XVI.

Sisa.

De nacht is donker: de dorpelingen slapen rustig; de families die de

afgestorvenen herdacht hebben, genieten voldaan van een vreedzamen

slaap: ze hebben drie deelen van den rozenkrans met "requiem's"

en de novene der zielen gebeden, en veel waskaarsen ontstoken voor

de heiligen-beelden. De rijken en machtigen hebben hun plicht gedaan

jegens de verwanten, die hun fortuin hebben nagelaten. Den volgenden

dag zullen ze de drie missen hooren, die elke priester leest; ze

zullen dan, naar ze van plan zijn, twee pesos geven om er nog een te

lezen en daarna de "aflaat" van de afgestorvenen koopen, die zooveel

zonden vergeeft. De hemelsche gerechtigheid schijnt toch waarlijk

niet zoo veel-eischend als de menschlijke.

Maar de arme en behoeftige, die nauwelijks genoeg verdient om te

bestaan en de belastinggaarders, klerken en soldaten moet omkoopen

om in vrede te kunnen leven, slaapt niet rustig, zooals de dichters

ter hoofdplaats gelooven, die wellicht nooit de ontberingen der

ellende hebben geleden. De arme is droevig en bezorgd. Dien nacht

heeft hij wel weinig gebeden opgezegd, maar toch veel in stilte

gebeden met smart in 't hart en tranen in de oogen. Hij weet niet

van de "novenen", kent geen schietgebedjes, noch de verzen, noch de

"oremus", die de geestelijke broeders opgesteld hebben voor hen die

geen eigen gedachten noch eigen gevoelens hebben, en hij verstaat ze

ook niet. Hij bidt in de taal van zijn nooddruft. Zijn ziel schreit

voor hem en voor de dooden, wier liefde zijn eenig goed was. Zijn

lippen kunnen "groetenissen" uitspreken, maar zijn geest schreeuwt

klachten uit en beschuldigingen...

De arme weduwe waakt tusschen de kinderen, die aan haar zijde slapen:

ze denkt aan de aflaten, die ze koopen moet voor de rust van haar

ouders en van haar overleden echtgenoot. "Een _peso_," denkt ze,

"een _peso_ is een week verzorging voor mijn kinderen, een week

van lachjes en geluk, mijn spaarpenningen van een heele maand, een

kleedje voor mijn dochtertje, dat al vrouw begint te worden..." "Maar

't hellevuur moet gebluscht worden" zegt de stem die ze heeft hooren

preeken; "ge moet u opofferen, 't moet! De kerk redt voor u de geliefde

zielen niet om-niet: ze geeft niet gratis aflaten uit. Ge moet die

koopen en in plaats van 's nachts te slapen, zult ge arbeiden. Uw

dochter--wel wat zou 't, dat haar schaamte onbedekt blijft... Vast

maar! Want de hemel is duur? De armen komen zoo moeilijk in den hemel!"

Die gedachten zweven in de ruimte tusschen de "sahig," [12] waarop de

schamele mat gespreid is, en de "palapoe", [13] waaraan de hangmat

is vastgemaakt waar het kind in gewiegd wordt. Zijn ademhaling is

gemakkelijk en rustig; van tijd tot tijd maakt het kauwbewegingen en

brengt geluiden voort: het droomt van eten; want de hongerige maag

is niet voldaan met wat de broertjes hem gegeven hebben.

De cikaden zingen hun eentonig lied eenparig met het snerpen

der krekels in het gras, of het geluid der veenmollen, die

uit hun schuilplaats kruipen, om voedsel te zoeken, terwijl de

"tokèq"--_tjakón_ zegt men in de Filippijnen--, niet meer bevreesd voor

't water, zijn kop voor den dag steekt uit de holte van een vermolmden

boomstam en het concert verstoort met zijn akelig stemgeluid. De honden

blaffen jammerend verderop in de straat, en de bijgelovige die het

hoort, is overtuigd dat de dieren de geesten en schimmen zien. Maar

noch de honden noch de insekten zien de smarten der menschen en toch

bestaan ze!

