XX.

De vergadering van den gemeenteraad.

De zaal waarin deze gehouden werd, was twaalf tot vijftien meter lang

en acht tot tien breed. De muren witgekalkt, waren bedekt met meer of

minder leelijke houtskool-teekeningen, sommige zeer onfatsoenlijk,

met bijschriften die ze verduidelijkten. In een hoek, netjes tegen

den muur gezet, waren een tiental oude vuursteen-geweren zichtbaar

tusschen wat vervuilde en verroeste sabels, korte degens en kléwang's:

dat was de bewapening der burgerwacht, der z.g. _cuadrillero's_.

Aan het eene uiteinde van de zaal, dat versierd was met smerige roode

gordijnen, hing half verborgen aan den wand het portret van Zijne

Majesteit. Onder het portret, op een houten estrade, opende een

oude leuningstoel zijn verwoeste armen. Daarvoor stond een groote

houten tafel, vol inktvlekken, bekerfd en begroefd met inschriften

en monogrammen, zooals men die wel ziet op de tafels in Duitsche

herbergen die veel door studenten bezocht worden. Banken en kreupele

stoelen maakten de verdere meubileering uit.

Dit was de zittingszaal voor het gerechtshof, voor de martelingen

enz. Tegenwoordig beraadslagen hier de authoriteiten van het dorp en

van de wijken. De partij der ouden is streng gescheiden van die der

jongen. Ze kunnen elkaar niet uitstaan en vertegenwoordigen de partij

van 't behoud en die der vrijzinnigen. Alleen neemt hun strijd in

't dorp een feller karakter aan.

"Ik vind het gedrag van onzen burgervader verdacht, hoor!" zeide

Don Filipo de teniënte mayor of onder-burgemeester, het hoofd der

liberale partij tot zijn vrienden. "Hij moet bepaald een geheim

plannetje hebben, dat hij de discussie over de begrooting tot het

laatste nippertje uitstelt. Verbeeld je, we hebben daar nog maar elf

dagen voor."

"En hij is in 't klooster gebleven, om met den pastoor te konfereeren,

die ziek is!" merkte een der jongeren op.

"Dat doet er niet toe!" beweerde een ander. "We hebben alles al

klaar. Als nu maar 't voorstel van de ouden niet de meerderheid

krijgt...."

"Dat geloof ik niet!" zei Don Filipo. "Ik zal het voorstel van de

ouden indienen...."

"Hoe zoo? Wat zegt u?" vroegen de bijzittenden verbaasd.

"Ik zeg dat, als ik 't eerst spreek, ik het voorstel van onze vijanden

zal indienen."

"En het onze?"

"Daar moeten de heeren zich mee belasten," antwoordde de "teniënte"

lachend. En zich tot een jong buurthoofd wendend zeide hij: "De heeren

moeten eerst spreken, wanneer ik het afgelegd heb."

"We begrijpen u niet meneer!" zeiden de anderen en keken hem vol

bange twijfeling aan.

"Luistert," zeide Don Filipo zacht tot twee of drie die vlak bij hem

stonden. "Van ochtend heb ik den ouden Tasio ontmoet."

"En toen?"

"De oude man zeide me: 'Jullie vijanden haten meer jullie zelf dan

je ideeën. Willen jullie dat iets niet zal gedaan worden? Dan moeten

jullie dat voorstellen. Al was 't iets nuttigers dan de lucht, 't

wordt verworpen. Als ze je eenmaal geslagen hebben, maak dan dat de

minste van jullie voorstelt wat je nu eigenlijk wenscht. Dan zullen

je vijanden, om je te vernederen, dat aannemen.' Maar je moet het

geheim bewaren."

"Maar..."

"Daarom zal ik het voorstel van onze vijanden indienen en het tot in

't belachelijke overdrijven. Stil, daar heb je meneer Ibarra en den

schoolmeester!"

De twee jongelieden groetten links en rechts, zonder deel te nemen

aan het gesprek.

