Bij den filosoof.
In den morgen van den volgenden dag begaf Ibarra zich naar de woning
van den ouden Tasio.
Schier volkomen stilte heerschte er in den tuin, nauwelijks verstoord
door de zwaluwen die bij de dakgoten heen en weer fladderden. Het mos
groeide op den ouden muur, waar langs een soort klimop zich naar en
om de vensters omhoogwerkte. 't Huisje scheen een oord der stilte.
Ibarra bond zijn paard zorgvuldig aan een paal, en bijna op zijn teenen
liep hij door den netten, goed onderhouden tuin, ging de treden van
de trap op en, daar de deur openstond, trad hij binnen.
Het eerste wat zich aan zijn blik voordeed, was de oude man zelf,
gebogen over een boek, waarin hij scheen te schrijven. Aan de wanden
zag men verzamelingen van insekten en bladeren, tusschen landkaarten
en oude boekenrekken vol boeken en handschriften.
De oude was zoo verdiept in zijn werk dat hij de aanwezigheid van den
jongen man niet eerder opmerkte, voordat deze op 't punt was om weer
heen te gaan, teneinde geen stoornis te veroorzaken.
"Wel, was u daar?" vroeg hij, terwijl hij Ibarra met eenige verbazing
aankeek.
"Neem me niet kwalijk", antwoordde deze, "ik zie dat u 't erg druk
heeft."
"Dat is zoo, ik was bezig iets te schrijven, maar 't heeft geen haast
en ik wil wat uitrusten. Kan ik u met iets van dienst zijn?"
"Met heel veel!" gaf Ibarra terug, terwijl hij naderbij kwam. "Maar..."
En hij sloeg een blik op 't boek dat op tafel lag.
"Hoe nu?" riep hij verwonderd uit, "wijdt u zich aan 't ontcijferen
van hieroglyfen?"
"Nee, nee!" antwoordde de oude man en bood hem een stoel aan. "Ik
ken geen oud-Egyptisch en ook zelfs geen Koptisch, maar ik ken zoo'n
beetje het schriftstelsel en ik schrijf in hieroglyfen."
"Schrijft u in hieroglyfen? En waarom?" vroeg Ibarra twijfelend aan
't geen hij zag en hoorde.
"Om te maken dat ze me nu niet lezen kunnen!"
De jonge man keek den ander van hoofd tot voeten aan en dacht dat
hij misschien werkelijk gek was. Snel liet Ibarra zijn oogen over
het boek gaan, om te zien of het waar was wat hem daar medegedeeld
was. En duidelijk zag hij daar teekeningetjes van dieren, kringetjes,
halfcirkels, bloemen, voeten, handen, armen en zoo meer.
"En waarom schrijft u, als u niet wil gelezen worden?"
"Omdat ik niet voor dit geslacht schrijf. Ik schrijf voor latere
tijden. Als ze me nu konden lezen zouden ze mijn boeken verbranden,
't werk van mijn heele leven. Maar 't geslacht dat deze teekens
zal kunnen ontcijferen zal een ontwikkeld geslacht wezen: 't zal
me begrijpen en zeggen: 'Niet iedereen sliep in den nacht van onze
voorouders!' De geheimzinnigheid van deze letterteekens zal mijn
werk behoeden voor menschelijke domheid, zooals al zooveel waarheden
voor de priestervernielzucht behoed zijn door mysterie en allerlei
'hokus-pokus.'"
"En in welke taal schrijft u?" vroeg Ibarra na een oogenblik zwijgens.
"In onze eigen taal: in 't Tagaalsch."
"En gaat dat in hieroglyfen?"
"O, ja, beter nog dan in 't latijnsche schrift: dat is minder geschikt
voor onze taal. 't Is alleen wat lastig, want alle teekens moeten goed
afgewerkt worden. Maar ik ben dan ook zoo kort mogelijk: ik zeg alleen
't hoognoodzakelijke.
"'t Werk houdt me bovendien gezelschap wanneer mijn gasten van China
en Japan weg zijn."
"Hoe zoo?"
"Wel, hoort u ze niet? Mijn gasten zijn de zwaluwen.
