XXIV.

Bij den filosoof.

In den morgen van den volgenden dag begaf Ibarra zich naar de woning

van den ouden Tasio.

Schier volkomen stilte heerschte er in den tuin, nauwelijks verstoord

door de zwaluwen die bij de dakgoten heen en weer fladderden. Het mos

groeide op den ouden muur, waar langs een soort klimop zich naar en

om de vensters omhoogwerkte. 't Huisje scheen een oord der stilte.

Ibarra bond zijn paard zorgvuldig aan een paal, en bijna op zijn teenen

liep hij door den netten, goed onderhouden tuin, ging de treden van

de trap op en, daar de deur openstond, trad hij binnen.

Het eerste wat zich aan zijn blik voordeed, was de oude man zelf,

gebogen over een boek, waarin hij scheen te schrijven. Aan de wanden

zag men verzamelingen van insekten en bladeren, tusschen landkaarten

en oude boekenrekken vol boeken en handschriften.

De oude was zoo verdiept in zijn werk dat hij de aanwezigheid van den

jongen man niet eerder opmerkte, voordat deze op 't punt was om weer

heen te gaan, teneinde geen stoornis te veroorzaken.

"Wel, was u daar?" vroeg hij, terwijl hij Ibarra met eenige verbazing

aankeek.

"Neem me niet kwalijk", antwoordde deze, "ik zie dat u 't erg druk

heeft."

"Dat is zoo, ik was bezig iets te schrijven, maar 't heeft geen haast

en ik wil wat uitrusten. Kan ik u met iets van dienst zijn?"

"Met heel veel!" gaf Ibarra terug, terwijl hij naderbij kwam. "Maar..."

En hij sloeg een blik op 't boek dat op tafel lag.

"Hoe nu?" riep hij verwonderd uit, "wijdt u zich aan 't ontcijferen

van hieroglyfen?"

"Nee, nee!" antwoordde de oude man en bood hem een stoel aan. "Ik

ken geen oud-Egyptisch en ook zelfs geen Koptisch, maar ik ken zoo'n

beetje het schriftstelsel en ik schrijf in hieroglyfen."

"Schrijft u in hieroglyfen? En waarom?" vroeg Ibarra twijfelend aan

't geen hij zag en hoorde.

"Om te maken dat ze me nu niet lezen kunnen!"

De jonge man keek den ander van hoofd tot voeten aan en dacht dat

hij misschien werkelijk gek was. Snel liet Ibarra zijn oogen over

het boek gaan, om te zien of het waar was wat hem daar medegedeeld

was. En duidelijk zag hij daar teekeningetjes van dieren, kringetjes,

halfcirkels, bloemen, voeten, handen, armen en zoo meer.

"En waarom schrijft u, als u niet wil gelezen worden?"

"Omdat ik niet voor dit geslacht schrijf. Ik schrijf voor latere

tijden. Als ze me nu konden lezen zouden ze mijn boeken verbranden,

't werk van mijn heele leven. Maar 't geslacht dat deze teekens

zal kunnen ontcijferen zal een ontwikkeld geslacht wezen: 't zal

me begrijpen en zeggen: 'Niet iedereen sliep in den nacht van onze

voorouders!' De geheimzinnigheid van deze letterteekens zal mijn

werk behoeden voor menschelijke domheid, zooals al zooveel waarheden

voor de priestervernielzucht behoed zijn door mysterie en allerlei

'hokus-pokus.'"

"En in welke taal schrijft u?" vroeg Ibarra na een oogenblik zwijgens.

"In onze eigen taal: in 't Tagaalsch."

"En gaat dat in hieroglyfen?"

"O, ja, beter nog dan in 't latijnsche schrift: dat is minder geschikt

voor onze taal. 't Is alleen wat lastig, want alle teekens moeten goed

afgewerkt worden. Maar ik ben dan ook zoo kort mogelijk: ik zeg alleen

't hoognoodzakelijke.

"'t Werk houdt me bovendien gezelschap wanneer mijn gasten van China

en Japan weg zijn."

"Hoe zoo?"

"Wel, hoort u ze niet? Mijn gasten zijn de zwaluwen.