Eenige oogenblikken later trad de burgemeester--_gobernadorcillo_ of

"gouverneurtje" noemt men hem hier--met een gemelijk gelaat binnen. Het

was dezelfde die den vorigen dag een vrachtje kaarsen droeg, toen de

oude Tasio hem tegenkwam. Bij zijn verschijning hield het gemompel op,

iedereen ging zitten en allengs was het stil geworden.

De "Capitán"--zoo betitelt men den burgemeester--zette zich in den

leuningstoel onder het konterfeitsel van Zijne Majesteit, kuchte

vier of vijf maal, streek zich de beide handen over het hoofd en

het gelaat, zette zijn ellebogen op de tafel, trok ze er weer af,

hoestte nog eens en zoo vervolgens.

"Heeren!" begon hij eindelijk met kwijnende stem, "ik heb me verstout

u allen op te roepen voor deze vergadering... ehem! ehem! we moeten

het feest vieren van onzen beschermheilige San Diego (de Heilige

Jakob), den 12en van deze maand ... ehem! ehem! Vandaag hebben we de

tweede... ehem! ehem!"

Hier overviel hem een aanhoudende droge hoest, die hem verder het

zwijgen oplegde.

Toen verhief zich van de bank der ouden een man van circa veertig jaar,

van een zelfbewust uiterlijk. Het was de rijke "Capitán" Basilio,

tegenstander van wijlen Don Rafaël, een man die beweerde dat sinds

den dood van de heilige Tomas van Aquino de wereld geen stap vooruit

had gedaan, ja dat, sedert het oogenblik dat die St. Jan van Lateraan

verliet, de menschheid is begonnen achteruit te gaan.

"Veroorlooft mij, edelachtbare heeren, dat ik het woord neem in zulk

een belangwekkende aangelegenheid," zeide hij. "Ik spreek het eerst,

ofschoon anderen onder de hier aanwezigen er meer recht op hebben dan

ik, maar ik spreek het eerst, omdat het me voorkomt dat in zulke zaken

het eerst spreken niet beteekent dat men _de eerste is_, evenmin het

laatst te spreken beteekent dat men de laatste is. Bovendien zijn de

dingen die ik te zeggen heb, van zulk een belang dat ze niet mogen

veronachtzaamd, noch het laatst mogen gezegd worden. En daarom wil

ik 't eerst spreken, om er het noodige gewicht op te leggen. De

edelachtbare heeren zullen me derhalve wel veroorloven dat ik het

eerste spreek in deze vergadering, waar ik zeer allernotabelste

personen zie, zooals de tegenwoordige burgemeester; de ex burgemeester,

mijn hooggeachte vriend Don _Valentin_, dan de ex burgemeester, mijn

jeugd-vriend Don _Melchor_, en zooveel andere voornaamheden meer welke

ik, om kort te zijn, niet wil opsommen en die de edelachtbare heeren

hier aanwezig zien. Ik verzoek de edelachtbare heeren dat ze mij het

gebruik des woords veroorloven voordat iemand anders spreekt. Zal ik

het geluk genieten, dat de vergadering mijn bede verhoort?"

En de redenaar boog glimlachend en eerbiedig.

"Spreek maar: wij luisteren met verlangen naar wat u zeggen

zal!" zeiden de bedoelde vrienden en andere personen die hem voor

een groot redenaar hielden: de ouden kuchten met voldoening en wreven

zich in de handen.

"Capitán" Basilio veegde zich met een zijden zakdoek 't zweet van

't voorhoofd en ging voort:

"Nu de edelachtbare heeren zoo minzaam en tegemoetkomend zijn geweest

tegen mijn nederig persoontje door mij het gebruik des woords toe te

staan voor iemand anders, wie ook, van hen die hier aanwezig zijn,

zal ik gebruik maken van dit verlof, dat mij zoo edelmoediglijk is

geschonken, en ga ik spreken. Ik verbeeld me met mijn verbeelding

dat ik me bevind te midden van de allereerwaardigste senaat van Rome:

_Senatus populusque romanus_, zooals we in die gelukkige tijden zeiden,

welke helaas nimmermeer voor 't menschdom zullen terugkeeren. En ik

zal dan vragen aan de _patres conscripti_, zooals Cicero zou zeggen,

als hij hier op mijn plaats stond, dat--in deze belangrijke zaak met

het oog op den korten tijd--en tijd is goud, zooals Salomo zeide--ieder

van ons zijn gevoelen moet uitspreken: duidelijk, kort en eenvoudig. Ik

heb gezegd."

