XXII.

Licht en schaduw.

Terwijl men te San Diego vlaste op de komende feestelijkheden, praatte

men er druk en sprak men er kwaad: over den burgemeester, over zijn

"teniënte", over de partij der "jongen"; ja, er waren er die Jan en

Alleman van allerlei leelijks ter zake dier feesten beschuldigden.

Men praatte ook over de komst van Maria Clara samen met haar tante

Isabel. Men verheugde zich daarover, omdat men van haar hield. En

tegelijkertijd dat velen verrukt waren over haar toegenomen schoonheid,

verbaasden ze zich over de verandering die ze in 't wezen van Padre

Salvi opmerkten.

"Hij is dikwijls afgetrokken, wanneer hij de mis bedient. Hij

spreekt niet veel meer met ons, en hij wordt zienderoogen magerder

en stiller." Zoo spraken zijn vrouwelijke biechtelingen. Zijn kok zag

hem met het uur afvallen en beklaagde zich over de geringe eer die hij

zijn gerechten bewees. Doch wat het meest de praatjes gaande maakte,

was het feit dat men 's nachts in 't klooster meer dan twee lichten

kon zien, terwijl Padre Salvi op bezoek was bij een partikulier... in

't huis van Maria Clara! De vrome vrouwtjes sloegen kruisen, maar

gingen onderwijl rustig voort met hun gebabbel.

Juan Crisóstomo Ibarra had getelegrafeerd uit de provincie-hoofdplaats

om tante Isabel en haar nichtje te begroeten, maar had geen verklaring

gegeven van zijn wegblijven. Velen waren in den waan dat hij gevangen

zat wegens zijn optreden jegens Padre Salvi op den bewusten avond

van Allerheiligen. Doch de nieuwsgierige belangstelling bereikte

haar toppunt, toen men hem in den namiddag van den derden dag uit

een rijtuig zag stappen voor de kleine woning zijner aanstaande,

en men hem hoffelijk den geestelijke zag groeten, die zich eveneens

daarheen begaf.

Om Sisa en haar kinderen bekommerde zich niemand...

Het huis van Maria Clara was een keurig nestje, verscholen tusschen

oranjeboomen en _ilang-ilang_.

De twee jongelieden zaten er, kort na Ibarra's aankomst, aan een

venster, dat uitzag op het meer. 't Was overschaduwd door bloemen en

klimplanten, die langs bamboe- en ijzerdraad er om heen geleid waren

en er een zachte geur verspreidden.

Zijn lippen stamelen woorden, teederder dan het gesuizel der bladeren

en geuriger dan de aromadoorwasemde lucht, die den tuin vervult. Het

was het uur waarop de Sirenen van het meer, gebruikmakend van het

halfdonker der korte avondschemering, hun vroolijke kopjes opsteken

boven de golven, om de stervende zon te bewonderen en met hun zangen

te begroeten. Men zegt dat ze blauwe oogen en blauwe haren hebben,

dat ze kransen dragen van waterplanten met witte en roode bloemen.

Men zegt dat van tijd tot tijd het blanke schuim hun fijnbelijnde

lichaamsvormen blootgeeft, vormen nòg blanker dan dat schuim, en dat,

als straks de nacht geheel gevallen is, ze hun zielsverrukkende

spelen beginnen en geheimzinnige accoorden laten klinken als van

aeolus-harpen.

De jongelieden hadden reeds een heele poos met elkaar gesproken,

toen Ibarra tot Maria Clara zeide: "Morgen vóór dag en dauw zal

er gebeuren wat je verlangt, vannacht zal ik alles in orde maken,

zoodat er niets aan ontbreekt."

"Dan zal ik aan mijn vriendinnen schrijven dat ze komen moeten. Zorg

vooral dat de pastoor niet meegaat!"

"Waarom dat?"

"Wel omdat 't net is alsof hij me bespiedt. Zijn holle sombere oogen

doen me onaangenaam aan.