"Dit jaar ontbreekt er een: een Chineesche of Japansche straatjongen

zal er een gevangen hebben."

"Hoe weet u dat ze uit die landen komen?"

"Heel eenvoudig: ik bond ieder jaar een papiertje aan de pootjes,

voordat ze vertrokken. Ik schreef er Engelsch op, want die taal

wordt hier in de omliggende streken veel gesproken. Maar ik kreeg

geen antwoord, totdat ik op 't idee kwam, om er Chineesch op te laten

schrijven. In November daarop kwamen ze terug met andere briefjes. Die

bleken me in 't Chineesch en Japansch geschreven te zijn... Maar ik

hou u misschien op ...en ik vraag u niet eens, wat u eigenlijk van

me verlangt."

"Ik kwam u over een zaak van belang spreken," antwoordde de jonge

man. "Gisteren avond..."

"Hebben ze den stumper gepakt?" vroeg de oude vol belangstelling.

"Bedoelt u Elias! Hoe weet u dat zoo."

"Ik heb de muze van de _guardia civil_ gezien."

"De muze van de _guardia civil_! En wie is dat?"

"Wel, de vrouw van den _alférez_, die u niet op uw feest genoodigd

heeft. Gisteren ochtend werd die geschiedenis met den kaaiman in

't dorp bekend. De muze van de guardia civil is net zoo kwiek als

ze kwaadaardig is, en die veronderstelde dadelijk dat de 'loods'

dezelfde moest wezen als de brutale rakker, die haar man in de modder

gesmeten had, en die ook Pater Dámaso afgeranseld had. En omdat zij de

telegrammen leest die haar man moet ontvangen, heeft ze onmiddellijk

toen die dronklap en onverstand thuiskwam, zich op u willen wreken

en zoo den sergeant met de soldaten op u afgestuurd, om het feest in

de war te sturen. Past u maar op! Eva was een goeie vrouw, ze kwam

uit Gods handen...Doña Consolación is 'n kwaje, naar men zegt, en je

weet niet uit welke handen _zij_ gekomen is! Om goed te kunnen zijn,

moet een vrouw ten minste eenmaal van haar leven maagd of moeder

geweest zijn."

Ibarra lachte even en antwoordde, terwijl hij eenige papieren uit

zijn zakportefeuille voor den dag haalde:

"Wijlen mijn vader was gewoon u in enkele dingen te raadplegen, en

ik herinner me dat hij er nooit spijt van heeft gehad, uw raad te

volgen. Ik heb nu iets ondernomen waarvan ik graag den goeden uitslag

zou verzekerd zien."

En Ibarra zette in 't kort zijn schoolplannetje uiteen, dat hij zijn

meisje als verrassing had aangeboden, en liet den verbaasden filosoof

de teekeningen zien, die hem uit Manila waren toegezonden.

"Ik zou gaarne van u vernemen, welke menschen ik in 't dorp op mijn

hand zou moeten zien te krijgen, om 't werk op de beste wijze te doen

slagen. U kent de bewoners goed. Ik ben nog nieuweling en bijna een

vreemdeling in mijn eigen land."

De oude Tasio bekeek met vochtige oogen de plannen en teekeningen

die daar voor hem lagen.

"Wat u daar gaat verwezenlijken, was mijn droom, de droom van een

ouwen gek!" riep hij ontroerd uit. "En nu... 't eerste wat ik u nu

raad, is nooit mij te komen raadplegen."

De jongeling keek Tasio verwonderd aan.

