Capitán Tiago.
Uw wil geschiede hier op aarde! Capitán Tiago was kort van gestalte,
licht van huidskleur, rond van lichaam en gelaat, dank zij een overmaat
van vet. Dit had hij van den hemel gekregen volgens zijn bewonderaars,
van 't bloed der armen volgens zijn vijanden. Zoo leek Capitán Tiago
jonger dan hij werkelijk was. Men zou hem dertig of vijf-en-dertig
jaar gegeven hebben. De uitdrukking van zijn gezicht was in den
tijd waarin ons verhaal speelt, steeds welzalig. Zijn schedel rond,
klein en bedekt met haar zoo zwart als git, lang van voren en heel
kort van achteren bevatte, naar men zeide, heel wat binnen zijn
bolte. Zijn kleine oogen--die echter niet schuin stonden--veranderden
nooit van uitdrukking. Zijn neus was fijn en niet plat en ware zijn
mond niet vervormd geworden door het misbruik van tabak en "boejo"
(sirih)--waarvan de "sepah", samengedrukt binnenin zijn wang, de
regelmaat van zijn trekken verstoorde--dan zouden we zeggen, dat
hij zich gerust voor een knap man mocht houden en uitgeven, wat hij
ook deed. In weerwil van dat misbruik hield hij zijn tanden echter
steeds blank: zijn eigen en de twee die de tandmeester hem geleverd
had tegen twee "duro's" 't stuk.
Men hield hem voor een van de rijkste grondeigenaars van _Binondo_,
en een van de voornaamste landheeren, door de terreinen die hij in
_Pampanga_ en in de _Laguna de Bay_ bezat, vooral in 't dorp _San
Diego_ waarvan de canon of de pacht met ieder jaar steeg. _San Diego_
was zijn lieveling-plaats om zijn aangename baden, zijn beroemde
"Gallera"--strijdperk voor hanen--en de herinneringen die hij ervan
bewaarde; daar bracht hij op zijn minst twee maanden door.
Capitán Tiago had veel eigen huizen in _Santo Cristo_, in de
_Anloague_- en in de _Rosario_-straat. De opiumpacht was in zijn
handen en in die van een Chinees, en het is onnoodig te zeggen dat
ze er samen kolossale winsten uithaalden. Hij zorgde voor het eten
der gevangenen van _Bilibid_, en voor "zacate"--een paardenvoeder
uit verschillende grassoorten bestaande--aan veel voorname huizen
van Manila, bij kontraktlevering natuurlijk. Op goeden voet met alle
overheids-personen, handig, buigzaam, en zelfs vermetel, waar 't gold
te speculeeren op den nood van zijn evenmensch, was hij de eenige en
gevreesde mededinger van een zekeren Perez ter zake van verpachtingen
en 't publiek verkoopen van allerlei baantjes en bedrijven, die
het bestuur der Filippijnen steeds aan den zorg van particulieren
overlaat. Zoodat in het tijdperk dezer gebeurtenissen Capitán Tiago
een gelukkig man was, voorzoover in die landen een man met een kleine
schedel gelukkig kan wezen: hij was rijk, was op voet van vrede met
Onzen Lieven Heer, met het gouvernement en met zijn medemenschen.