"Dit jaar ontbreekt er een: een Chineesche of Japansche straatjongen
zal er een gevangen hebben."
"Hoe weet u dat ze uit die landen komen?"
"Heel eenvoudig: ik bond ieder jaar een papiertje aan de pootjes,
voordat ze vertrokken. Ik schreef er Engelsch op, want die taal
wordt hier in de omliggende streken veel gesproken. Maar ik kreeg
geen antwoord, totdat ik op 't idee kwam, om er Chineesch op te laten
schrijven. In November daarop kwamen ze terug met andere briefjes. Die
bleken me in 't Chineesch en Japansch geschreven te zijn... Maar ik
hou u misschien op ...en ik vraag u niet eens, wat u eigenlijk van
me verlangt."
"Ik kwam u over een zaak van belang spreken," antwoordde de jonge
man. "Gisteren avond..."
"Hebben ze den stumper gepakt?" vroeg de oude vol belangstelling.
"Bedoelt u Elias! Hoe weet u dat zoo."
"Ik heb de muze van de _guardia civil_ gezien."
"De muze van de _guardia civil_! En wie is dat?"
"Wel, de vrouw van den _alférez_, die u niet op uw feest genoodigd
heeft. Gisteren ochtend werd die geschiedenis met den kaaiman in
't dorp bekend. De muze van de guardia civil is net zoo kwiek als
ze kwaadaardig is, en die veronderstelde dadelijk dat de 'loods'
dezelfde moest wezen als de brutale rakker, die haar man in de modder
gesmeten had, en die ook Pater Dámaso afgeranseld had. En omdat zij de
telegrammen leest die haar man moet ontvangen, heeft ze onmiddellijk
toen die dronklap en onverstand thuiskwam, zich op u willen wreken
en zoo den sergeant met de soldaten op u afgestuurd, om het feest in
de war te sturen. Past u maar op! Eva was een goeie vrouw, ze kwam
uit Gods handen...Doña Consolación is 'n kwaje, naar men zegt, en je
weet niet uit welke handen _zij_ gekomen is! Om goed te kunnen zijn,
moet een vrouw ten minste eenmaal van haar leven maagd of moeder
geweest zijn."
Ibarra lachte even en antwoordde, terwijl hij eenige papieren uit
zijn zakportefeuille voor den dag haalde:
"Wijlen mijn vader was gewoon u in enkele dingen te raadplegen, en
ik herinner me dat hij er nooit spijt van heeft gehad, uw raad te
volgen. Ik heb nu iets ondernomen waarvan ik graag den goeden uitslag
zou verzekerd zien."
En Ibarra zette in 't kort zijn schoolplannetje uiteen, dat hij zijn
meisje als verrassing had aangeboden, en liet den verbaasden filosoof
de teekeningen zien, die hem uit Manila waren toegezonden.
"Ik zou gaarne van u vernemen, welke menschen ik in 't dorp op mijn
hand zou moeten zien te krijgen, om 't werk op de beste wijze te doen
slagen. U kent de bewoners goed. Ik ben nog nieuweling en bijna een
vreemdeling in mijn eigen land."
De oude Tasio bekeek met vochtige oogen de plannen en teekeningen
die daar voor hem lagen.
"Wat u daar gaat verwezenlijken, was mijn droom, de droom van een
ouwen gek!" riep hij ontroerd uit. "En nu... 't eerste wat ik u nu
raad, is nooit mij te komen raadplegen."
De jongeling keek Tasio verwonderd aan.