"Omdat anders de verstandige menschen," ging hij met bittere ironie

voort, "u ook voor een gek zouden houden. De menschen houden iemand

voor gek die niet net zoo denkt als zij. Daarom denken ze zoo over

mij, en ik ben er erkentelijk voor; want, o wee de dag dat ze me

's weer mijn verstand zouden teruggeven! Dien dag zouden ze me 't

beetje vrijheid afnemen, dat ik me nu gekocht heb ten koste van mijn

reputatie als verstandig man. En wie weet of ze geen gelijk hebben! Ik

denk en leef niet naar hun regels; mijn beginselen en mijn idealen zijn

anders dan de hunne. Zoo'n _gobernadorcillo_, die noemen ze verstandig,

omdat hij niets anders geleerd heeft dan gedienstig en geduldig te zijn

tegenover Pater Dámaso, zijn chocolade op te dienen en zijn humeur

te verdragen. Die is daarom nu rijk, die buit de kleine bestaantjes

van zijn medeburgers uit en praat soms nog van rechtvaardigheid

en recht. 'Daar heb je nu een knappe kerel!' denkt het domme volk,

'kijk ereis aan, die is van niks opgekomen tot grootheid!' Maar ik,

ik heb fortuin en aanzien geërfd, ik heb gestudeerd, en ik ben arm. Ze

hebben me niet het minste baantje willen geven. En ze zeggen allemaal:

"'De vent is gek! Die kent 't leven niet!' De pastoor noemt me filosoof

uit spot; hij vertelt aan iedereen dat ik een soort kwakzalver ben,

die geurt met wat hij op de kollege-banken geleerd heeft, terwijl dat

juist is wat hem het minst te pas komt. 't Kan wezen dat ik eigenlijk

de gek ben en zij de wijzen; wie kan dat uitmaken?"

En de oude man schudde het hoofd, alsof hij een gedachte van zich af

woû zetten en ging voort:

"Wat ik u ook nog raden kan, is dat u den pastoor in den arm neemt,

en den burgemeester, allen menschen van positie. Ze zullen u dan

allerlei slechte, domme of onnutte raad geven, maar u moet maar denken:

raadplegen is nog niet gehoorzamen. Doe u maar zooveel mogelijk net

alsof ze in alles en altijd gelijk hebben en laten ze denken dat u

handelt naar hun raad."

Ibarra dacht een oogenblik na, en antwoordde toen:

"De raad is goed, maar moeilijk op te volgen. Zou ik mijn ideeën

niet kunnen verwezenlijken, zonder dat er zoo'n schaduw op valt? Zou

't goede zich geen baan kunnen breken door alles heen, en is 't wel

noodig dat de waarheid kleeren te leen vraagt aan de dwaling?"

"Zeker! Niemand houdt immers van de naakte waarheid!" hervatte de

grijsaard. "Dat is alles mooi in theorie, dat is uitvoerbaar in de

droomwereld van de jeugd. Daar heb je nu de schoolmeester: die heeft

in de lucht geschermd. Een kinderhart dat het goede voorhad, en alleen

maar spotternij en hoon heeft geoogst. U heeft me zooeven gezegd dat

u een vreemdeling in 't land was. Dat geloof ik. Den eersten dag na

uw aankomst al heeft u een geestelijke in zijn eigenliefde gekwetst,

en de man gaat onder de menschen hier door voor een heilige en onder

zijn eigen soort voor een geleerde. Denkt u maar niet dat het iets te

beteekenen heeft, of de Dominikanen> en de Augustijners met minachting

neerzien op de pij, 't koord en 't onhebbelijke schoeisel van de

Franciskanen. Een groot geleerde--een dokter van de Heilige Tomas van

Aquino--heeft zich ergens van Paus Innocentius de Derde aangehaald

dat de statuten van die orde geschikter waren voor varkens dan voor

menschen. Maar ze reiken elkaar even goed allemaal de hand. Ze zijn

't allemaal eens wat hun macht aangaat. Allemaal denken ze daarover

zooals eens een 'procurator' het uitdrukte: 'De minste lekebroeder

kan meer doen dan 't bestuur met al zijn soldaten.'

"_Cave ne cadas._ [22] Het goud is erg machtig: het gouden kalf heeft

dikwijls God van zijn altaren geworpen. En dat is al zoo sinds de

tijden van Mozes."

"Ik ben niet zoo'n zwartkijker, en 't leven in mijn land lijkt mij

zoo gevaarlijk niet," antwoordde Ibarra lachend. "Ik geloof dat u

met uw vrees wat overdrijft, en ik hoop al mijn plannen te kunnen

verwezenlijken, zonder van dien kant veel tegenstand te ontmoeten."