En voldaan over zichzelf en over de aandacht der toehoorders, ging de

redenaar zitten, niet zonder een blik van meerderheids-besef te werpen

naar Ibarra, die in een hoek zat, en nog een blik van veel beteekenis

tot de anderen, die zeggen wilde: "Nou, ik heb goed gesproken, hè?"

Zijn vrienden gaven antwoord op beide blikken en richtten zich daarbij

tot de jongeren, als om ze 't van nijd te doen besterven.

"Nu kan iederen die wil, spreken, ehem?" hervatte de

"gobernadorcillo." Hij kon niet verder gaan, want zijn hoesten

stoorde hem.

Te oordeelen naar de stilte, wilde niemand zich een der "patres

conscripti" laten noemen: niemand stond op. Toen maakte Don Filipo

gebruik van de gelegenheid en vroeg het woord.

De mannen van 't behoud knipten met de oogen en gaven elkaar

beteekenisvolle wenken.

"Mijne heeren, ik wensch mijn begrooting in te dienen voor de

feestelijkheden," zeide Don Filipo.

"We kunnen die niet aannemen!" antwoordde een teringachtig oudje,

onverzoenbaar konservatief.

"We moeten tegenstemmen!" zeiden de andere oppositie-mannen.

"Heeren!" zeide Don Filipo, een glimlach onderdrukkend, "ik heb het

voorstel nog niet ingediend en toegelicht, dat wij jongeren hier

ter tafel willen brengen. Dit groote voorstel, we zijn er zeker van

dat het door 'een ieder' zal verkozen worden boven dat hetwelk onze

tegenstanders kunnen uitdenken."

Deze aanmatigende opzet maakte de ergernis der behoudsmannen volkomen:

ze zwoeren "in corde" een geduchte oppositie tegen hem te voeren. Don

Filipo ging voort:

"We hebben een som van 3500 pesos bijeengebracht. Welnu, met deze som

kunnen we een feest vieren dat alle andere, hier te voren ooit gezien,

in de schaduw stelt, zoowel in onze provincie als in de naburige."

"Hm!" klonk het ongeloovig. "Het dorp A. had 5000, B. 4000

peso's. Hm! Nonsens!"

"Hoort mij aan, heeren, en ik zal u overtuigen!" ging Don Filipo

onverstoorbaar voort. "Ik stel voor een groot theater op te richten

midden op het plein, dat 150 peso's moet kosten!"

"Dat 's niet genoeg, we moeten er 160 voor uittrekken!" wierp een

hardnekkig behoudsman tegen.

"Neem daar nota van, meneer de sekretaris, 200 peso's, voor het

theater!" zeide Filipo. "Ik stel voor de komedie-troep van Fondo te

engageeren, om zeven avonden achtereen voorstelling te geven. Zeven

voorstellingen tegen 200 peso's per avond, dat maakt 1400 peso."

Ouden en jongen keken elkaar verbaasd aan: alleen zij die in 't geheim

waren, verroerden zich niet.

"Ik stel bovendien voor groot vuurwerk te geven. Geen bengaalsch

licht of zonnetjes: dat's goed voor kinderen en oude vrijsters. Niks

daarvan! wij moeten groote donderpotten en vuurpijlen hebben. Ik

stel dus voor: 200 groote donderpotten van 2 peso's 't stuk, en

200 vuurpijlen van denzelfden prijs. We zullen ze bestellen bij de

vuurwerkmakers van Malabón."

"Hm!" viel een der ouden in, "een donderpot van 2 peso's doet me niet

schrikken en maakt me niet doof. Ze moeten van 3 peso's zijn."

"In de notulen: 1000 peso's voor 200 donderpotten en 200 vuurpijlen!"

De konservatieven konden zich niet meer inhouden. Enkelen stonden op

en gingen overleggen.