"Omdat anders de verstandige menschen," ging hij met bittere ironie
voort, "u ook voor een gek zouden houden. De menschen houden iemand
voor gek die niet net zoo denkt als zij. Daarom denken ze zoo over
mij, en ik ben er erkentelijk voor; want, o wee de dag dat ze me
's weer mijn verstand zouden teruggeven! Dien dag zouden ze me 't
beetje vrijheid afnemen, dat ik me nu gekocht heb ten koste van mijn
reputatie als verstandig man. En wie weet of ze geen gelijk hebben! Ik
denk en leef niet naar hun regels; mijn beginselen en mijn idealen zijn
anders dan de hunne. Zoo'n _gobernadorcillo_, die noemen ze verstandig,
omdat hij niets anders geleerd heeft dan gedienstig en geduldig te zijn
tegenover Pater Dámaso, zijn chocolade op te dienen en zijn humeur
te verdragen. Die is daarom nu rijk, die buit de kleine bestaantjes
van zijn medeburgers uit en praat soms nog van rechtvaardigheid
en recht. 'Daar heb je nu een knappe kerel!' denkt het domme volk,
'kijk ereis aan, die is van niks opgekomen tot grootheid!' Maar ik,
ik heb fortuin en aanzien geërfd, ik heb gestudeerd, en ik ben arm. Ze
hebben me niet het minste baantje willen geven. En ze zeggen allemaal:
"'De vent is gek! Die kent 't leven niet!' De pastoor noemt me filosoof
uit spot; hij vertelt aan iedereen dat ik een soort kwakzalver ben,
die geurt met wat hij op de kollege-banken geleerd heeft, terwijl dat
juist is wat hem het minst te pas komt. 't Kan wezen dat ik eigenlijk
de gek ben en zij de wijzen; wie kan dat uitmaken?"
En de oude man schudde het hoofd, alsof hij een gedachte van zich af
woû zetten en ging voort:
"Wat ik u ook nog raden kan, is dat u den pastoor in den arm neemt,
en den burgemeester, allen menschen van positie. Ze zullen u dan
allerlei slechte, domme of onnutte raad geven, maar u moet maar denken:
raadplegen is nog niet gehoorzamen. Doe u maar zooveel mogelijk net
alsof ze in alles en altijd gelijk hebben en laten ze denken dat u
handelt naar hun raad."
Ibarra dacht een oogenblik na, en antwoordde toen:
"De raad is goed, maar moeilijk op te volgen. Zou ik mijn ideeën
niet kunnen verwezenlijken, zonder dat er zoo'n schaduw op valt? Zou
't goede zich geen baan kunnen breken door alles heen, en is 't wel
noodig dat de waarheid kleeren te leen vraagt aan de dwaling?"
"Zeker! Niemand houdt immers van de naakte waarheid!" hervatte de
grijsaard. "Dat is alles mooi in theorie, dat is uitvoerbaar in de
droomwereld van de jeugd. Daar heb je nu de schoolmeester: die heeft
in de lucht geschermd. Een kinderhart dat het goede voorhad, en alleen
maar spotternij en hoon heeft geoogst. U heeft me zooeven gezegd dat
u een vreemdeling in 't land was. Dat geloof ik. Den eersten dag na
uw aankomst al heeft u een geestelijke in zijn eigenliefde gekwetst,
en de man gaat onder de menschen hier door voor een heilige en onder
zijn eigen soort voor een geleerde. Denkt u maar niet dat het iets te
beteekenen heeft, of de Dominikanen> en de Augustijners met minachting
neerzien op de pij, 't koord en 't onhebbelijke schoeisel van de
Franciskanen. Een groot geleerde--een dokter van de Heilige Tomas van
Aquino--heeft zich ergens van Paus Innocentius de Derde aangehaald
dat de statuten van die orde geschikter waren voor varkens dan voor
menschen. Maar ze reiken elkaar even goed allemaal de hand. Ze zijn
't allemaal eens wat hun macht aangaat. Allemaal denken ze daarover
zooals eens een 'procurator' het uitdrukte: 'De minste lekebroeder
kan meer doen dan 't bestuur met al zijn soldaten.'
"_Cave ne cadas._ [22] Het goud is erg machtig: het gouden kalf heeft
dikwijls God van zijn altaren geworpen. En dat is al zoo sinds de
tijden van Mozes."
"Ik ben niet zoo'n zwartkijker, en 't leven in mijn land lijkt mij
zoo gevaarlijk niet," antwoordde Ibarra lachend. "Ik geloof dat u
met uw vrees wat overdrijft, en ik hoop al mijn plannen te kunnen
verwezenlijken, zonder van dien kant veel tegenstand te ontmoeten."