"Jawel, als zij u de hand reiken, niet als ze je die onttrekken. Al

uw pogen zou gewoon stuk loopen tegen de muren van 't pastoors-huis,

als de pater maar even zijn koord zwaaide of zijn pij schudde. De

burgemeester zou u morgen onder 't een of ander voorwendsel weigeren

wat hij u vandaag heeft toegestaan. Geen enkele moeder zou haar

kind naar de school laten gaan, en dan zou uw moeite en sloven een

negatieve uitwerking hebben: 't zou iedereen die later iets moois

wou ondernemen den moed benemen."

"En toch," hervatte de jonge man, "kan ik niet gelooven aan die

macht waar u van spreekt. En zelfs een oogenblik aannemende dat die

bestond, zou ik immers de verstandige menschen aan mijn zij hebben. En

't bestuur: dat is immers bezield met uitstekende bedoelingen, dat

heeft een ruime blik en beoogt 't oprechte welzijn van de Filippijnen."

"'t Bestuur! 't Bestuur!" mompelde de filosoof, terwijl hij de oogen

opsloeg naar de zoldering. "Al is 't ook nóg zoo bezield met den

wensch om 't land groot te maken, voor 't land zelf en voor Spanje,

al is 't ook dat deze of gene hooge ambtenaar zich nog den edelen zin

van de Katholieke Koningen herinnert, en op zijn eentje eraan denkt,

't bestuur ziet niet, hoort niet, oordeelt niet dan wat de pastoor of

de provinciaal wil hebben dat hij ziet, hoort of oordeelt. 't Is immers

overtuigd dat het alleen op hen rust, dat als het zich staande houdt,

dat alleen is omdat zij 't steunen, dat, als 't leeft, dat is omdat

zij 't goedvinden dat het leeft, en dat zoodra die steun ontbreekt,

het in elkaar zal zakken als een ledepop, die niet meer opgehouden

wordt. Het bestuur maken ze bang door het volk op te zetten, en

't volk door te dreigen met de bestuurs-macht. Zoo wordt het een

eenvoudig spelletje, dat lijkt op wat er gebeurt met vreesachtige

menschen, wanneer ze op akelige plaatsen komen. Ze zien dan hun eigen

schaduwen voor spoken aan en houden de echo van hun eigen stemmen voor

geestesstemmen. Zoolang het gouvernement zich niet in onmiddellijke

aanraking met het land stelt, ontgaat het die voogdij niet. 't Zal

blijven voortbestaan zooals een half-onnoozele jongen die siddert op

de stem van zijn oppasser en die bedelt om zijn gunst. Het bestuur

denkt in de verste verte niet aan een toekomst van kracht. 't Is een

arm. Het hoofd dat is de pastorie, het 'klooster'. En door de laksheid

waarmee 't zich van de eene ellende in de andere laat slepen, wordt

het een schijnmacht. En zoo laat het in zijn nulliteit en zwakte maar

alles aan huurlingen over. Maak maar eens een vergelijking tusschen

ons bestuursstelsel en dat van de andere landen waar u vertoefde."

"O!" viel Ibarra in, "we moeten niet te veeleischend zijn: laten we

tevreden zijn nu we zien dat ons volk niet klaagt, dat het niet lijdt,

zooals het volk in andere landen. En dat dankt het aan den godsdienst

en aan de goedgezindheid van zijn bestuurders."

"Het volk klaagt niet, omdat het geen stem heeft. 't Komt niet in

beroering, omdat het versuft is, en u zegt dat het niet lijdt, omdat

u niet gezien heeft, hoe zijn hart bloedt. Maar eenmaal zullen u de

oogen opengaan, dan zult u 't zien en hooren. En dan, wee degenen

die nu genieten van 't bedrog, die in 't donker werken en wanen

dat iedereen slaapt. Wanneer het daglicht de misgeboorte van den

nacht zal beschijnen, dan komt de verschrikkelijke reactie. Zooveel

kracht, in zooveel eeuwen neergedrukt, zooveel vergif, drup voor drup

uitgeperst, zooveel versmoorde zuchten, dat alles zal dan uitbreken

en uitbarsten... Wie zal er dan de rekening vereffenen, een rekening

zooals de volken die van tijd tot tijd ter vereffening aanbieden? De

Geschiedenis spreekt ervan op zijn bloedigste bladzijden!"