"Bovendien, om onze buren te toonen dat we voorname menschen zijn en

overvloed van geld hebben," ging Don Filipo voort, terwijl hij zijn

stem verhief en de oudjes een snellen blik toewierp, "stel ik voor:

1e vier predikers voor de twee feestdagen, 2e dat er beide dagen 200

gebraden kippen, 100 vette kapoenen en 50 speenvarkentjes in het meer

zullen geworpen worden, zooals Sulla dat deed, de tijdgenoot van dien

Cicero, van wien Capitán Basilio zooeven gesproken heeft."

"Juist, zooals Sulla!" herhaalde Capitán Basilio gevleid.

De verbazing nam trapsgewijze toe.

"Daar er veel rijke menschen komen en ieder van hen duizenden en

nog eens duizenden peso's bij zich heeft, behalve hun beste hanen,

en het 'liampo' [16] en speelkaarten, stel ik voor 'veertien dagen

hanegevechten en opening van alle speelhuizen gedurende dien tijd...'"

Maar de "jongen" stonden op, zoodat hij even ophield. Ze dachten

dat de "teniënte mayor" gek geworden was. De "ouden" vormden een

warme diskussie.

"En ten slotte, om de geneugten der ziel niet te veronachtzamen..."

Het gemompel en de kreten die zich uit alle hoeken der zaal verhieven,

overstemden den spreker geheel-en-al. 't Was een geweldig rumoer

geworden.

"Nee!" kreet een onverzoenlijke behoudsman, "ik wil niet dat hij al

de eer krijgt van 't feest. Nee! laat mij, laat mij spreken!"

"Don Filipo heeft ons misleid!" zeiden de vrijzinnigen.

"Wij stemmen tegen! Hij is een overlooper naar de oude. Wij stemmen

tegen!"

De burgemeester, meer terneergeslagen dan ooit, deed niets om de orde

te herstellen: hij hoopte dat men het zelf zou doen.

De kapitein der "cuadrillero's" vroeg het woord. Hij kreeg 't, maar

deed geen mond open en ging beteuterd en verlegen weer zitten.

Gelukkig verrees Capitán Valentin, de gematigdste der behoudsmannen,

en sprak:

"We kunnen wat de 'teniënte mayor' heeft voorgesteld niet aannemen,

want 't komt ons overdreven voor. Zooveel donderpotten en zooveel

komedie-avonden kan alleen een jongmensch verlangen, zooals de

'teniënte mayor'; die kan veel nachten achtereen opblijven en veel

knallen aanhooren zonder doof te worden. Ik heb de meening ingewonnen

van de bezadigde mannen en allen keuren het voorstel van Don Filipo

eenstemmig af. Is 't niet zoo heeren?"

"Ja, ja!" riepen jongen en ouden tegelijk. De eersten waren verrukt

een "oude" zoo te hooren spreken.

"Wat moeten we beginnen met vier predikers?" ging de oude man

voort. "Wat beteekenen die kippen, kapoenen en speenvarkentjes die in

't meer moeten gegooid worden? Onzin! zouden onze buren zeggen, en

dan zouden wij een half jaar lang moeten vasten. Wat hebben wij te

maken met Sulla of de Romeinen? Hebben die ons soms op hun feesten

genoodigd? Ik tenminste heb nog geen enkele invitatie-kaart van hen

ontvangen. En ik ben al oud, asjeblieft!"

"De Romeinen wonen in Rome, waar de Paus is!" mompelde Capitán Basilio.

"Nu begrijp ik het!" riep de oude zonder van streek te raken. "Ze

vieren zeker hun feesten in de vasten-dagen en dan zal de Paus wel het

eten in de zee laten smijten, om geen zonde te begaan. Maar, in allen

gevalle, uw voorstel voor 't feest is onaannemelijk, onmogelijk. 't

Is een dwaasheid, een dolheid!"

Don Filipo, zoo hevig bestookt, moest zijn voorstel wel intrekken.

De onverdraagzaamste konservatieven, voldaan over de nederlaag van hun

ergsten vijand, zagen zonder ongerustheid een jong wijkhoofd opstaan,

die het woord vroeg.