"Jawel, als zij u de hand reiken, niet als ze je die onttrekken. Al
uw pogen zou gewoon stuk loopen tegen de muren van 't pastoors-huis,
als de pater maar even zijn koord zwaaide of zijn pij schudde. De
burgemeester zou u morgen onder 't een of ander voorwendsel weigeren
wat hij u vandaag heeft toegestaan. Geen enkele moeder zou haar
kind naar de school laten gaan, en dan zou uw moeite en sloven een
negatieve uitwerking hebben: 't zou iedereen die later iets moois
wou ondernemen den moed benemen."
"En toch," hervatte de jonge man, "kan ik niet gelooven aan die
macht waar u van spreekt. En zelfs een oogenblik aannemende dat die
bestond, zou ik immers de verstandige menschen aan mijn zij hebben. En
't bestuur: dat is immers bezield met uitstekende bedoelingen, dat
heeft een ruime blik en beoogt 't oprechte welzijn van de Filippijnen."
"'t Bestuur! 't Bestuur!" mompelde de filosoof, terwijl hij de oogen
opsloeg naar de zoldering. "Al is 't ook nóg zoo bezield met den
wensch om 't land groot te maken, voor 't land zelf en voor Spanje,
al is 't ook dat deze of gene hooge ambtenaar zich nog den edelen zin
van de Katholieke Koningen herinnert, en op zijn eentje eraan denkt,
't bestuur ziet niet, hoort niet, oordeelt niet dan wat de pastoor of
de provinciaal wil hebben dat hij ziet, hoort of oordeelt. 't Is immers
overtuigd dat het alleen op hen rust, dat als het zich staande houdt,
dat alleen is omdat zij 't steunen, dat, als 't leeft, dat is omdat
zij 't goedvinden dat het leeft, en dat zoodra die steun ontbreekt,
het in elkaar zal zakken als een ledepop, die niet meer opgehouden
wordt. Het bestuur maken ze bang door het volk op te zetten, en
't volk door te dreigen met de bestuurs-macht. Zoo wordt het een
eenvoudig spelletje, dat lijkt op wat er gebeurt met vreesachtige
menschen, wanneer ze op akelige plaatsen komen. Ze zien dan hun eigen
schaduwen voor spoken aan en houden de echo van hun eigen stemmen voor
geestesstemmen. Zoolang het gouvernement zich niet in onmiddellijke
aanraking met het land stelt, ontgaat het die voogdij niet. 't Zal
blijven voortbestaan zooals een half-onnoozele jongen die siddert op
de stem van zijn oppasser en die bedelt om zijn gunst. Het bestuur
denkt in de verste verte niet aan een toekomst van kracht. 't Is een
arm. Het hoofd dat is de pastorie, het 'klooster'. En door de laksheid
waarmee 't zich van de eene ellende in de andere laat slepen, wordt
het een schijnmacht. En zoo laat het in zijn nulliteit en zwakte maar
alles aan huurlingen over. Maak maar eens een vergelijking tusschen
ons bestuursstelsel en dat van de andere landen waar u vertoefde."
"O!" viel Ibarra in, "we moeten niet te veeleischend zijn: laten we
tevreden zijn nu we zien dat ons volk niet klaagt, dat het niet lijdt,
zooals het volk in andere landen. En dat dankt het aan den godsdienst
en aan de goedgezindheid van zijn bestuurders."
"Het volk klaagt niet, omdat het geen stem heeft. 't Komt niet in
beroering, omdat het versuft is, en u zegt dat het niet lijdt, omdat
u niet gezien heeft, hoe zijn hart bloedt. Maar eenmaal zullen u de
oogen opengaan, dan zult u 't zien en hooren. En dan, wee degenen
die nu genieten van 't bedrog, die in 't donker werken en wanen
dat iedereen slaapt. Wanneer het daglicht de misgeboorte van den
nacht zal beschijnen, dan komt de verschrikkelijke reactie. Zooveel
kracht, in zooveel eeuwen neergedrukt, zooveel vergif, drup voor drup
uitgeperst, zooveel versmoorde zuchten, dat alles zal dan uitbreken
en uitbarsten... Wie zal er dan de rekening vereffenen, een rekening
zooals de volken die van tijd tot tijd ter vereffening aanbieden? De
Geschiedenis spreekt ervan op zijn bloedigste bladzijden!"
