XIX.

Avonturen van een schoolmeester.

Het meer, omringd door zijn bergen, sluimert rustig met die huichelarij

der elementen, welke heden niet doet vermoeden dat het den vorigen

nacht meegeloeid heeft met den storm. Bij 't eerste glimpje van den

dageraad, dat op de wateren de lichtgeesten wakker roept, teekenen

zich in de verte, bijna aan de kim, grauwe silhouetten af: het zijn

de bootjes der visschers, die hun net ophalen; kleine vaartuigen,

die hun zeilen spannen.

Twee mannen, in diepen rouw gekleed, slaan van een hoogte zwijgend

het water gade: een van hen is Ibarra en de ander is een jongmensch

met een nederig voorkomen en weemoedige trekken.

"Hier is 't!" zeide de laatste. "Hier werd het lijk van uw vader in

't water gesmeten. Hier bracht de doodgraver luitenant Guevara en mij!"

Ibarra drukte hartelijk de hand van 't jongmensch.

"U hoeft er mij niet dankbaar voor te wezen!" hervatte deze. "Ik was

uw vader veel verschuldigd en de eenige dienst dien ik hem bewees,

was hem naar zijn graf te vergezellen. Ik was gekomen zonder iemand

te kennen, zonder aanbevelingen, zonder naam, zonder fortuin, net als

nu. Mijn voorganger had de school opgegeven om een tabakshandel te

beginnen. Uw vader beschermde mij, verschafte me een huis en deed

me alles aan de hand wat ik noodig kon hebben om mijn onderwijs

te bevorderen. Hij kwam naar school en deelde eenig klein geld uit

onder de arme jongens die goed leerden; hij voorzag ze van boeken en

schrijfbehoeften. Och, maar dat duurde kort, zooals alle goede dingen!"

Ibarra ontblootte het hoofd en scheen een heele poos in gebed

verzonken. Dan wendde hij zich tot zijn metgezel en zeide:

"U zeide dat mijn vader de arme kinderen hielp."

"En nu?"

"Nu doen ze wat ze kunnen, en schrijven wanneer het hun mogelijk is."

"Hoe zoo?"

"Om hun gescheurde hemden en hun beschaamde gezichten."

Ibarra zweeg even.

"Hoeveel leerlingen heeft u nu?" vroeg hij ten slotte met een zekere

belangstelling.

"Meer dan twee honderd op de lijst, en vijf-en-twintig in de klas."

"Hoe komt dat zoo?"

De schoolmeester lachte weemoedig en riep:

"Als ik u de oorzaken daarvan woû zeggen, zou ik u een lange,

vervelende geschiedenis moeten vertellen."

"U moet mijn vraag niet aan ijdele nieuwsgierigheid toeschrijven,"

ging Ibarra voort, en keek ernstig naar den verren horizont. "Ik heb

er verder over nagedacht en ik geloof dat het beter is de denkbeelden

van mijn vader te verwezenlijken dan om hem te treuren, en veel beter

dan hem te wreken. Zijn graf is de heilige natuur, en zijn vijanden

waren dorpsmenschen en een priester: ik vergeef de eersten om hun

domheid, en ik eerbiedig den ander om zijn ambt, en omdat ik wil dat de

godsdienst geëerbiedigd wordt, die de maatschappij heeft opgevoed. Ik

wil me bezielen met den geest van den man, die mij 't leven gaf, en

daarom zou ik hinderpalen willen kennen die het onderwijs hier vindt."

"Het land" zeide de onderwijzer, "zal uw vaders nagedachtenis zegenen,

als u zijn mooie bedoelingen verwezenlijkt. Wilt u weten wat hier

het onderwijs in den weg staat? Welnu, in de omstandigheden waarin

we leven, zal van het onderwijs zonder een machtige hulp nooit iets

terechtkomen. Ten eerste omdat er bij de kinderen geen lokmiddel,

geen prikkel is, ten tweede omdat zelfs al waren ze er wel, het gebrek

aan middelen en allerlei vooroordeelen ze dooden. Men zegt dat in

Duitschland de zoon van een landbouwer acht jaar op de dorpsschool

leert. Wie zou hier de helft van dien tijd willen besteden, wanneer

men er zulke schamele vruchten van plukt? Ze lezen, schrijven en

leeren stukken van buiten in 't Spaansch en soms heele boeken, zonder

er een woord van te begrijpen. Wat voor nut trekt de zoon van onze

dorpelingen van de school?"

"En u die weet waar 't kwaad schuilt, heeft u dan er aan gedacht het

te verhelpen?"

