Avonturen van een schoolmeester.
Het meer, omringd door zijn bergen, sluimert rustig met die huichelarij
der elementen, welke heden niet doet vermoeden dat het den vorigen
nacht meegeloeid heeft met den storm. Bij 't eerste glimpje van den
dageraad, dat op de wateren de lichtgeesten wakker roept, teekenen
zich in de verte, bijna aan de kim, grauwe silhouetten af: het zijn
de bootjes der visschers, die hun net ophalen; kleine vaartuigen,
die hun zeilen spannen.
Twee mannen, in diepen rouw gekleed, slaan van een hoogte zwijgend
het water gade: een van hen is Ibarra en de ander is een jongmensch
met een nederig voorkomen en weemoedige trekken.
"Hier is 't!" zeide de laatste. "Hier werd het lijk van uw vader in
't water gesmeten. Hier bracht de doodgraver luitenant Guevara en mij!"
Ibarra drukte hartelijk de hand van 't jongmensch.
"U hoeft er mij niet dankbaar voor te wezen!" hervatte deze. "Ik was
uw vader veel verschuldigd en de eenige dienst dien ik hem bewees,
was hem naar zijn graf te vergezellen. Ik was gekomen zonder iemand
te kennen, zonder aanbevelingen, zonder naam, zonder fortuin, net als
nu. Mijn voorganger had de school opgegeven om een tabakshandel te
beginnen. Uw vader beschermde mij, verschafte me een huis en deed
me alles aan de hand wat ik noodig kon hebben om mijn onderwijs
te bevorderen. Hij kwam naar school en deelde eenig klein geld uit
onder de arme jongens die goed leerden; hij voorzag ze van boeken en
schrijfbehoeften. Och, maar dat duurde kort, zooals alle goede dingen!"
Ibarra ontblootte het hoofd en scheen een heele poos in gebed
verzonken. Dan wendde hij zich tot zijn metgezel en zeide:
"U zeide dat mijn vader de arme kinderen hielp."
"En nu?"
"Nu doen ze wat ze kunnen, en schrijven wanneer het hun mogelijk is."
"Hoe zoo?"
"Om hun gescheurde hemden en hun beschaamde gezichten."
Ibarra zweeg even.
"Hoeveel leerlingen heeft u nu?" vroeg hij ten slotte met een zekere
belangstelling.
"Meer dan twee honderd op de lijst, en vijf-en-twintig in de klas."
"Hoe komt dat zoo?"
De schoolmeester lachte weemoedig en riep:
"Als ik u de oorzaken daarvan woû zeggen, zou ik u een lange,
vervelende geschiedenis moeten vertellen."
"U moet mijn vraag niet aan ijdele nieuwsgierigheid toeschrijven,"
ging Ibarra voort, en keek ernstig naar den verren horizont. "Ik heb
er verder over nagedacht en ik geloof dat het beter is de denkbeelden
van mijn vader te verwezenlijken dan om hem te treuren, en veel beter
dan hem te wreken. Zijn graf is de heilige natuur, en zijn vijanden
waren dorpsmenschen en een priester: ik vergeef de eersten om hun
domheid, en ik eerbiedig den ander om zijn ambt, en omdat ik wil dat de
godsdienst geëerbiedigd wordt, die de maatschappij heeft opgevoed. Ik
wil me bezielen met den geest van den man, die mij 't leven gaf, en
daarom zou ik hinderpalen willen kennen die het onderwijs hier vindt."
"Het land" zeide de onderwijzer, "zal uw vaders nagedachtenis zegenen,
als u zijn mooie bedoelingen verwezenlijkt. Wilt u weten wat hier
het onderwijs in den weg staat? Welnu, in de omstandigheden waarin
we leven, zal van het onderwijs zonder een machtige hulp nooit iets
terechtkomen. Ten eerste omdat er bij de kinderen geen lokmiddel,
geen prikkel is, ten tweede omdat zelfs al waren ze er wel, het gebrek
aan middelen en allerlei vooroordeelen ze dooden. Men zegt dat in
Duitschland de zoon van een landbouwer acht jaar op de dorpsschool
leert. Wie zou hier de helft van dien tijd willen besteden, wanneer
men er zulke schamele vruchten van plukt? Ze lezen, schrijven en
leeren stukken van buiten in 't Spaansch en soms heele boeken, zonder
er een woord van te begrijpen. Wat voor nut trekt de zoon van onze
dorpelingen van de school?"
"En u die weet waar 't kwaad schuilt, heeft u dan er aan gedacht het
te verhelpen?"