"God zal niet toelaten dat die dag ooit komt. Het bestuur en de
godsdienst evenmin!" antwoordde Crisóstomo, die ondanks zichzelve
onder den indruk kwam. "De Filippijnen zijn godsdienstig en hebben
Spanje lief. De Filippijnen zullen weten wat het moederland voor
ze doet. Er zijn misbruiken, dat is zoo, er zijn gebreken, dat zal
ik niet ontkennen, maar Spanje maakt werk van hervormingen, die ze
zullen verbeteren. 't Bereidt ze voor. 't Is niet zelfzuchtig."
"Dat weet ik, en dat is juist zoo droevig. De hervormingen die
van bovenaf komen, loopen op niets uit in de lagere sfeeren, dank
zij de ondeugden van iedereen. Bijvoorbeeld de felle begeerte om in
korten tijd rijk te worden en de domheid van 't volk, dat maar alles
goedvindt. Misbruiken worden niet weggemaakt door een koninklijk
besluit, zoolang niet een volijverig gezag voor de uitvoering
waakt, zoolang men geen vrijheid van 't woord geeft tegen de
buitensporigheden van kleine tirannen: de plannen blijven plannen,
de misbruiken misbruiken, en de minister zal, voldaan over zijn
werk, toch rustiger slapen. Wat meer is, als er eens bijgeval een
hoog personage komt, met groote en edelmoedige denkbeelden dan hoort
die al gauw zeggen--terwijl ze hem achter zijn rug voor gek houden,
'Uwe Excellentie kent het land niet, Uwe Excellentie kent den aard van
den inlander niet, Uwe Excellentie richt ze te gronde op die manier,
Uwe Excellentie zou goed doen met te vertrouwen op meneer Zus of
meneer Zoo en meer zoo.' En als men nu nagaat dat Zijne Excellentie
het land werkelijk niet kende--hij had het immers ergens in Amerika
gezocht--en dat hij bovendien zwakheden en gebreken heeft als ieder
ander mensch, dan is 't duidelijk dat hij zich laat bepraten. Zijne
Excellentie herinnert zich ook dat hij om zijn hooge post te krijgen
heel wat heeft moeten zweten en nog meer heeft moeten lijden. Dat hij
die post maar voor drie jaar heeft. Dat hij zoetjes aan oud wordt,
en 't geen tijd meer voor hem is, om aan don-quichotterieën te doen;
dat hij nu maar alleen aan zijn toekomst moet denken: een mooi huisje
in Madrid, een buitentje, een aardig inkomen om weelderig te leven
op de hoofdplaats: dat moest hij immers op de Filippijnen zien te
winnen. Laten we geen wonderen verwachten. We kunnen moeilijk vragen
dat iemand die als vreemdeling in 't land komt, om zijn fortuin te
maken en daarna weer heen te gaan, belang zal stellen in 't welzijn van
't land. Wat kan hem de dankbaarheid of de vloek van een volk schelen
dat hij niet kent, waar niets hem lief is? Wil roem ons aanlokken,
dan moet hij klinken in de ooren van de menschen die we liefhebben,
in de atmosfeer van onze woonplaats, van ons eigen land. 't Land
waar onze asch moet rusten. We willen dat onze roem op ons graf zal
wijlen, om met zijn stralen de doodskoû te verdrijven, om te maken
dat we niet heelemaal in 't niet opgaan, dat er iets van ons wezen
overblijft. Niets van dat alles kunnen we beloven aan den man die
over ons wel en wee komt beschikken. En 't ergste is dat zoo'n man
weer heengaat, wanneer hij net begint op de hoogte te komen van zijn
plicht. Maar we dwalen af van ons onderwerp."