Dat hij op voet van vrede met God was, stond ontwijfelbaar vast, was
bijna een dogma: er was geen enkel motief om niet wel met den goeden
God te zijn, als men 't goed heeft op aarde, wanneer men nooit met Hem
omgegaan heeft en Hem ook nooit geld geleend heeft. Hij had zich in
zijn gebeden nooit tot Hem gewend, zelfs niet in zijn grootsten nood:
hij was rijk en zijn goud bad wel voor hem. Voor missen en smeekbeden
had God immers machtige en trotsche priesters geschapen; voor novenen
en rozenkransen had God armen geschapen ten gunste van de rijken,
arme luitjes die voor éen "peso" bereid zijn, om zestien "mysteriën"
af te bidden en al de heilige boeken te lezen, tot zelfs den bijbel in
't Hebreeuwsch als je den prijs wat verhoogde. En zoo hij ook al eens
in een erg noodgeval geestelijke hulp noodig en zelfs geen enkele
roode Chineesche kaars bij de hand had, dan wendde hij zich tot de
mannelijke en vrouwelijke heiligen van zijn devotie en beloofde hun
veel, om ze te verplichten en ze geheel en al te overtuigen van de
goedheid zijner bedoelingen en verlangens. Doch de heilige aan wie hij
't meeste beloofde en tegenover wie hij 't meest zijn beloften nakwam,
was de Heilige Maagd van _Antipolo_, onze Lieve Vrouw van Vrede en
Goede reis; want tegenover sommige kleine heiligen was de man noch
bijzonder stipt noch strikt eerlijk: soms, wanneer hij gekregen had
wat hij wenschte dacht hij niet meer aan hen--'t is waar, dat hij
ze dan ook niet meer lastig viel als de gelegenheid zich daartoe
voordeed. Capitán Tiago wist, dat er in den kalender veel werklooze
heiligen te bevinden waren, die wellicht daar boven in den hemel
niet wisten wat ze doen moesten. Bovendien schreef hij aan de Lieve
Vrouw van _Antipolo_ grooter macht en baat toe dan aan al de andere
Heilige Maagden. Die deur daar in de zaal, verborgen achter een zijden
gordijn, leidt naar een kapelletje of "oratorio", dat in geen enkel
Filippijnsch huis mag ontbreken: daar staan de huisgoden van Capitán
Tiago. Daar ziet men beelden van de Heilige Familie met bovenlijf en
ledenmaten van ivoor, oogen van glas, lange wimpers en blond haar,
puik beeldhouwwerk van Santa Cruz. Olieverf-schilderijen van Paco en
Hermita stellen martelingen van heiligen, wonderen van de Heilige
Maagd enz. voor. Wie kan dat heirleger van beeltenissen opsommen
en zeggen, welke glanzen en volmaaktheden daar in die schatkamer
verscholen zijn? Er is daar ook een fraaie heilige Michaël van verguld
en geschilderd hout, bijna een meter hoog: hij ziet er vreeselijk
uit, draagt een Grieksch schild en zwaait in de rechterhand een
Djolosche kris, klaar om den vrome of ieder ander die hem te na komt
te treffen--zoo zou men zeggen--veeleer dan de gestaarte en gehoornde
duivel, die zijn slagtanden in zijn juffer-been slaat. Capitán Tiago
dorst hem nooit te naderen, zoo bang was hij voor een wonder. Had hij
daar niet allerlei akeligheden van gelezen: je kon nooit weten. Capitán
Tiago was een voorzichtig en godsdienstig man, hij kwam liever niet
te dicht bij die kris van den heilige Michaël.
Er ging geen jaar voorbij, dat Capitán Tiago niet met een orkest
deelnam aan de bedevaart naar _Antipolo_: dan bekostigde hij twee
dankmissen van de vele, die de "novenario's" vormden en de andere
dagen vulden, waarop er geen novenario's waren. Daarna nam hij een bad
in de beroemde _batis_ of bron, waar hetzelfde heilige beeld gebaad
had. Daar bij die bron moest Capitán Tiago gebraden speenvarken eten,
_sinigang_ van _dalag_ met bladeren van _alibambang_ [6] en andere
min of meer smakelijke gerechten. De twee missen kwamen hem op iets
meer dan vierhonderd peso's, maar dat was nog goedkoop als men naging,
hoe de Moeder Gods geëerd werd met vuurzonnen, vuurpijlen, bommen en
mortier-schoten; als men de groote winsten kon berekenen, die hij in
den verderen loop van 't jaar, dank zij die missen, zou maken.