"Ik verzoek de heeren mij te vergeven dat ik hoewel nog zoo jong,

het woord durf te nemen tegenover zooveel zeer achtenswaardige

mannen, achtenswaardig zoowel om hun leeftijd als om het beleid

en de bezadigdheid waarmee ze in alle aangelegenheden hun oordeel

vellen. Maar aangezien de welsprekende redenaar Capitán Basilio hier

allen heeft uitgenoodigd om hun meening bloot te leggen, moge zijn

gezagvol woord als verontschuldiging dienen voor de nietigheid van

mijn persoontje."

De behoudsmannen bewogen voldaan het hoofd.

"Dat jongmensch spreekt goed!--Hij is bescheiden!--Hij redeneert

bewonderenswaardig!" zeiden ze onder elkaar.

"'t Is jammer dat hij niet goed kan gestikuleeren!" merkte Capitán

Basilio op. "Maar, nou ja, hij heeft Cicero ook niet bestudeerd,

en hij is nog zoo jong."

"Zoo ik u een programma voorstel, heeren," ging de jonge man voort,

"doe ik dat niet met de gedachte dat u het volmaakt zult vinden of

zult aannemen. Ik wil tegelijkertijd dat ik me nogmaals onderwerp aan

den wil van allen, aan de ouden bewijzen dat wij altijd eenstemmig

met hen denken, aangezien wij al de denkbeelden welke Capitán Basilio

zoo sierlijk heeft uitgedrukt geheel tot de onze maken."

"Goed gezegd, goed gezegd!" zeiden de gevleide behoudsmannen. Capitán

Basilio gaf wenken aan den jongen man om hem te kennen te geven,

hoe hij zijn arm moest bewegen en zijn voet neerzetten. De eenige

die onverstoorbaar bleef, was de "gobernadorcillo"--deze burgervader

scheen afgetrokken en bezorgd tegelijk. De jonge man ging voort:

"Mijn voorstel, mijne heeren, komt op het volgende neer: nieuwe

schouwspelen uit te denken, die niet zoo gewoon zijn zooals we ze alle

dagen zien, en te trachten ervoor te zorgen dat het bijeengebrachte

geld niet het dorp uitgaat, en dat het ook niet op ijdele wijze

verkwist wordt aan kruid, maar besteed worde aan iets nuttigs voor

iedereen."

"Juist! juist!" stemden de jongeren in, "dat moeten we hebben."

"Heel goed!" voegden de ouden eraan toe.

"Wat voor nut halen we uit een week komedie-spel, zooals de 'teniënte

mayor' die vraagt? Wat leeren we nu van die koningen van Boheme en

Granada, die hun dochters het hoofd laten afhakken, of ze op een kanon

laden, dat dan verandert in een troon? Wij zijn geen koningen, noch

barbaren, wij hebben ook geen kanonnen, en als wij hen navolgden,

zou men ons ophangen in Bagumbayan. Wat zijn dat voor prinsessen,

die zich in 't krijgsgewoel mengen, hakken en houwen uitdeelen,

met prinsen vechten en die alleen rondwaren over bergen en dalen,

alsof ze door de _tikbalang_ waren verleid? In onze zeden stellen we

de zachtheid en teederheid der vrouw op prijs en zouden we vreezen

de hand van een jongmeisje te drukken, als die bezoedeld was met

bloed, al was dit dan ook mooren- of reuzenbloed. Onder ons voelen we

diepe minachting voor een man die zijn hand opheft tegen een vrouw,

zij hij vorst, alférez of eenvoudig landman. Zou 't niet duizendmaal

beter zijn een schildering van onze eigen zeden en gewoonten op het

tooneel te brengen, teneinde onze ondeugden en gebreken te verbeteren,

en onze goede eigenschappen op den voorgrond te stellen?"

"Juist! Juist!" herhaalden zijn aanhangers.

"Hij heeft gelijk!" mompelden eenige oudjes peinzend.

"Daar had ik nooit aan gedacht!" merkte Capitán Basilio op.

"Maar hoe wilt u dat dan doen?" opperde de onverzettelijke

konservatief.