"Och!" antwoordde de ander droevig het hoofd schuddend, "een arme

schoolmeester kan alleen niet vechten tegen de vooroordeelen, tegen

zekere invloeden. In de allereerste plaats zou ik een school moeten

hebben, een lokaal, en niet zooals 't nu is een ruimte naast het

rijtuig van den pastoor, onder 't klooster, waar ik onderwijs mag

geven. Daar hinderen de kinderen, die ervan houden hardop te lezen,

natuurlijk den 'padre'; die komt dan soms zenuwachtig beneden,

vooral wanneer hij zijn buien heeft; dan beknort hij ze en scheldt

mij soms uit. U begrijpt licht, dat men zoo niet kan onderwijzen of

leeren. Een kind eerbiedigt zijn leermeester niet meer, zoodra het

ziet dat hij beleedigd wordt, zonder dat hij zijn rechten kan doen

gelden. Een onderwijzer moet, om aangehoord te worden, om te maken dat

men zijn gezag niet in twijfel trekt, prestige hebben, een goeden naam,

zedelijke kracht, een zekere vrijheid. En sta u me toe dat ik u over

droevige bizonderheden spreek. Ik heb hervormingen willen invoeren

en ze hebben me uitgelachen. Om het kwaad te verhelpen waarover ik

ze sprak, trachtte ik het Spaansch op mijn school te onderwijzen,

want, behalve dat het gouvernement het voorschreef, oordeelde ik

ook dat het een voordeel voor alle leerlingen zou wezen. Ik paste de

eenvoudigste methode toe--zinnetjes en naamwoorden--zonder veel aan

groote regels te doen, hopende hun later de spraakkunst te leeren,

wanneer ze al op de hoogte van de taal waren.

"Na verloop van eenige weken verstonden de vlugsten me bijna, en

maakten die al eenige zinnetjes."

De schoolmeester zweeg even en scheen te aarzelen. Dan, alsof hij

zich daar overheen zette, ging hij voort:

"Ik hoef me niet te schamen voor 't verhaal van mijn grieven: iedereen

zou in mijn geval net-zoo gehandeld hebben. Zooals ik dan zei, begon

het goed. Maar, eenige dagen later liet Pater Dámaso, die toen onze

pastoor was, mij door den hoofd-koster bij zich roepen. Omdat ik zijn

karakter kende en bang was hem te laten wachten, ging ik dadelijk naar

boven, kwam binnen en zeî hem goeden dag in 't Spaansch. Hij stak

me als eenige wedergroet zijn hand toe, om die te kussen, trok die

daarna terug, en zonder een woord te zeggen, begon hij luidkeels en

spottend te lachen. Ik stond beteuterd. De hoofd-koster was erbij. In

't eerst wist ik niet wat ik zeggen zou. Ik bleef hem aankijken. Maar

hij ging door met lachen. Ik werd al ongeduldig, en zag in dat ik een

onvoorzichtigheid zou begaan, want een goed christen zijn en waardig

daarbij te wezen, vind ik niet onvereenigbaar. Ik wou hem juist

vragen waarom hij zoo deed, toen hij opeens van lachen in beleedigen

oversloeg, en sarkastisch zeî: 'Zoo, zoo "_buenos dias_"! [15]

_Buenos dias_! Wel dat 's leuk! Je kent dus al Spaansch?!' En toen

lachte hij weer."

Ibarra kon niet nalaten even te glimlachen.

"U lacht erom," hervatte de onderwijzer, zelf ook lachende. "Ik

verzeker u dat ik toen heelemaal geen lust in lachen had. Ik stond

daar en ik voelde dat het bloed me naar 't hoofd steeg, en een onweer

mijn hersens benevelde. Ik zag den pastoor ver, ver weg. Ik stapte op

hem toe, om hem te antwoorden, zonder te weten wat ik eigenlijk wou

zeggen. Maar de koster kwam tusschenbeide. Hij zelf stond op, en zei

me, dezen keer in ernst, in 't Tagaalsch: 'Pronk nu maar bij mij niet

met geleende veeren. Hoû je bij je moêrs-taal en bederf het Spaansch

niet, want dat is geen kost voor jullie.' Ken je meester Ciruela? Nu,

Ciruela en die was een schoolmeester die niet kon lezen, hield school.