"God zal niet toelaten dat die dag ooit komt. Het bestuur en de

godsdienst evenmin!" antwoordde Crisóstomo, die ondanks zichzelve

onder den indruk kwam. "De Filippijnen zijn godsdienstig en hebben

Spanje lief. De Filippijnen zullen weten wat het moederland voor

ze doet. Er zijn misbruiken, dat is zoo, er zijn gebreken, dat zal

ik niet ontkennen, maar Spanje maakt werk van hervormingen, die ze

zullen verbeteren. 't Bereidt ze voor. 't Is niet zelfzuchtig."

"Dat weet ik, en dat is juist zoo droevig. De hervormingen die

van bovenaf komen, loopen op niets uit in de lagere sfeeren, dank

zij de ondeugden van iedereen. Bijvoorbeeld de felle begeerte om in

korten tijd rijk te worden en de domheid van 't volk, dat maar alles

goedvindt. Misbruiken worden niet weggemaakt door een koninklijk

besluit, zoolang niet een volijverig gezag voor de uitvoering

waakt, zoolang men geen vrijheid van 't woord geeft tegen de

buitensporigheden van kleine tirannen: de plannen blijven plannen,

de misbruiken misbruiken, en de minister zal, voldaan over zijn

werk, toch rustiger slapen. Wat meer is, als er eens bijgeval een

hoog personage komt, met groote en edelmoedige denkbeelden dan hoort

die al gauw zeggen--terwijl ze hem achter zijn rug voor gek houden,

'Uwe Excellentie kent het land niet, Uwe Excellentie kent den aard van

den inlander niet, Uwe Excellentie richt ze te gronde op die manier,

Uwe Excellentie zou goed doen met te vertrouwen op meneer Zus of

meneer Zoo en meer zoo.' En als men nu nagaat dat Zijne Excellentie

het land werkelijk niet kende--hij had het immers ergens in Amerika

gezocht--en dat hij bovendien zwakheden en gebreken heeft als ieder

ander mensch, dan is 't duidelijk dat hij zich laat bepraten. Zijne

Excellentie herinnert zich ook dat hij om zijn hooge post te krijgen

heel wat heeft moeten zweten en nog meer heeft moeten lijden. Dat hij

die post maar voor drie jaar heeft. Dat hij zoetjes aan oud wordt,

en 't geen tijd meer voor hem is, om aan don-quichotterieën te doen;

dat hij nu maar alleen aan zijn toekomst moet denken: een mooi huisje

in Madrid, een buitentje, een aardig inkomen om weelderig te leven

op de hoofdplaats: dat moest hij immers op de Filippijnen zien te

winnen. Laten we geen wonderen verwachten. We kunnen moeilijk vragen

dat iemand die als vreemdeling in 't land komt, om zijn fortuin te

maken en daarna weer heen te gaan, belang zal stellen in 't welzijn van

't land. Wat kan hem de dankbaarheid of de vloek van een volk schelen

dat hij niet kent, waar niets hem lief is? Wil roem ons aanlokken,

dan moet hij klinken in de ooren van de menschen die we liefhebben,

in de atmosfeer van onze woonplaats, van ons eigen land. 't Land

waar onze asch moet rusten. We willen dat onze roem op ons graf zal

wijlen, om met zijn stralen de doodskoû te verdrijven, om te maken

dat we niet heelemaal in 't niet opgaan, dat er iets van ons wezen

overblijft. Niets van dat alles kunnen we beloven aan den man die

over ons wel en wee komt beschikken. En 't ergste is dat zoo'n man

weer heengaat, wanneer hij net begint op de hoogte te komen van zijn

plicht. Maar we dwalen af van ons onderwerp."