"O nee, ik moet nog eerst een paar dingen met u in 't reine brengen
voordat ik daarop terugkom," viel de jongeman levendig in. "Ik wil
toegeven dat het bestuur het volk niet kent, maar ik geloof dat het
volk 't bestuur nog minder kent. Er zijn onnutte slechte ambtenaren,
als u wilt, maar er zijn ook goede en als dezen niets kunnen gedaan
krijgen dan is 't omdat ze optornen tegen een logge massa: 't volk. Dat
neemt heel weinig notitie van de dingen die het aangaan. Maar ik ben
niet bij u gekomen om hier over veel uit te weiden: ik ben gekomen
om u raad te vragen...
"En u zegt me dat ik mijn hoofd moet buigen voor zotte afgoden..."
"Ja, en ik zeg 't nog eens, want hier moet je je hoofd buigen, of
't geheel laten zakken."
"'t Hoofd buigen of het geheel laten zakken?" herhaalde Ibarra in
gedachten.
"Dat is een hard dilemma! Maar waarom? Is de liefde voor mijn land
dan niet overeen te brengen met mijn liefde voor Spanje? Is 't dan
bepaald noodzakelijk, zich te verlagen; om een goed christen te wezen
moet men dan zijn eigen geweten veil hebben, om een goed doel te
kunnen bereiken? Ik heb mijn vaderland, de Filippijnen, lief, omdat
ik er mijn leven en mijn geluk aan dank, en omdat ieder mensch zijn
vaderland lief moet hebben. Ik hoû van Spanje, het vaderland van mijn
voorouders, omdat, hoe dan ook, de Filippijnen aan Spanje hun geluk
en hun toekomst danken. Ik ben katholiek, ik bewaar zuiver 't geloof
van mijn vaderen, ik zie niet in, waarom of ik het hoofd zou buigen,
wanneer ik 't op kan heffen of 't aan mijn vijanden zou overgeven,
wanneer ik die vijanden zou kunnen vertrappen!"
"Omdat het veld waar u wilt gaan zaaien in de handen van uw vijanden
is," zeide de filosoof. "En daartegen is u niet opgewassen... u moet
eerst de hand kussen die..."
Doch de jongeman liet hem niet uitspreken, en riep opgewonden uit:
"Kussen! Maar u vergeet dat die lui mijn vader hebben afgemaakt;
dat ze hem uit zijn graf hebben gehaald... maar ik, die de zoon ben,
vergeet het niet, en dat ik er geen wraak over neem, is omdat ik den
godsdienst ontzien wil."
De oude filosoof boog het hoofd.
"Meneer Ibarra," antwoordde hij langzaam, "als u die herinneringen
bij u omdraagt--en ik mag u niet raden in dezen naar vergetelheid te
streven--dan moet u de plannen die u voorheeft opgeven, en 't welzijn
van uw landgenoten in iets anders trachten te bevorderen. Zoo'n
onderneming als de uwe vraagt een ander man, want om zoo iets tot
stand te brengen, heeft men niet alleen geld en goeden wil noodig. In
ons land wordt daar voor bovendien vereischt zelfverloochening,
hardnekkigheid en geloof: de grond is er niet voor bereid, maar staat
alleen vol onkruid."
Ibarra begreep de waarde dier woorden, doch hij meende zich niet te
mogen laten ontmoedigen: de gedachte aan Maria Clara was hem te sterk,
hij moest wat hij haar geboden had verwezenlijken.
"Geeft uw ervaring u geen ander middel aan de hand dan dat eene
harde?" vroeg hij zacht.
De oude greep hem bij den arm en leidde hem naar het venster. Er woei
een frissche wind, voorbode van de "norte," voor zijn oogen strekte
zich de tuin uit, begrensd door het uitgestrekte bosch, dat als park
dienst deed.