"Ik wou hem aanhouden, maar hij ging zijn kamer in en sloot driftig

de deur. Wat moest ik doen, ik die nauwelijks te eten heb met mijn

traktement, die om 't te ontvangen telkens de schriftelijke goedkeuring

van den pastoor noodig heb en een reis naar de hoofdplaats van de

provincie moet maken. Wat kon ik doen tegen hem, de eerste zedelijke,

politieke en burgerlijke autoriteit in een dorp, die gesteund wordt

door zijn corporatie, gevreesd door 't gouvernement, rijk, machtig,

die altijd en door iedereen wordt geraadpleegd, aangehoord, geloofd,

aan wien altijd iedereen zich stoort? Als die me beleedigt, moet

ik mijn mond houden. Als ik er iets tegen zeg, word ik uit mijn

baantje gezet en verlies ik voor goed mijn broodwinning. En 't

onderwijs zou daar nog niets door winnen: integendeel, iedereen zou

de partij van den pastoor opnemen, ze zouden me uitkrijten, me ijdel,

trots, verwaand, een slecht kristen, een onopgevoed mensch noemen,

of anders anti-Spaansch gezind en _filibustero_--opstandeling. Van een

schoolmeester verwacht men geen kennis en geen ijver; men eischt alleen

van hem berusting, nederigheid, ongevoeligheid. God moge me vergeven,

als ik mijn geweten en mijn verstand verloochend heb, maar ik ben

in dit land geboren, ik moet leven, ik heb een moeder, en ik geef me

over aan mijn lot als een lijk dat door het water wordt meegesleept."

"En heeft u zich door dien hinderpaal voor altijd laten ontmoedigen? En

't is u daarna beter gegaan?"

"Gave God dat ik door schande wijs was geworden!" antwoordde hij,

"dat mijn ellenden zich daartoe bepaald hadden! 't Is waar dat ik

sinds dien tijd een afkeer kreeg van mijn werkkring. Ik dacht erover,

een levensonderhoud te zoeken, evenals mijn voorganger; omdat, als

je werk doet tegen je zin en met schaamte, dan is 't een marteling,

en omdat de school me iederen dag mijn hoon herinnerde en ik er heel

bittere uren doorbracht. Maar wat moest ik doen? Ik kon mijn moeder die

teleurstelling niet geven: ik moest haar zeggen dat haar drie jaren

van opoffering, om mij dezen werkkring te verschaffen, nu mijn geluk

zijn. Ik moet haar doen gelooven dat de betrekking hoogst eervol is,

het werk genotvol, dat mijn weg bezaaid is met rozen; dat ze me in

't dorp eerbiedigen en hoogachten. Als ik dat niet deed, zou ik een

ander ongelukkig maken, zonder dat ik 't zelf minder werd. Behalve

nutteloos, zou dat zelfs zondig wezen. Ik ben dus in mijn betrekking

gebleven en heb me niet willen neerslaan: ik heb getracht te worstelen

met mijn lot."

De onderwijzer zweeg een oogenblik, om daarna voort te gaan:

"Ik heb toch profijt gehad van die smadelijke behandeling. Ik deed een

zelfonderzoek en besefte tenslotte dat ik heel weinig wist. Ik ging

met hart en ziel studeeren. De oude filosoof leende me boeken. Zoo

kreeg ik allerlei nieuwe inzichten. Ik begreep dat het ouderwetsche

ranselsysteem op school uit den booze was: 't schaamtegevoel verdwijnt

erdoor en de kinderen die een ander kind moeten slaan worden wreed. Ik

schafte dus de heele lichamelijke kastijding af. Eerst ging 't niet

best: veel leerlingen leerden slecht, maar ik hield vol, en ik merkte

op dat er langzamerhand meer lust kwam. Er kwamen meer kinderen

en ze verzuimden minder. Een, die eenmaal in 't bijzijn van alle

anderen geprezen was, leerde den volgenden dag het dubbele. Al heel

gauw verbreidde zich in 't dorp het nieuwtje, dat ik op school niet

sloeg. De pastoor liet me roepen, en omdat ik weer zoo'n tooneel als

vroeger vreesde, groette ik hem stijf in 't Tagaalsch. Dezen keer was

hij ernstiger tegenover me. Hij zei me dat ik de kinderen bedierf,

dat ik mijn tijd verspilde, dat ik mijn plicht niet deed, dat de

vader die niet sloeg zijn kind haatte, volgens den Heiligen Geest,

dat 'de letter met het bloed ingaat' enz., enz. Hij haalde me een

hoop dingen aan uit de oude doos, alsof het voldoende was dat iets

door de menschen van den ouden tijd gezegd was, om onweerlegbaar te

wezen... Nu, 't kwam daarop neer, dat hij aanbeval naar zijn woorden

te handelen en weer tot het oude stelsel terug te keeren, want anders

zou hij over me klagen bij den burgemeester. Mijn ongeluk bleef

daarbij niet: eenige dagen later kwamen de vaders van de kinderen

onder 't klooster bij me en ik heb al mijn geduld en lijdzaamheid

te hulp moeten roepen. Ze spraken met lof over den ouden tijd,

toen er flink geranseld werd. Sommigen lieten 't daar niet bij,

maar zeiden me ronduit dat als ik met mijn systeem voortging, hun

kinderen niets zouden leeren en dat zij ze van de school af zouden

nemen. 't Gaf niets, of ik al met hun redeneerde: ik was te jong. Och,

wat had ik er wel voor gegeven, als ik grijze haren gehad had! Ze

haalden het gezag van den pastoor aan, van dezen en genen, en ze

stelden ook zichzelf als voorbeeld: als zij geen ransel hadden gehad,

hadden ze stellig niets geleerd. De sympatie die enkelen me bewezen,

verzoette alleen een beetje de bitterheid van deze teleurstelling."