"O nee, ik moet nog eerst een paar dingen met u in 't reine brengen

voordat ik daarop terugkom," viel de jongeman levendig in. "Ik wil

toegeven dat het bestuur het volk niet kent, maar ik geloof dat het

volk 't bestuur nog minder kent. Er zijn onnutte slechte ambtenaren,

als u wilt, maar er zijn ook goede en als dezen niets kunnen gedaan

krijgen dan is 't omdat ze optornen tegen een logge massa: 't volk. Dat

neemt heel weinig notitie van de dingen die het aangaan. Maar ik ben

niet bij u gekomen om hier over veel uit te weiden: ik ben gekomen

om u raad te vragen...

"En u zegt me dat ik mijn hoofd moet buigen voor zotte afgoden..."

"Ja, en ik zeg 't nog eens, want hier moet je je hoofd buigen, of

't geheel laten zakken."

"'t Hoofd buigen of het geheel laten zakken?" herhaalde Ibarra in

gedachten.

"Dat is een hard dilemma! Maar waarom? Is de liefde voor mijn land

dan niet overeen te brengen met mijn liefde voor Spanje? Is 't dan

bepaald noodzakelijk, zich te verlagen; om een goed christen te wezen

moet men dan zijn eigen geweten veil hebben, om een goed doel te

kunnen bereiken? Ik heb mijn vaderland, de Filippijnen, lief, omdat

ik er mijn leven en mijn geluk aan dank, en omdat ieder mensch zijn

vaderland lief moet hebben. Ik hoû van Spanje, het vaderland van mijn

voorouders, omdat, hoe dan ook, de Filippijnen aan Spanje hun geluk

en hun toekomst danken. Ik ben katholiek, ik bewaar zuiver 't geloof

van mijn vaderen, ik zie niet in, waarom of ik het hoofd zou buigen,

wanneer ik 't op kan heffen of 't aan mijn vijanden zou overgeven,

wanneer ik die vijanden zou kunnen vertrappen!"

"Omdat het veld waar u wilt gaan zaaien in de handen van uw vijanden

is," zeide de filosoof. "En daartegen is u niet opgewassen... u moet

eerst de hand kussen die..."

Doch de jongeman liet hem niet uitspreken, en riep opgewonden uit:

"Kussen! Maar u vergeet dat die lui mijn vader hebben afgemaakt;

dat ze hem uit zijn graf hebben gehaald... maar ik, die de zoon ben,

vergeet het niet, en dat ik er geen wraak over neem, is omdat ik den

godsdienst ontzien wil."

De oude filosoof boog het hoofd.

"Meneer Ibarra," antwoordde hij langzaam, "als u die herinneringen

bij u omdraagt--en ik mag u niet raden in dezen naar vergetelheid te

streven--dan moet u de plannen die u voorheeft opgeven, en 't welzijn

van uw landgenoten in iets anders trachten te bevorderen. Zoo'n

onderneming als de uwe vraagt een ander man, want om zoo iets tot

stand te brengen, heeft men niet alleen geld en goeden wil noodig. In

ons land wordt daar voor bovendien vereischt zelfverloochening,

hardnekkigheid en geloof: de grond is er niet voor bereid, maar staat

alleen vol onkruid."

Ibarra begreep de waarde dier woorden, doch hij meende zich niet te

mogen laten ontmoedigen: de gedachte aan Maria Clara was hem te sterk,

hij moest wat hij haar geboden had verwezenlijken.

"Geeft uw ervaring u geen ander middel aan de hand dan dat eene

harde?" vroeg hij zacht.

De oude greep hem bij den arm en leidde hem naar het venster. Er woei

een frissche wind, voorbode van de "norte," voor zijn oogen strekte

zich de tuin uit, begrensd door het uitgestrekte bosch, dat als park

dienst deed.