Ginds, ver van 't dorp, woont de moeder van Basilio en Crispin,

vrouw van een harteloos man, die voor haar kinderen tracht te leven,

terwijl hij lanterfant en hanegevechten bijwoont. Zijn bezoeken thuis

zijn zeldzaam, doch altijd smartelijk. Hij heeft haar stuk voor stuk

haar schamel huisraad ontroofd, om aan zijn ondeugd te voldoen,

en toen de geduldige Sisa niets meer bezat om de grillen van haar

man te bevredigen, toen begon hij haar te mishandelen. Zwak van

karakter, met meer hart dan verstand, kon zij alleen liefhebben en

schreien. Voor haar was haar echtgenoot haar God, haar kinderen waren

haar engelen. Hij die wist hoe zeer hij aangebeden en gevreesd werd,

gedroeg zich ook als alle valsche goden: iederen dag werd hij wreeder,

onmenschelijker en bedillender.

Toen Sisa hem eens dat ze hem somberder dan ooit zag, raadpleegde over

haar plan om Basilio koster te laten worden, ging hij voort met zijn

haan te liefkoozen. Hij zei geen ja of nee, en vroeg alleen, of hij

dan veel geld zou verdienen. Zij dorst niet verder aan te dringen,

doch haar benarde toestand en het verlangen om de jongens lezen en

schrijven te laten leeren in de dorpsschool noopten haar om haar plan

door te zetten. Haar man zeide weer niets.

Die nacht, zoo ongeveer tien uur of half-elf, toen de sterren reeds

aan den hemel fonkelden, die nu weer helder was, zat Sisa op een houten

bank, en keek naar eenige takken, die half-weg verbrand waren in haar

haard van ruwe hoekige steenen. Op een "toengko" of drievoet stond een

potje, waarin rijst kookte, en op gloeiende kolen lagen drie gedroogde

sardijnen, van die welke men drie voor twee "cuarto's" kan koopen.

Ze steunde haar kin op de palm van haar eene hand en staarde naar de

geelachtige zwakke vlam van de bamboe, welker vluchtige kolen spoedig

tot as vergaan. Een droeve glimlach verlichtte haar gelaat. Ze dacht

aan 't aardige raadsel van den pot en 't vuur, dat Crispin haar eens

opgegeven had. De knaap had gezegd:

Naupoe si Maïtim, sinoeloet ni Lapoelá,

Nang mahaó i koemará-karà [14].

Ze was nog jong en men kon zien dat ze mooi en bevallig moest geweest

zijn. Haar oogen, die ze evenals haar ziel aan de kinderen gegeven

had, waren schoon, met lange wimpers en diepen blik. Haar neus was

welbesneden, haar bleeke lippen waren sierlijk geteekend. Ze was wat de

Tagalen noemen _kajoemanging kaligatan_, dit wil zeggen bruin, maar van

een gave, zuivere tint. In weerwil van haar jeugd begon het verdriet of

wellicht de honger haar bleeke wangen hol te maken. Haar overvloedige

lokken, eertijds het sieraad van haar verschijning waren wel nog netjes

opgemaakt, maar uit gewoonte niet meer uit behaagzucht. Ze droeg het

haar in een zeer eenvoudigen wrong zonder haarspelden of kammetjes.

Ze was dagen achtereen het huis uit geweest, bezig aan een naaiwerk

dat ze zoo spoedig mogelijk af moest hebben. Ze had om geld te kunnen

verdienen dien morgen de mis niet bijgewoond, want heen en terug zou

haar dat twee uur gekost hebben: armoede dwingt tot zondigen! Toen

haar werk af was, had ze 't naar den klant gebracht, doch deze had

haar alleen beloofd te betalen.

Den heelen dag dacht ze aan de genoegens van den avond. Ze wist dat

haar kinderen zouden thuiskomen en was Voornemens ze te trakteeren. Ze

kocht sardijnen, plukte in haar tuintje de mooiste tomaten omdat ze

wist dat die 't lievelings-eten van Crispin waren. Ze vroeg aan haar

buurman, den filosoof Tasio, een plak wildzwijne-vleesch en een bout

van een wilden eend waar Basilio zooveel van hield. En vol blijde

hoop kookte ze de blankste rijst, die ze zelf had bijeen gegaard

op de dorsvloeren. Dat was inderdaad een pastoorsmaaltijd voor de

arme knapen.