"O, heel gemakkelijk!" antwoordde de jonge man. "Ik heb hier twee

komedie-stukjes, die de achtenswaardige grijsaards hier vergaderd,

met hun goede smaak en welbekende scherpzinnigheid, stellig zeer

aannemelijk en zelfs vermakelijk zullen vinden. Het eene heet 'De

verkiezing van den Burgemeester.' 't Is een blijspel in proza, in

vijf bedrijven, geschreven door een der hier aanwezigen. Het andere,

in negen bedrijven, voor twee avonden, is een fantastisch drama, van

een satirisch karakter, en is geschreven door een van de beste dichters

onzer provincie. Het heet 'Maria van de Makilingberg.' Toen we zagen

dat de bespreking van de toebereidselen voor het feest wat laat werd,

waren we bang dat we tijd te kort zouden komen: daarom hebben we in

stilte onze tooneelspelers gezocht en hun de rollen laten leeren. We

hopen dat, als ze nog een week repeteeren, ze ruimschoots in staat

zullen wezen met eere voor den dag te komen. Dit, mijne heeren, is

behalve nieuw, nuttig en redelijk, per slot van rekening nog goedkoop

ook: kostuums hebben we niet noodig, onze gewone van 't dagelijksche

leven kunnen dienen."

"Ik kom voor de kosten van 't theater op!" riep Capitán Basilio

geestdriftig uit.

"Als er soldaten moeten opkomen, leen ik de mijne!" zeide de kapitein

der "cuadrillero's".

"En ik... en ik... als er soms een grijsaard noodig is..." stamelde

een ander, en richtte zich met majesteit op.

"Aangenomen! Aangenomen!" klonk het van verscheidene kanten.

De "teniënte mayor" was bleek van ontroering; zijn oogen vulden zich

met tranen.

"Hij huilt van spijtigheid!" dacht de onwrikbare behoudsman, en

hij schreeuwde:

"Aangenomen, aangenomen zonder diskussie!"

En, voldaan over zijn wraak en de volledige nederlaag van zijn

tegenstander, begon de man het voorstel van het jongemensch op te

hemelen. Doch de spreker ging voort:

"Een vijfde van het bijeengebrachte geld kan gebruikt worden om

eenige prijzen uit te deelen, bijvoorbeeld aan den besten leerling

van de school, aan den bekwaamsten herder, landbouwer, visscher als

anderszins. We kunnen roei-wedstrijden op de rivier en op 't meer en

ook wedrennen houden, we kunnen kokanje-masten oprichten en andere

volks-spelen instellen, waaraan onze landlieden kunnen deelnemen. Ik

ben er niet tegen dat er, met het oog op het aloud gebruik, ook

vuurwerk gegeven wordt: zonnetjes en bengaalsch licht zijn heel

mooi en aardig, maar ik geloof niet dat we de donderpotten noodig

hebben, die de 'teniënte mayor' heeft voorgesteld. Om het feest op te

vroolijken zijn twee muziek-korpsen voldoende; zoo vermijden we die

ruzies en oneenigheden, die van de arme muzikanten, hier gekomen om

met hun arbeid onze feesten op te vroolijken, ware vechthanen maken,

die na afloop slecht betaald, slecht gevoed, met bulten en schrammen

en soms gewond naar huis gaan. Met het geld dat er stellig over is,

kan men beginnen met den bouw van een lokaaltje dat als school kan

dienen, want we moeten niet wachten totdat God zelf neerdaalt en er

ons een bouwt. 't Is wel droevig dat, waar we een eerste kwaliteit

hane-vechtplaats hebben, onze kinderen vrijwel in den stal van den

pastoor moeten leeren: Dit is mijn voorstel zoo ruw-weg: aan u allen,

om het verder te volmaken."

Een vergenoegd gemompel verhief zich in de zaal: schier allen stemden

in met hetgeen het jongmensch gezegd had. Slechts een enkele bromde:

"Nieuwigheden, allemaal nieuwigheden! In onze jonge jaren..."

"Laten we 't voorloopig aannemen," zeiden de anderen. "Laten we dien

daar 's vernederen."

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 21 / 70 题