Toen de orde weer hersteld was, was iedereen 't reeds eens. Alleen
ontbrak nog de beslissing van 't "gouverneurtje".
Deze zweette, bewoog zich onrustig op zijn stoel, bracht zijn eene hand
langs het voorhoofd, en kon tenslotte met neergeslagen oogen stamelen:
"Ik stem er ook mee in... maar ehem!"
De vergaderden luisterden zwijgend.
"Maar?" vroeg tenslotte Capitán Basilio.
"Volkomen...stem volkomen in!" herhaalde de burgervader!
"Dat wil zeggen...ik stem er niet mee in...jawel, maar..."
En hij wreef met den achterkant van zijn hand over de oogen.
"Maar de pastoor," ging de ongelukkige voort, "meneer de pastoor wil
wat anders."
"Betaalt de pastoor het feest of doen wij 't? Heeft hij een enkele
'cuarto' bijgedragen!" riep een heldere stem.
Allen keken naar de plaats waar deze vragen vandaan klonken: daar
stond de "wijsgeer" Tasio.
De "teniënte mayor" zat roerloos met strakke oogen naar den
burgemeester te staren.
"En wat wil de pastoor?" vroeg Capitán Basilio.
"Och... de pater wil... zes processies, drie preeken, drie
hoogmissen...en als er geld over is, de komedie van Tondo met zang
tusschen de bedrijven."
"Nu, dat willen wij niet!" zeiden de jongen en enkele ouden.
"De 'padre cura' wenscht het!" herhaalde de burgemeester.
"Ik heb den pastoor beloofd dat zijn wil zou gevolgd worden."
"En waarom heeft u ons dan bijeengeroepen?"
"Juist...om 't u te zeggen."
"En waarom heeft u dat niet dadelijk gezegd?"
"Ik woû 't zeggen, heeren, maar Capitán Basilio sprak toen, en ik...heb
geen tijd gehad ... We moeten den pastoor gehoorzamen!"
"We moeten hem gehoorzamen!" herhaalden eenige oudjes.
"We moeten hem gehoorzamen, anders sluit de Alcalde ons allemaal op,"
voegden andere oude heeren er droevig aan toe.
"Nu, gehoorzaamt dan en houden jullie feest!" riepen de jongen en
stonden op. "Wij nemen onze bijdragen terug."
"Alles is al binnen!" zeide de "gobernadorcillo".
Don Filipo trad op hem toe en zeide bitter:
"Ik heb mijn eigenliefde opgeofferd om der wille van een goede zaak;
u offert uw waardigheid als man op om der wille van een kwade en
stuurt alles in de war."
Ibarra zeide tot den schoolmeester:
"Wenscht u iets op de provincie-hoofdplaats? Ik vertrek er onmiddellijk
heen."
"Heeft u er een zaak af te doen?"
"We hebben een zaak!" antwoordde Ibarra geheimzinnig.
Onderweg naar huis zeide de filosoof tot Don Filipo, die zijn gesternte
vermaledijde:
"'t Is onze schuld! Jullie hebben niet geprotesteerd toen ze je een
slaaf tot hoofd gaven. En ik, dwaas die ik ben, was 't vergeten!"