"Waarom zouden wij niet doen evenals die zwakke stengel daar, met

al die rozen en knoppen?" zeide de filosoof, terwijl hij naar een

schoonen rozenstruik wees. "De wind waait en grijpt hem aan: hij

buigt, alsof hij zijn kostbare vracht wil verbergen. Als de stengel

rechtop bleef, zou hij afbreken, de wind zou de bloemen verwaaien,

en van de knopjes zou niets terechtkomen. De wind gaat liggen en de

stengel richt zich weer op, trotsch op zijn schat: wie zal 't hem

kwalijk nemen dat hij voor nooddwang 't hoofd gebogen heeft? Kijkt

u daar verderop eens naar dien reusachtige _koepang_, die daar zoo

statig zijn hoog lover tegen den hemel beweegt. Daar nestelen welig

arenden in zoo'n boom. Ik heb hem indertijd als een teer plantje

uit het bosch gehaald en ik heb zijn stammetje maanden achtereen met

bamboe-stokjes moeten stutten. Als ik hem groot en vol levenskracht

overgebracht had, dan zou hij stellig en zeker hier niet zijn blijven

leven: de wind zou hem neergesmeten hebben, voordat zijn wortels zich

in de aarde hadden kunnen vastwerken, voordat de aarde zelf ook om

hem heen voldoende stevig had kunnen worden om hem de noodige steun

te geven voor zijn omvang en hoogte. Zoo zal 't ook met u afloopen,

u een plant uit Europa overgebracht naar dit steenachtig terrein,

als u geen steun zoekt en u klein weet te maken. U bevindt zich in

een ongunstigen toestand, alleen en hoogstaand: de grond onder u bent

onvast, de hemel spelt onweer, en 't is al gebleken dat de kruin

van de boomen van uw familie de bliksem aantrekt. 't Is geen moed

meer, maar waaghalzerij alleen te willen vechten tegen zijn heele

omgeving. Niemand zal 't een loods verwijten, wanneer hij schuilt in

een haven bij den eersten windstoot van een storm. Bukken als er een

kogel komt aansnorren, is geen lafheid; wel is 't verkeerd dien te

trotseeren, om te vallen en niet weer op te staan."

"En zou dit offer de vruchten leveren, die ik ervan hoop te

krijgen? Zou de geestelijke in me gelooven en de beleediging, die

ik hem aangedaan heb vergeten? Zouden ze me vrijmoedig helpen, om

't onderwijs te bevorderen, terwijl dit juist de rijkdommen van 't

land aan de geestelijkheid betwist? Zou 't niet mogelijk wezen dat ze

vriendschap huichelden, dat ze deden alsof ze me beschermen wilden,

en dat ze me achter den rug, in 't donker, bestreden en ondermijnden,

dat ze me om zoo te zeggen in mijn hiel verwondden, om me eerder de

doen wankelen dan wanneer ze me van voren te lijf gingen? Gegeven de

antecedenten die u veronderstelt, kan men alles verwachten."

De oude man zweeg een wijle, zonder te kunnen antwoorden. Hij dacht

eenige oogenblikken na en hervatte:

"Als dat gebeurde, als de zaak faliekant uitging, zou u troost

vinden bij de gedachte dat u alles gedaan had wat van uzelf afhing,

en zelfs dan zou u iets gewonnen hebben, u zou 't eerste zaad er

gezaaid hebben. Na 't bedaren van den storm zou er wellicht een zaadje

ontkiemen, 't zou de ramp overleven, 't soort redden van algeheelen

ondergang en later als zaailing kunnen dienstdoen voor de kinderen

van den gestorven zaaier. Het voorbeeld kan anderen lokken die nu

zich alleen door hun vrees laten weerhouden om een begin te maken."

Ibarra overwoog deze redeneering, zag zijn toestand in, en begreep

dat de oude heer met al zijn zwartziendheid groot gelijk had.

"Ik geloof u!" riep hij uit en drukte hem de hand. "Ik heb niet voor

niets op een goeden raad gehoopt. Vandaag nog ga ik ronduit de zaak

aan den pastoor blootleggen. Per slot van rekening heeft die me in

't geheel geen kwaad gedaan, en moet hij een goed man wezen. Ik moet

hem bovendien zijn belangstelling vragen voor die ongelukkige gekke

vrouw en haar kinderen: ik stel vertrouwen op God en de menschen."

Hij nam afscheid van den grijsaard, en te paard stijgende, vertrok hij.

"Opgepast!" mompelde de pessimistische wijsgeer, terwijl hij hem met

de oogen volgde: "we moeten 's nagaan, hoe 't lot verder de komedie

zal afspelen die op het kerkhof begonnen is."

Ditmaal vergiste bij zich werkelijk: de komedie was al veel eerder

begonnen.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 26 / 70 题