XVII.

Basilio.

't Leven is een droom.

Nauw kon Basilio binnenkomen, of wankelend liet hij zich in de armen

zijner moeder vallen.

Een onverklaarbare koude overviel Sisa, toen ze hem alleen zag

aankomen. Ze wilde spreken, maar ze vond geen klanken; ze wilde

schreien, 't was haar onmogelijk.

Doch op 't gezicht van 't bloed, dat het voorhoofd van haar jongen

bedekte, kon ze een kreet uitstooten, alsof er een streng van haar

hart gebroken ware:

"Mijn kinderen!"

"Wees niet bang, moeder!" antwoordde Basilio, "Crispin is in 't

klooster gebleven."

"In 't klooster? Is hij in 't klooster gebleven? Leeft hij?"

De knaap sloeg zijn oogen naar haar op.

"O!" riep ze uit, van den grootsten angst overslaande tot de hoogste

vreugde. Sisa schreide, omhelsde haar zoon, zijn bloedend voorhoofd

met kussen overdekkend. "Crispin leeft! je hebt hem in 't klooster

achtergelaten ... en waardoor ben-je gewond, mijn kind? Ben-je

gevallen?"

En ze sloeg hem nauwkeurig gade.

"De hoofd-koster zei me, toen hij Crispin meenam, dat ik niet voor

tienen naar huis mocht. En omdat dat erg laat was, ben ik gevlucht. In

't dorp riepen de soldaten me 'werda' toe. Ik zette het op een

loopen. Toen hebben ze me geschoten en een kogel heeft even mijn

voorhoofd geraakt. Ik was bang dat ze me gevangen zouden nemen en

dat ze me de kazerne zouden laten schrobben, zooals ze dat met Pablo

gedaan hebben, die nog ziek is."

"Mijn God, mijn God!" mompelde de moeder huiverend, "ge hebt hem

gered!"

En terwijl ze doeken, water, azijn en reiger-doos zocht, riep ze:

"Een vingerbreedte verder en je was dood geweest! Ze zouden m'n jongen

doodgemaakt hebben! Die lui van de _guardia civil_ denken ook niet

aan de moeders!"

"Je moet zeggen dat ik uit een boom gevallen ben, hoor; niemand mag

er iets van weten, dat ze me vervolgd hebben."

"Waarom is Crispin achtergebleven?" vroeg Sisa, nadat ze haar zoon

verbonden had.

Deze keek haar enkele oogenblikken aan. Dan haar omhelzend vertelde

hij haar geleidelijk de zaak van het goud. Evenwel sprak hij niet

van de kwellingen die men zijn broertje aandeed.

Moeder en kind mengden hun tranen.

"Mijn goeie Crispin! Mijn lieve Crispin te beschuldigen! Dat is omdat

we arm zijn, en wij armen moeten maar alles verdragen!" mompelde

Sisa, met haar oogen vol tranen kijkende naar de _tienhoy_--het

lampje--waarvan de olie opraakte.

Zoo bleven ze een poos zwijgen.

"Heb je al gegeten? Nee? Er is rijst en wat gedroogde sardijnen."

"Ik heb geen trek. Water, ik wil alleen maar water."

"Jawel," hervatte de moeder, "ik wist wel dat je niet hield van

gedroogde sardijnen. Ik had wat anders voor je klaargemaakt, maar je

vader is er geweest, arme jongen!"

"Is vader er geweest?" vroeg Basilio, en hij keek onwillekeurig

vorschend naar het gelaat en de handen van zijn moeder. De vraag van

haar zoon kneep het hart van Sisa samen, want ze begreep hem maar al

te goed. Daarom haastte ze zich eraan toe te voegen:

"Hij is er geweest, en heeft veel naar jullie gevraagd. Hij woû jullie

zien. Hij had ergen honger. Hij heeft gezegd dat als jullie voortgaat

met goed op te passen, hij weer bij ons in zou komen wonen."

"O!" viel Basilio in, en zijn lippen trokken zich met ergernis samen.

