haar zooveel vreugde

verschaft had.

Fray Salvi zeide, tegen aller verwachting, niets terug op Albino's

woorden; hij stond een oogenblik de verscheurde bladen na te staren,

die in den wind wegdwarrelden. Enkele vlogen in 't bosch, andere

raakten te water. Daarna verwijderde hij zich in schommelenden

gang met de handen op het hoofd. Een oogenblik bleef hij staan,

om met Ibarra te spreken. Deze geleidde hem naar een der rijtuigen,

die daar klaarstonden, om de genoodigden weg te brengen.

"'t Is maar goed dat die spelbreker heengaat!" mompelde Sinang. "Hij

heeft een gezicht alsof hij zeggen wil: 'Lach maar niet, ik ken

je zonden.'"

Na het geschenk dat hij aan zijn aanstaande gegeven had, was Ibarra

zoo in zijn schik, dat hij begon te spelen zonder veel na te denken

of acht te slaan op de zetten die hij deed.

Zoo kwam het dat, ofschoon Capitán Basilio zich alleen nog maar met

groote moeite had kunnen verdedigen, de partij toch gelijk-op kwam

te staan, dank zij de vele misslagen die de jongeman daarna beging.

"'t Proces wordt opgeschort!" zei Capitán Basilio vroolijk.

"Stellig, we schorten 't op!" herhaalde Ibarra, "wat ook de beslissing

van de rechters mag zijn."

Ze gaven elkander de hand en drukten die beiden op hartelijke wijze.

Terwijl de aanwezigen dit voorval toejuichten, dat een einde maakte aan

een proces dat beide partijen reeds lang verveelde, bracht plotseling

de komst van vier _guardia civiles_ en een sergeant, allen gewapend

en met opgezette bajonet, stoornis in de vreugde en schrik onder

de vrouwen.

"Stil iedereen!" riep de sergeant. "Die zich verroert wordt

neergeschoten!"

In weerwil van deze onhebbelijke toesnauwing stond Ibarra op en trad

op den man toe.

"Wat wenscht u?" vroeg hij.

"De onmiddellijke uitlevering van een misdadiger, een zekeren Elias,

die vanmorgen loodsdiensten voor u gedaan heeft," was het dreigende

antwoord.

"Een misdadiger?... De loods? U moet u vergissen!" hervatte Ibarra.

"Nee, meneer: die Elias is juist beschuldigd dat hij zich aan een

geestelijke vergrepen heeft..."

"O, is dat de loods?"

"Dezelfde, naar me gezegd wordt. U laat menschen van een beruchten

naam op uw feesten toe, meneer Ibarra."

Deze keek hem van hoofd tot voeten aan, en antwoordde met souvereine

minachting:

"Ik hoef u geen rekenschap van mijn daden te geven! Op onze feesten

is iedereen welkom, en als uzelf gekomen waart zoudt u eveneens plaats

aan onze tafel gekregen hebben.

"Evenals uw _alférez_: die was nog twee uur geleden in ons gezelschap."

En dit gezegd hebbende, keerde hij hem den rug toe.

De sergeant beet op zijn knevel, en, overwegende dat hij de zwakste

partij was, gaf hij last, overal op de plaats en tusschen de boomen

naar den loods te zoeken. Zijn signalement hadden ze op een papiertje

bij zich. Don Filip vond het noodig hen te zeggen:

"Denkt u er wel aan, dat dat signalement past op negen van tien

inlanders: u kan zich zoo licht vergissen!"

Eindelijk kwamen de soldaten terug, en zeiden dat ze nergens schuit

of man hadden kunnen ontdekken die hun verdacht voorkwam: de sergeant

stamelde een paar woorden, en ging heen zooals hij gekomen was.

De vreugde kwam weer langzamerhand terug. Het regende nu vragen en

allerlei kommentaren werden er gemaakt.

"Dus dat is diezelfde Elias, die den _alférez_ in de modder heeft

gesmeten," zeide Leon in gedachten.

"En hoe was dat? Hoe ging dat?" vroegen eenige nieuwsgierigen.

"Ze vertellen dat eens op een dag, in September, toen het erg

regenachtig was, de _alférez_ iemand tegenkwam met een vracht hout

op zijn rug. De straat was erg modderig en er was alleen aan den

kant een smalle doorgang voor een persoon tegelijk. Men zegt dat

de _alférez_, in plaats van zijn paard in te houden, het de sporen

gaf en den man toeschreeuwde dat hij achteruit moest. De man scheen

daar weinig lust in te hebben om de vracht, die hij droeg, of hij

had geen zin om door de modder te ploeteren. Toen wou de _alférez_,

die boos werd, hem omver rijden, maar de man greep een stuk hout

en gaf daarmee het paard zoo'n slag op den kop dat het neerviel en

zijn ruiter mee in de modder trok! Er wordt bij verteld dat de man

toen kalm verder ging, zonder iets te geven om de vijf kogels, die

de _alférez_ hem van uit zijn modderbad toezond. Onze militair was

gewoon blind van woede en van de modder. Toch wist hij niet wie hem

de streek geleverd had, maar hij veronderstelde dat het de beruchte

Elias was. Die was eenige maanden geleden in de provincie gekomen,

zonder dat iemand wist waarvandaan, en had zich door dergelijke daden

bekend gemaakt bij de _guardias civiles_ van enkele dorpen."

"Is het dan een _toelisan_ (roover)?" vroeg Victoria vol angst.

"Ik geloof het niet, want ik hoor dat hij eens juist tegen _toelisan's_

gevochten heeft, die een huis wilden plunderen."

"Hij ziet er heelemaal niet als een misdadiger uit!" voegde Sinang

eraan toe.

"Nee alleen kijkt hij erg droevig uit zijn oogen: ik heb hem den

heelen ochtend geen enkelen keer zien lachen," antwoordde Maria

Clara peinzend.

Zoo werd het allengs avond en kwam het uur van terugkeer naar 't dorp.

Bij 't laatste zonnelicht ging het gezelschap het bosch uit,

stil voortstappend langs het geheimzinnige graf van Ibarra's

voorvader. Daarna hernieuwden zich de vroolijke gesprekken.

Bij 't schijnsel van bamboe-fakkels en bij gitaar-getokkel trok men

ten slotte het dorp in.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 25 / 70 题