"Och!" antwoordde de ander droevig het hoofd schuddend, "een arme
schoolmeester kan alleen niet vechten tegen de vooroordeelen, tegen
zekere invloeden. In de allereerste plaats zou ik een school moeten
hebben, een lokaal, en niet zooals 't nu is een ruimte naast het
rijtuig van den pastoor, onder 't klooster, waar ik onderwijs mag
geven. Daar hinderen de kinderen, die ervan houden hardop te lezen,
natuurlijk den 'padre'; die komt dan soms zenuwachtig beneden,
vooral wanneer hij zijn buien heeft; dan beknort hij ze en scheldt
mij soms uit. U begrijpt licht, dat men zoo niet kan onderwijzen of
leeren. Een kind eerbiedigt zijn leermeester niet meer, zoodra het
ziet dat hij beleedigd wordt, zonder dat hij zijn rechten kan doen
gelden. Een onderwijzer moet, om aangehoord te worden, om te maken dat
men zijn gezag niet in twijfel trekt, prestige hebben, een goeden naam,
zedelijke kracht, een zekere vrijheid. En sta u me toe dat ik u over
droevige bizonderheden spreek. Ik heb hervormingen willen invoeren
en ze hebben me uitgelachen. Om het kwaad te verhelpen waarover ik
ze sprak, trachtte ik het Spaansch op mijn school te onderwijzen,
want, behalve dat het gouvernement het voorschreef, oordeelde ik
ook dat het een voordeel voor alle leerlingen zou wezen. Ik paste de
eenvoudigste methode toe--zinnetjes en naamwoorden--zonder veel aan
groote regels te doen, hopende hun later de spraakkunst te leeren,
wanneer ze al op de hoogte van de taal waren.
"Na verloop van eenige weken verstonden de vlugsten me bijna, en
maakten die al eenige zinnetjes."
De schoolmeester zweeg even en scheen te aarzelen. Dan, alsof hij
zich daar overheen zette, ging hij voort:
"Ik hoef me niet te schamen voor 't verhaal van mijn grieven: iedereen
zou in mijn geval net-zoo gehandeld hebben. Zooals ik dan zei, begon
het goed. Maar, eenige dagen later liet Pater Dámaso, die toen onze
pastoor was, mij door den hoofd-koster bij zich roepen. Omdat ik zijn
karakter kende en bang was hem te laten wachten, ging ik dadelijk naar
boven, kwam binnen en zeî hem goeden dag in 't Spaansch. Hij stak
me als eenige wedergroet zijn hand toe, om die te kussen, trok die
daarna terug, en zonder een woord te zeggen, begon hij luidkeels en
spottend te lachen. Ik stond beteuterd. De hoofd-koster was erbij. In
't eerst wist ik niet wat ik zeggen zou. Ik bleef hem aankijken. Maar
hij ging door met lachen. Ik werd al ongeduldig, en zag in dat ik een
onvoorzichtigheid zou begaan, want een goed christen zijn en waardig
daarbij te wezen, vind ik niet onvereenigbaar. Ik wou hem juist
vragen waarom hij zoo deed, toen hij opeens van lachen in beleedigen
oversloeg, en sarkastisch zeî: 'Zoo, zoo "_buenos dias_"! [15]
_Buenos dias_! Wel dat 's leuk! Je kent dus al Spaansch?!' En toen
lachte hij weer."
Ibarra kon niet nalaten even te glimlachen.
"U lacht erom," hervatte de onderwijzer, zelf ook lachende. "Ik
verzeker u dat ik toen heelemaal geen lust in lachen had. Ik stond
daar en ik voelde dat het bloed me naar 't hoofd steeg, en een onweer
mijn hersens benevelde. Ik zag den pastoor ver, ver weg. Ik stapte op
hem toe, om hem te antwoorden, zonder te weten wat ik eigenlijk wou
zeggen. Maar de koster kwam tusschenbeide. Hij zelf stond op, en zei
me, dezen keer in ernst, in 't Tagaalsch: 'Pronk nu maar bij mij niet
met geleende veeren. Hoû je bij je moêrs-taal en bederf het Spaansch
niet, want dat is geen kost voor jullie.' Ken je meester Ciruela? Nu,
Ciruela en die was een schoolmeester die niet kon lezen, hield school.
"Ik wou hem aanhouden, maar hij ging zijn kamer in en sloot driftig
de deur. Wat moest ik doen, ik die nauwelijks te eten heb met mijn
traktement, die om 't te ontvangen telkens de schriftelijke goedkeuring
van den pastoor noodig heb en een reis naar de hoofdplaats van de
provincie moet maken. Wat kon ik doen tegen hem, de eerste zedelijke,
politieke en burgerlijke autoriteit in een dorp, die gesteund wordt
door zijn corporatie, gevreesd door 't gouvernement, rijk, machtig,
die altijd en door iedereen wordt geraadpleegd, aangehoord, geloofd,
aan wien altijd iedereen zich stoort? Als die me beleedigt, moet
ik mijn mond houden. Als ik er iets tegen zeg, word ik uit mijn
baantje gezet en verlies ik voor goed mijn broodwinning. En 't
onderwijs zou daar nog niets door winnen: integendeel, iedereen zou
de partij van den pastoor opnemen, ze zouden me uitkrijten, me ijdel,
trots, verwaand, een slecht kristen, een onopgevoed mensch noemen,
of anders anti-Spaansch gezind en _filibustero_--opstandeling. Van een
schoolmeester verwacht men geen kennis en geen ijver; men eischt alleen
van hem berusting, nederigheid, ongevoeligheid. God moge me vergeven,
als ik mijn geweten en mijn verstand verloochend heb, maar ik ben
in dit land geboren, ik moet leven, ik heb een moeder, en ik geef me
over aan mijn lot als een lijk dat door het water wordt meegesleept."