"Waarom zouden wij niet doen evenals die zwakke stengel daar, met
al die rozen en knoppen?" zeide de filosoof, terwijl hij naar een
schoonen rozenstruik wees. "De wind waait en grijpt hem aan: hij
buigt, alsof hij zijn kostbare vracht wil verbergen. Als de stengel
rechtop bleef, zou hij afbreken, de wind zou de bloemen verwaaien,
en van de knopjes zou niets terechtkomen. De wind gaat liggen en de
stengel richt zich weer op, trotsch op zijn schat: wie zal 't hem
kwalijk nemen dat hij voor nooddwang 't hoofd gebogen heeft? Kijkt
u daar verderop eens naar dien reusachtige _koepang_, die daar zoo
statig zijn hoog lover tegen den hemel beweegt. Daar nestelen welig
arenden in zoo'n boom. Ik heb hem indertijd als een teer plantje
uit het bosch gehaald en ik heb zijn stammetje maanden achtereen met
bamboe-stokjes moeten stutten. Als ik hem groot en vol levenskracht
overgebracht had, dan zou hij stellig en zeker hier niet zijn blijven
leven: de wind zou hem neergesmeten hebben, voordat zijn wortels zich
in de aarde hadden kunnen vastwerken, voordat de aarde zelf ook om
hem heen voldoende stevig had kunnen worden om hem de noodige steun
te geven voor zijn omvang en hoogte. Zoo zal 't ook met u afloopen,
u een plant uit Europa overgebracht naar dit steenachtig terrein,
als u geen steun zoekt en u klein weet te maken. U bevindt zich in
een ongunstigen toestand, alleen en hoogstaand: de grond onder u bent
onvast, de hemel spelt onweer, en 't is al gebleken dat de kruin
van de boomen van uw familie de bliksem aantrekt. 't Is geen moed
meer, maar waaghalzerij alleen te willen vechten tegen zijn heele
omgeving. Niemand zal 't een loods verwijten, wanneer hij schuilt in
een haven bij den eersten windstoot van een storm. Bukken als er een
kogel komt aansnorren, is geen lafheid; wel is 't verkeerd dien te
trotseeren, om te vallen en niet weer op te staan."
"En zou dit offer de vruchten leveren, die ik ervan hoop te
krijgen? Zou de geestelijke in me gelooven en de beleediging, die
ik hem aangedaan heb vergeten? Zouden ze me vrijmoedig helpen, om
't onderwijs te bevorderen, terwijl dit juist de rijkdommen van 't
land aan de geestelijkheid betwist? Zou 't niet mogelijk wezen dat ze
vriendschap huichelden, dat ze deden alsof ze me beschermen wilden,
en dat ze me achter den rug, in 't donker, bestreden en ondermijnden,
dat ze me om zoo te zeggen in mijn hiel verwondden, om me eerder de
doen wankelen dan wanneer ze me van voren te lijf gingen? Gegeven de
antecedenten die u veronderstelt, kan men alles verwachten."
De oude man zweeg een wijle, zonder te kunnen antwoorden. Hij dacht
eenige oogenblikken na en hervatte:
"Als dat gebeurde, als de zaak faliekant uitging, zou u troost
vinden bij de gedachte dat u alles gedaan had wat van uzelf afhing,
en zelfs dan zou u iets gewonnen hebben, u zou 't eerste zaad er
gezaaid hebben. Na 't bedaren van den storm zou er wellicht een zaadje
ontkiemen, 't zou de ramp overleven, 't soort redden van algeheelen
ondergang en later als zaailing kunnen dienstdoen voor de kinderen
van den gestorven zaaier. Het voorbeeld kan anderen lokken die nu
zich alleen door hun vrees laten weerhouden om een begin te maken."
Ibarra overwoog deze redeneering, zag zijn toestand in, en begreep
dat de oude heer met al zijn zwartziendheid groot gelijk had.
"Ik geloof u!" riep hij uit en drukte hem de hand. "Ik heb niet voor
niets op een goeden raad gehoopt. Vandaag nog ga ik ronduit de zaak
aan den pastoor blootleggen. Per slot van rekening heeft die me in
't geheel geen kwaad gedaan, en moet hij een goed man wezen. Ik moet
hem bovendien zijn belangstelling vragen voor die ongelukkige gekke
vrouw en haar kinderen: ik stel vertrouwen op God en de menschen."
Hij nam afscheid van den grijsaard, en te paard stijgende, vertrok hij.
"Opgepast!" mompelde de pessimistische wijsgeer, terwijl hij hem met
de oogen volgde: "we moeten 's nagaan, hoe 't lot verder de komedie
zal afspelen die op het kerkhof begonnen is."
Ditmaal vergiste bij zich werkelijk: de komedie was al veel eerder
begonnen.