"Als hij naar me kijkt, word ik bang. Als hij met me spreekt,

klinkt zijn stem zoo vreemd ... Hij heeft het dan over zulke vreemde

dingen. Hij vroeg me eens, of ik niet gedroomd had van brieven van

mijn moeder. Ik geloof dat hij half gek is. Mijn vriendin Sinang en

Andeng, mijn zoogzusje, zeggen dat hij bepaald wat onwijs is, want

hij eet niet en hij baadt zich niet, en woont in 't donker. Maak toch

dat hij niet meegaat!"

"We kunnen hem onmogelijk overslaan," antwoordde Ibarra in

gedachten. "'t Gebruik in 't land wil dat nu eenmaal. Hij komt bij

je aan huis, en bovendien heeft hij zich tegenover mij bijzonder

edelmoedig gedragen. Toen de burgemeester hem sprak over de zaak

die je weet, heeft hij niets dan goed van me gezegd, en er niet

aan gedacht het minste bezwaar op te werpen. Maar ik zie dat je een

ernstig gezicht zet. Kom, heb maar geen zorg: hij kan toch niet met

ons mee in de 'bangka.'" [17]

Er klonken lichte voetstappen: het was de pastoor die naderbij kwam

met een gedwongen glimlach op de lippen.

"De wind is koud!" zeide hij, "als men nu een kou vat, raakt men

die niet kwijt voordat de warme tijd begint. Zijt u niet bang, om

verkouden te worden?"

Zijn stem klonk beverig en zijn blikken richtten zich naar den verren

horizon. Hij keek niet naar de jongelieden.

"Integendeel: de avond lijkt ons aangenaam en de wind

heerlijk!" antwoordde Ibarra. "In deze maanden hebben we onzen herfst

en onze lente tegelijk: er vallen wat blaren af, maar er komen ook

altijd bloemen."

De geestelijke zuchtte.

"Ik vind dat samengaan van die twee jaargetijden, zonder dat er een

koude winter volgt, heerlijk", ging Ibarra voort.

"In Februari spruiten de loten van de vruchtboomen uit en in Maart

hebben we al rijpe vruchten. Wanneer de warme maanden komen, gaan we

ergens anders heen."

Fray Salvi glimlachte. Ze begonnen over onverschillige dingen te

praten, over 't weer, over 't dorp, over 't feest. Maria Clara zocht

een voorwendsel om heen te gaan, en verwijderde zich.

"Nu we toch over feestelijkheden spreken: sta me toe dat ik u uitnoodig

voor een feest dat we morgen vieren, 't Is een buitenpartijtje,

dat onze vrienden en wij elkaar aanbieden."

"En waar zal dat plaats hebben?"

"De jonge meisjes willen het houden aan de rivier, in 't bosch hier

in de buurt, dicht bij de _baliti_. We zullen daarom vroeg moeten

opstaan, om te maken dat we geen last van de zon hebben."

De geestelijke dacht even na. Daarna antwoordde hij:

"De invitatie is erg aanlokkelijk en ik neem die aan, om u te toonen

dat ik u geen wrok toedraag. Maar ik zal wat later moeten komen, om

eerst mijn plichten af te doen. U bent wel gelukkig, vrij te zijn,

zoo heelemaal vrij!"

Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, om voor het partijtje

van den volgenden dag te gaan zorgen.

't Was reeds geheel donker.

Op straat kwam er iemand naar hem toe, die hem eerbiedig groette.

"Wie bent u?" vroeg Ibarra hem.

"U kent mijn naam niet, heer," antwoordde de onbekende. "Ik heb twee

dagen op u gewacht."

"Hoe zoo?"

"Omdat ze nergens medelijden met me hebben, omdat ze zeggen dat ik

een bandiet ben, heer! Maar ik heb mijn kinderen verloren, mijn vrouw

is krankzinnig en ze zeggen dat ik mijn verdiende loon heb!"

Ibarra nam den man snel van hoofd tot voeten op en vroeg:

"Wat wilt u nu?"

"Uw medelijden inroepen voor mijn kinderen!"

"Ik kan hier niet blijven stilstaan," antwoordde Ibarra.

"Als u me volgen wil, kan u onderweg me vertellen wat u overkomen is."

De man dankte, en weldra verdwenen ze samen in de duisternis der

slecht-verlichte straten.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 24 / 70 题