"En heeft u zich door dien hinderpaal voor altijd laten ontmoedigen? En
't is u daarna beter gegaan?"
"Gave God dat ik door schande wijs was geworden!" antwoordde hij,
"dat mijn ellenden zich daartoe bepaald hadden! 't Is waar dat ik
sinds dien tijd een afkeer kreeg van mijn werkkring. Ik dacht erover,
een levensonderhoud te zoeken, evenals mijn voorganger; omdat, als
je werk doet tegen je zin en met schaamte, dan is 't een marteling,
en omdat de school me iederen dag mijn hoon herinnerde en ik er heel
bittere uren doorbracht. Maar wat moest ik doen? Ik kon mijn moeder die
teleurstelling niet geven: ik moest haar zeggen dat haar drie jaren
van opoffering, om mij dezen werkkring te verschaffen, nu mijn geluk
zijn. Ik moet haar doen gelooven dat de betrekking hoogst eervol is,
het werk genotvol, dat mijn weg bezaaid is met rozen; dat ze me in
't dorp eerbiedigen en hoogachten. Als ik dat niet deed, zou ik een
ander ongelukkig maken, zonder dat ik 't zelf minder werd. Behalve
nutteloos, zou dat zelfs zondig wezen. Ik ben dus in mijn betrekking
gebleven en heb me niet willen neerslaan: ik heb getracht te worstelen
met mijn lot."
De onderwijzer zweeg een oogenblik, om daarna voort te gaan:
"Ik heb toch profijt gehad van die smadelijke behandeling. Ik deed een
zelfonderzoek en besefte tenslotte dat ik heel weinig wist. Ik ging
met hart en ziel studeeren. De oude filosoof leende me boeken. Zoo
kreeg ik allerlei nieuwe inzichten. Ik begreep dat het ouderwetsche
ranselsysteem op school uit den booze was: 't schaamtegevoel verdwijnt
erdoor en de kinderen die een ander kind moeten slaan worden wreed. Ik
schafte dus de heele lichamelijke kastijding af. Eerst ging 't niet
best: veel leerlingen leerden slecht, maar ik hield vol, en ik merkte
op dat er langzamerhand meer lust kwam. Er kwamen meer kinderen
en ze verzuimden minder. Een, die eenmaal in 't bijzijn van alle
anderen geprezen was, leerde den volgenden dag het dubbele. Al heel
gauw verbreidde zich in 't dorp het nieuwtje, dat ik op school niet
sloeg. De pastoor liet me roepen, en omdat ik weer zoo'n tooneel als
vroeger vreesde, groette ik hem stijf in 't Tagaalsch. Dezen keer was
hij ernstiger tegenover me. Hij zei me dat ik de kinderen bedierf,
dat ik mijn tijd verspilde, dat ik mijn plicht niet deed, dat de
vader die niet sloeg zijn kind haatte, volgens den Heiligen Geest,
dat 'de letter met het bloed ingaat' enz., enz. Hij haalde me een
hoop dingen aan uit de oude doos, alsof het voldoende was dat iets
door de menschen van den ouden tijd gezegd was, om onweerlegbaar te
wezen... Nu, 't kwam daarop neer, dat hij aanbeval naar zijn woorden
te handelen en weer tot het oude stelsel terug te keeren, want anders
zou hij over me klagen bij den burgemeester. Mijn ongeluk bleef
daarbij niet: eenige dagen later kwamen de vaders van de kinderen
onder 't klooster bij me en ik heb al mijn geduld en lijdzaamheid
te hulp moeten roepen. Ze spraken met lof over den ouden tijd,
toen er flink geranseld werd. Sommigen lieten 't daar niet bij,
maar zeiden me ronduit dat als ik met mijn systeem voortging, hun
kinderen niets zouden leeren en dat zij ze van de school af zouden
nemen. 't Gaf niets, of ik al met hun redeneerde: ik was te jong. Och,
wat had ik er wel voor gegeven, als ik grijze haren gehad had! Ze
haalden het gezag van den pastoor aan, van dezen en genen, en ze
stelden ook zichzelf als voorbeeld: als zij geen ransel hadden gehad,
hadden ze stellig niets geleerd. De sympatie die enkelen me bewezen,
verzoette alleen een beetje de bitterheid van deze teleurstelling."