"Jongen!" vermaande zij.

"Wees niet boos, moeder!" antwoordde hij ernstig, "is het niet beter

zoo met ons drieën: u, Crispin en ik? Maar u schreit. Ik heb niets

gezegd."

Sisa zuchtte.

"Eet je heelemaal niets? Laten we dan naar bed gaan, want het is

al laat."

Sisa sloot de hut, en bedekte de weinige sintels met as, opdat ze

niet uit zouden gaan.

Basilio prevelde zijn gebeden, en legde zich te ruste bij zijn moeder,

die geknield bad.

Hij voelde zich huiverig. Hij trachtte de oogen te sluiten en dacht

aan zijn broertje, dat dien nacht erop gevlast had bij moeder thuis te

slapen en dat nu schreide en van vrees beefde in een donkeren hoek van

't klooster. Zijn ooren herhaalden hem die kreten, zooals hij ze in den

toren gehoord had, maar zijn vermoeide hersenen begonnen denkbeelden

te verwarren, en de geest der droomen daalde neder op zijn oogen.

Hij zag een alkoof, waar twee kaarsen brandden. De pastoor, met een

rotan in de hand, luisterde somber naar den hoofd-koster, die tot hem

sprak in een vreemde taal en met vreeselijke gebaren. Crispin beefde

en wendde zijn betraande oogen overal heen, alsof hij iemand zocht

of naar een schuilplaats uitkeek.

De pastoor richt zich tot hem en roept hem vertoornd iets toe. De

rotan suist. De knaap loopt weg om zich achter den koster te

verschuilen. Doch deze grijpt hem, maakt zich van hem meester en levert

hem over aan de woede des priesters. De ongelukkige worstelt, trapt,

schreeuwt, werpt zich op den grond, rolt, staat op, vlucht, glijdt

uit, valt en weert de slagen met de handen af, die hij dan gillend

van pijn weghoudt. Basilio ziet hem zich wringen, met zijn hoofd

tegen den grond slaan, ziet den rotan en hoort hem zwiepen! Wanhopig

staat zijn broertje op. Gek van pijn werpt hij zich op zijn beulen

en bijt den pastoor in de hand. Deze stoot een kreet uit, en laat

den rotan vallen. De koster grijpt een stok, geeft hem daarmee een

slag op het hoofd en de knaap valt bedwelmd neer. De pastoor, zich

gewond ziende, schopt hem, maar de ander verdedigt zich niet meer,

schreeuwt niet meer: hij rolt over den grond als een slappe massa en

laat een vochtig spoor achter...

De stem van Sisa riep hem tot de werkelijkheid terug.

"Wat scheelt je? waarom huil je?"

"Ik heb gedroomd!... Och God!" riep Basilio uit en richtte zich op,

gutsend van 't zweet, "'t was een droom, zeg, moeder, het was maar

een droom. Niets meer dan een droom!"

"Wat heb je gedroomd?"

De jongen antwoordde niet. Hij ging zitten om zijn tranen en zweet

af te drogen. Het was volkomen donker in de hut.

"Een droom, een droom!" herhaalde Basilio zacht.

"Vertel me toch wat je gedroomd hebt. Ik kan niet slapen!" zeide zijn

moeder, toen haar zoon zich weer nederlegde.

"Nu dan," zeide deze zacht, "ik droomde dat we aren gingen lezen... op

een veld, waar veel bloemen stonden; de vrouwen hadden manden vol met

aren.... Ik herinner me niets verder, moeder, van 't andere herinner

ik me niets meer!"

Sisa hield niet aan. Ze gaf niet om droomen.

"Moeder, ik heb vannacht een plan gemaakt," zeide Basilio, na eenige

oogenblikken van stilte.

"Wat voor plan?" vroeg zij.

Sisa, nederig in alles, was zelfs nederig tegenover haar kinderen:

ze hield ze voor verstandiger dan zij zelve.

"Ik wil geen koster meer worden!"

"Hoe zoo?"

