Zieltjes in nood.
't Zal ongeveer zeven uur in den morgen geweest zijn, toen Fray Salvi
zijn laatste mis las: alle drie werden in één uur afgedaan.
"De pater is ziek," zeiden de vrome vrouwtjes. "Hij beweegt zich niet
zoo statig en sierlijk als gewoonlijk."
Hij ontdeed zich van zijn miskleed zonder een woord te zeggen, zonder
naar iemand te kijken, zonder een enkele opmerking.
"Opgepast!" fluisterden de kosters onder elkaar. "De storm komt
opzetten! 't Zal zoo meteen boeten regenen. En dat alles om twee
beroerde jongens!"
Hij verliet de sakristie, om naar zijn pastorie te gaan, waar in
de voorgalerij een achttal vrouwen op de banken gezeten en een man,
die heen en weer liep, op hem wachtten. Toen ze hem zagen aankomen,
stonden de vrouwen op en een vrouw trad op hem toe, om hem de hand
te kussen. Doch de geestelijke maakte zulk een gebaar van ongeduld,
dat ze midden op haar weg stil bleef staan.
Ze begreep daar niets van. Zoo'n bejegening aan haar, Zuster Rufa,
de vrome "celadora"--soort kommissaris van orde--van de Broederschap!
De vrouwen bespraken levendig het geval en eindigden met ruzie te
maken over een verloren varken, dat Rufa beweerde teruggevonden
te hebben door de tusschenkomst van den heiligen Antonius terwijl
anderen zeiden dat ze een andermans varken voor 't hare had aangezien
en verkocht! Deze twist bijgelegd, ontstond er een woordenwisseling
over de keuze van een prediker voor het feest; de pastoor had er drie
voorgesteld: pater Dámaso, pater Martin of de "coadjutor".
Op dat oogenblik kwam Sisa aan, met een mand op haar hoofd. Ze groette
de vrouwen en ging de trap op.
"Die gaat naar boven! Laten wij ook naar boven gaan!" zeiden de
anderen.
Sisa voelde haar hart hevig kloppen terwijl ze de trap opging; ze
wist niet wat ze den pater zou zeggen om zijn toorn te bezweren, en
welke gronden ze moest aanvoeren, om voor haar zoontje te pleiten. Dien
morgen was ze bij 't eerste ochtendgloren in haar tuin gegaan, om haar
mooiste groenten te plukken die ze daarna tusschen pisang-blâren en
bloemen in een mand had gelegd. Ze was ook naar den rivier-oever gegaan
om er "pakoe" te zoeken: ze wist dat de pastoor daar als sla veel van
hield. Ze had haar beste kleêren aangetrokken, en met de mand op het
hoofd was ze zonder haar zoontje te wekken, naar het dorp vertrokken.
Trachtende zoo min mogelijk gedruisch te maken, steeg ze langzaam de
trap op, aandachtig luisterend of ze niet wellicht een wel-bekende
frissche kinderstem zou hooren.
Doch ze hoorde noch ontmoette iemand, en richtte zich naar de keuken.
Daar keek ze in alle hoeken. Bedienden en kosters ontvingen haar
koel. Ze groette, maar kreeg nauwelijks een wedergroet.
"Waar kan ik deze groenten laten?" vroeg ze, zonder zich beleedigd
te toonen.
"Daar... waar je wilt!" antwoordde de kok, terwijl hij, druk aan zijn
werk, er bijna niet op lette; hij was bezig een kapoen te plukken.
Sisa legde de térong's, petola's, de balsem-appels, de "zarzalida"
en malsche "pakoe"-takjes netjes op de tafel. Daarna legde ze de
bloemen er boven op, lachte vergenoegd, en vroeg aan een bediende
die haar handelbaarder voorkwam dan de kok:
"Zou ik den pater niet kunnen spreken?"
"Die is ziek," antwoordde de man zacht.
"En Crispin? Weet u ook, of die in de sakristie is?"
De bediende keek haar verbaasd aan.
"Crispin?" vroeg hij de wenkbrauwen fronsend.
"Is die niet bij u thuis? wou u dat soms loochenen?"
"Basilio is thuis, Crispin is hier gebleven," antwoordde Sisa. "Ik
wil hem zien..."
"Jawel!" zei de bediende. "Hij is gebleven, dat is zoo, maar
daarna... daarna is hij met een heeleboel dingen, die hij gestolen
had, ervandoor gegaan. De pastoor heeft me van morgen vroeg naar de
kazerne gestuurd om er kennis van te geven aan de Guardia-Civil. Ze
zullen nu wel naar uw huis zijn gegaan, om de jongens te halen."
Sisa sloeg de beide handen tegen de ooren, deed den mond open, maar
haar lippen bewogen zich tevergeefs: er kwam geen geluid uit.
"Nou, jij hebt ook mooie jongens, hoor!" voegde de kok erbij. "Je kunt
wel zien, dat je je man nooit bedrogen hebt: je kinderen zijn net als
hun vader! Pas maar op, dat de kleine hem niet nog den baas af wordt!"
Sisa barstte in bitter schreien uit en viel op een bank neer.
"Je moet hier niet huilen!" riep de kok haar toe. "Weet je dan niet,
dat de 'padre' ziek is, ga op straat janken!" De arme vrouw werd bijna
de trappen af geduwd, tegelijkertijd dat ook de "zusters" heengingen,
die onder elkaar mompelden en gissingen maakten over de ongesteldheid
van den pastoor.
De ongelukkige moeder verborg haar gelaat met haar zakdoek, en
onderdrukte haar schreien.
Toen ze op straat was, keek ze besluiteloos om zich heen. Dan, als
had ze een besluit genomen, verwijderde ze zich snel.