"Ik moest dus een stelsel opgeven dat me na veel moeite vruchten begon
op te leveren. Wanhopig bracht ik den volgenden dag mijn marteltuigen
weer op school, om mijn barbaarsche taak te hervatten. De opgeruimdheid
verdween, en er heerschte weer bedroefdheid op de gezichtjes van
de kinderen. Ze begonnen al van me te houden! 't Waren mijn eenige
vrienschapsbetrekkingen.... Ofschoon ik trachtte erg spaarzaam te zijn
met mijn kastijdingen, voelden de kinderen zich toch diep gekwetst
en vernederd. En ze schreiden bitter. Dat deed me pijn, en al was
ik inwendig ook wrevelig op hun aartsdomme familie, ik kon me niet
wreken op die onschuldige slachtoffers van de vooroordeelen van hun
ouders. Hun tranen brandden me in de ziel. Ik gaf het op, en dien
eersten dag liet ik de school voor den tijd uitgaan, om thuis op mijn
eentje eens uit te schreien... Misschien bent u verwonderd over mijn
gevoeligheid, maar u zou die begrijpen, als u in mijn plaats was. De
oude Tasio zeî me: 'Zoo, willen de paters ransel? Waarom heb je hun
niet geranseld?' Als gevolg daarvan werd ik ziek."
Ibarra luisterde aandachtig.
"Nauwelijks beter, kwam ik weer op school en ik vond mijn leerlingen
tot op een vijfde verminderd.
"De besten waren heengegaan bij de hervatting van 't oude systeem. En
van degenen die overgebleven waren--die naar school gingen om 't
werken thuis te ontloopen--toonde geen enkele vreugde, niet een
wenschte me geluk met mijn beterschap: 't was hun onverschillig of
ik ziek was gebleven, want mijn plaatsvervanger sloeg wel meer, maar
kwam daartegenover ook maar zelden op school. Mijn andere leerlingen,
die door hun ouders gedwongen werden naar school te gaan, gingen aan
den kuier. En ik kreeg de schuld dat ik ze te veel vertroeteld had,
ik werd overladen met verwijtingen."
"En heeft u maar vrede genomen met uw nieuwe leerlingen?" vroeg Ibarra.
"Wat kon ik anders?" antwoordde hij. "Maar er was 't een en ander
gebeurd in den tijd dat ik ziek was: we hadden een anderen pastoor
gekregen. Ik vatte opnieuw hoog op en probeerde nog eens, of ik
niet gedaan kon krijgen dat de tijd voor de kinderen niet heelemaal
verloren zou gaan en dat ze zooveel mogelijk profijt zouden trekken
van hun kastijdingen. Ik wilde, nu ze me niet konden liefhebben,
dat ze tenminste iets nuttigs van me zouden meekrijgen, dat ze
later met minder bitterheid aan me terug zouden denken. Er waren
geen boeken in 't Tagaalsch, behalve de katechismus: al 't overige
was in 't Spaansch. En dan, wat waren dat nog voor boeken? Ik ging
aan 't vertalen, dikteerde stukken, maakte zelfs een kaart van de
provincie... Dezen keer kwamen de vrouwen in beroering, de mannen
vergenoegden zich met te glimlachen over iets waarin ze een nieuwe
dolheid van mij zagen. De nieuwe pastoor liet me roepen. Hij gaf me wel
geen standjes, maar zeide dat ik in de eerste plaats aan den godsdienst
moest denken, en dat de kinderen, voordat ze die andere dingen leerden,
eerst op een examen moesten bewijzen dat ze de godsdienstige boekjes
en de katechismus goed van buiten kenden.
"Ik ben dus nu weer aan 't werk, om van de kinderen papegaaien te
maken, zoodat ze al die zaakjes van buiten kennen zonder er iets van
te snappen, 't Gaat... En zoo zullen we doen tot onzen dood en zoo
zullen ook doen, die nog geboren moeten worden. En dan praten ze in
Europa van vooruitgang!"
"Kom, we mogen niet zoo pessimistisch zijn!" zeide Ibarra, terwijl
hij opstond. "De 'teniënte mayor' heeft me een uitnoodiging gezonden,
om een vergadering van den gemeenteraad bij te wonen... Wie weet of
u daar niet een antwoord op uw vragen zal krijgen?"
De onderwijzer stond ook op, doch hij schudde vol twijfel het hoofd,
en antwoordde:
"U zult zien dat van 't voorstel waarover ze me gesproken hebben al
even weinig terechtkomt als van al mijn ideeën! 't Zal wat wezen!"