Maar door een ongelukkig toeval kwam haar man en at de rijst, de snede

varkensvleesch, de eendebout, de vijf sardijnen en de tomaten op. Sisa

zeide niets, al was 't haar ook of ze zelf opgegeten werd. Toen hij

verzadigd was, dacht hij eraan naar de kinderen te vragen. Toen kon

Sisa glimlachen, en voldaan nam ze zich voor, dien avond maar niet

te eten, want wat er overbleef was niet genoeg voor drie. De vader

vroeg naar zijn kinderen, en dat was voor haar meer dan eten.

Daarop greep hij zijn haan en wilde heengaan.

"Wil je ze niet zien?" vroeg ze angstig. "De oude Tasio heeft me

gezegd dat ze wat later zouden wezen. Crispin kan al lezen en..,

misschien brengt Basilio zijn loon thuis."

Bij 't hooren van deze reden stond de man stil, weifelde een oogenblik,

maar zijn goede genius zegevierde.

"In dat geval moet je een 'peso' voor me bewaren?" zeide hij, en

stapte op.

Sisa schreide bitter, maar ze dacht weer aan haar kinderen en droogde

haar tranen. Ze kookte nieuwe rijst en maakte de drie sardijnen klaar

die er over waren: elk zou er anderhalf krijgen.

"Ze zullen wel goeden eetlust hebben!" dacht ze, "de weg is lang en

een hongerige maag heeft geen oogen."

Aandachtig luisterde ze naar 't geringste geluid van voetstappen:

krachtig en duidelijk, dan waren ze van Basilio, licht en ongelijk,

dan van Crispin, dacht ze.

De _kalao_ (toekang) had in 't bosch al twee- of drie maal zijn kreet

doen hooren, sinds de regen opgehouden was, en toch kwamen de kinderen

nog maar niet.

Ze deed de sardijnen in den pot om ze warm te houden, en ging naar

den drempel der hut, om naar den weg te kijken. Om zich wat afleiding

te geven, begon ze zachtkens te zingen. Ze had een mooie stem, en

wanneer haar kinderen haar "_koendiman_" (antwoord me) hoorden zingen,

schreiden ze zonder te weten waarom. Doch dien nacht beefde haar stem,

en kwamen de tonen traag voor den dag.

Ze staakte haar zang en peilde met haar blik de duisternis. Er kwam

niemand uit het dorp, behalve de wind, die het water deed druppelen

van de breede bladeren der pisang-boomen.

Plotseling zag ze een zwarten hond voor haar verschijnen. Het dier

sleepte iets voort op het pad. Sisa werd bang, nam een steen op en

wierp ermee naar het dier. Dit zette het op een loopen en jankte

akelig.

Sisa was niet bijgeloovig, maar ze had zooveel over voorgevoelens

en zwarte honden hooren spreken, dat ze door ontzetting aangegrepen

werd. Ze sloot ijlings de deur, en zette zich naast het licht neder. De

nacht begunstigt het geloof aan allerlei akeligs, en de verbeelding

bevolkt de lucht met spoken.

Ze trachtte te bidden, de Heilige Maagd, God aan te roepen dat ze

haar kinderen behoeden zouden, vooral den kleinen Crispin. En haar

gedachten dwaalden af van 't gebed, om alleen aan hen te denken:

aan de gelaatstrekken van hen beiden die haar voortdurend toelachten,

in droomenden en in wakenden toestand. Maar plotseling rezen haar de

haren te berge: zins-begoocheling of werkelijkheid, ze zag Crispin

staan naast den haard, daar waar hij placht te zitten om met haar

te keuvelen. Nu zeide hij niets. Hij keek haar aan met zijn groote,

peinzende oogen, en glimlachte.

"Moeder, doe open! Doe open, moeder!" zeide de stem van Basilio

van buiten.

Sisa huiverde sterk en het vizioen verdween.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 17 / 70 题