"Ik moest dus een stelsel opgeven dat me na veel moeite vruchten begon

op te leveren. Wanhopig bracht ik den volgenden dag mijn marteltuigen

weer op school, om mijn barbaarsche taak te hervatten. De opgeruimdheid

verdween, en er heerschte weer bedroefdheid op de gezichtjes van

de kinderen. Ze begonnen al van me te houden! 't Waren mijn eenige

vrienschapsbetrekkingen.... Ofschoon ik trachtte erg spaarzaam te zijn

met mijn kastijdingen, voelden de kinderen zich toch diep gekwetst

en vernederd. En ze schreiden bitter. Dat deed me pijn, en al was

ik inwendig ook wrevelig op hun aartsdomme familie, ik kon me niet

wreken op die onschuldige slachtoffers van de vooroordeelen van hun

ouders. Hun tranen brandden me in de ziel. Ik gaf het op, en dien

eersten dag liet ik de school voor den tijd uitgaan, om thuis op mijn

eentje eens uit te schreien... Misschien bent u verwonderd over mijn

gevoeligheid, maar u zou die begrijpen, als u in mijn plaats was. De

oude Tasio zeî me: 'Zoo, willen de paters ransel? Waarom heb je hun

niet geranseld?' Als gevolg daarvan werd ik ziek."

Ibarra luisterde aandachtig.

"Nauwelijks beter, kwam ik weer op school en ik vond mijn leerlingen

tot op een vijfde verminderd.

"De besten waren heengegaan bij de hervatting van 't oude systeem. En

van degenen die overgebleven waren--die naar school gingen om 't

werken thuis te ontloopen--toonde geen enkele vreugde, niet een

wenschte me geluk met mijn beterschap: 't was hun onverschillig of

ik ziek was gebleven, want mijn plaatsvervanger sloeg wel meer, maar

kwam daartegenover ook maar zelden op school. Mijn andere leerlingen,

die door hun ouders gedwongen werden naar school te gaan, gingen aan

den kuier. En ik kreeg de schuld dat ik ze te veel vertroeteld had,

ik werd overladen met verwijtingen."

"En heeft u maar vrede genomen met uw nieuwe leerlingen?" vroeg Ibarra.

"Wat kon ik anders?" antwoordde hij. "Maar er was 't een en ander

gebeurd in den tijd dat ik ziek was: we hadden een anderen pastoor

gekregen. Ik vatte opnieuw hoog op en probeerde nog eens, of ik

niet gedaan kon krijgen dat de tijd voor de kinderen niet heelemaal

verloren zou gaan en dat ze zooveel mogelijk profijt zouden trekken

van hun kastijdingen. Ik wilde, nu ze me niet konden liefhebben,

dat ze tenminste iets nuttigs van me zouden meekrijgen, dat ze

later met minder bitterheid aan me terug zouden denken. Er waren

geen boeken in 't Tagaalsch, behalve de katechismus: al 't overige

was in 't Spaansch. En dan, wat waren dat nog voor boeken? Ik ging

aan 't vertalen, dikteerde stukken, maakte zelfs een kaart van de

provincie... Dezen keer kwamen de vrouwen in beroering, de mannen

vergenoegden zich met te glimlachen over iets waarin ze een nieuwe

dolheid van mij zagen. De nieuwe pastoor liet me roepen. Hij gaf me wel

geen standjes, maar zeide dat ik in de eerste plaats aan den godsdienst

moest denken, en dat de kinderen, voordat ze die andere dingen leerden,

eerst op een examen moesten bewijzen dat ze de godsdienstige boekjes

en de katechismus goed van buiten kenden.

"Ik ben dus nu weer aan 't werk, om van de kinderen papegaaien te

maken, zoodat ze al die zaakjes van buiten kennen zonder er iets van

te snappen, 't Gaat... En zoo zullen we doen tot onzen dood en zoo

zullen ook doen, die nog geboren moeten worden. En dan praten ze in

Europa van vooruitgang!"

"Kom, we mogen niet zoo pessimistisch zijn!" zeide Ibarra, terwijl

hij opstond. "De 'teniënte mayor' heeft me een uitnoodiging gezonden,

om een vergadering van den gemeenteraad bij te wonen... Wie weet of

u daar niet een antwoord op uw vragen zal krijgen?"

De onderwijzer stond ook op, doch hij schudde vol twijfel het hoofd,

en antwoordde:

"U zult zien dat van 't voorstel waarover ze me gesproken hebben al

even weinig terechtkomt als van al mijn ideeën! 't Zal wat wezen!"

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 20 / 70 题