"Luister eens, moeder, naar wat ik overdacht heb. Vandaag is de zoon

van Don Rafael uit Spanje teruggekomen en die zal wel even goed zijn

als zijn vader. Welnu, moeder, morgen haalt u Crispin weg, u ontvangt

mijn loon en u zegt dat ik geen koster meer wil worden. Zoodra

ik hersteld ben, ga ik Don Crisóstomo opzoeken, en dan zal ik hem

vragen, om koe- of karbouwen-hoeder bij hem te worden, ik ben al

groot genoeg. Crispin zal kunnen leeren bij de oude Tasio in huis;

die ranselt niet en is goed, al gelooft de pastoor 't ook niet; wat

zouden we nog van den pater te vreezen hebben? Geloof me, moeder,

de oude Tasio is goed. Ik heb hem dikwijls in de kerk gezien, wanneer

er niemand in was. Hij knielde en bad, gelooft u me. Dus moeder, ik

word geen koster: je verdient toch weinig, en wat je verdient vliegt

weg aan boeten. Iedereen klaagt over 't zelfde. Ik word herder,

en als ik goed zorg voor wat me toevertrouwd wordt, dan houdt mijn

baas van me. Crispin houdt veel van melk. Wie weet, of ze me niet een

koe-kalfje geven, als zij zien dat ik me goed gedraag. We zullen er

goed op passen en 't vetmesten, net als onze hen. In 't bosch zal ik

vruchten plukken, en ze dan in 't dorp verkoopen tegelijk met groenten

uit onzen tuin. En zoo zullen we geld verdienen. Ik zal strikken en

vallen zetten, om vogels en boschkatten te vangen. Ik zal gaan visschen

in de rivier, en wanneer ik grooter ben, ga ik jagen. Ik kan dan ook

houthakken om te verkoopen of om aan den eigenaar van de koeien cadeau

te geven. En zoo houden we hem te vriend. Wanneer ik kan ploegen, zal

ik hem vragen, om me een stukje grond af te staan, om er suikerriet

of maïs te planten, en dan hoeft u niet meer tot midden in den nacht

te zitten naaien. Dan hebben we nieuwe kleêren voor de feestdagen,

en zullen we vleesch en groote visch eten. Ondertusschen leef ik

vrij, we zullen elkaar alle dagen kunnen zien en samen eten. En omdat

toch de oude Tasio zegt dat Crispin veel aanleg voor leeren heeft,

zullen we hem in Manila laten studeeren. Ik zal wel werken, om hem

te onderhouden, nietwaar moeder? En dan wordt hij dokter, wat dunkt u?"

"Och wat zou ik ervan denken? Stellig!" antwoordde Sisa, haar zoon

omhelzend.

Ze had opgemerkt dat deze voor de toekomst in 't geheel geen rekening

hield met zijn vader, en ze schreide stille tranen.

Basilio ging voort met over zijn plannen te spreken met dat vertrouwen

van zijn leeftijd, wanneer men alleen ziet wat men wil zien. Sisa

zeide op alles ja, alles scheen haar goed. De slaap daalde allengs

weer neder op de vermoeide oogleden van den knaap.

Hij zag zich reeds als koehoeder samen met zijn broertje. Ze plukten

djamboe's, klèngkèng's en andere vruchten in het bosch. Ze liepen

van tak tot tak, vlug als vlindertjes. Ze gingen grotten binnen en

zagen, dat de wanden glommen. Ze baadden zich in de bronnen en 't

zand bestond uit stofgoud en de steenen waren als de edelsteenen in

de kroon der Heilige Maagd. De vischjes zongen en lachten hun toe,

de planten bogen hun met munten en vruchten beladen takken. Daarop

zag hij een klok, die aan een boom hing, en een lang touw, om haar te

luiden. Aan 't touw was een koe gebonden met een vogelnestje tusschen

de horens. En Crispin zat in de klok. En zoo droomde hij verder.

Maar zijn moeder, die niet zijn jeugd had en evenmin een uur geloopen

had, sliep niet.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 18 / 70 题