Doch Antipolo was niet het eenige tooneel van zijn geruchtmakende
vroomheid. Te Binondo, in Pampanga en in 't dorp San Diego zond hij
aan den pastoor goudstukken voor gunstig-stemmende missen, wanneer hij
daar een grooten inzet gedaan had op een haan, die er voor hem vechten
moest. Capitán Tiago hield er zijn voorteekenen op na: hij lette op de
vlam der kaarsen, op het opstijgen van den wierook-walm, op de stem
van den priester enz., en uit den indruk, dien hij daarvan kreeg,
maakte hij zijn winkansen op. 't Is algemeen bekend dat Capitán maar
zelden een weddenschap verloor, en die enkele keeren was dat te wijten,
of aan den dienstdoenden priester, die schor was, of 't kwam omdat
er weinig lichten aan waren, dat de waskaarsen veel talk bevatten,
of dat er een valsch geldstuk tusschen de gezonden munten voorkwam,
enz., enz. Dat waren immers maar kleine beproevingen des hemels om
hem vaster in 't geloof en in de devotie te maken. Bemind bij de
pastoors, geëerbiedigd door de kosters, op de handen gedragen door de
Chineesche kaarsen-verkoopers en vuurwerk-makers, was de man gelukkig
in den godsdienst hier op aarde, en menschen van karakter en groote
vroomheid schreven hem ook grooten invloed toe aan 't hemelsche Hof.
Dat hij in vrede leefde met het bestuur, daar viel niet aan te
twijfelen, hoe moeilijk de zaak ook leek. Niet in staat om een
nieuwe gedachte te vatten of voor te stellen en tevreden met zijn
"modus vivendi", was hij steeds bereid om te gehoorzamen aan 't
alleronbeduidendst ambtenaartje, om geschenkjes te zenden bestaande in
hammen, kapoenen, kalkoenen, Chineesche vruchten op alle tijden van
't jaar. Hoorde hij kwaad spreken van de inlanders, dan stemde hij,
die zich niet tot hen rekende, dadelijk in met het koor en sprak nog
erger kwaad; werd er kritiek geoefend op de Chineesche of Spaansche
kleurlingen, dan kritizeerde hij hard mee; wellicht omdat hij zich
voor een volbloed Spanjool hield. Hij was de eerste om iedere nieuwe
belasting toe te juichen, vooral wanneer hij er een verpachting of
kontraktje achter rook. Hij had altijd muziek-korpsen bij de hand
om geluk te wenschen of serenades te brengen aan alle mogelijke
gouverneurs, burgemeesters, fiskaals enz., enz., op hun heiligen-
of jaardagen, bij geboorte of dood van een hunner bloedverwanten, in
't kort bij iedere kleine afwisseling in de gewone eentonigheid van
hun bestaan. Daarvoor liet hij dan lofdichten en hymnen schrijven.
Hij was voorzitter van de rijke vereeniging van kleurlingen. In
de twee jaren van zijn bestuur werkte hij zich door tien "rokken",
evenzooveel hooge hoeden en een half dozijn stokken; de rok en de
hoed in den gemeenteraad, in _Malakanjang_ en in de kazerne; de hooge
hoed en de rok bij het hanengevecht, op de markt, bij de processies,
in de winkels der Chineezen. En onder zijn hoed en in zijn rok
zweette Capitán Tiago door 't gezwaai met zijn stok met het kwastje,
beredderde, regelde en ontredderde hij alles met een wonderbaarlijke
bedrijvigheid en ernst, die nog wonderbaarlijker was. Zoo zagen de
autoriteiten in hem een man bezield met den besten wil, vreedzaam,
onderworpen, gehoorzaam, niet wars van onthalen en aanhalen, die
nooit een enkel boek of tijdschrift uit Spanje las, ofschoon hij
goed Spaansch sprak. Ze beschouwden hem met de gewaarwording, waarmee
een arm student kijkt naar de afgesleten hak van zijn ouden schoen,
scheefgetrokken door zijn manier van loopen.--Op hem waren de beide
zaligsprekingen--christelijk en profaan--van toepassing: "zalig zijn
de armen van geest" en "zalig zijn de bezitters." De onvromen hielden
hem voor een zot, de armen voor een hardvochtig uitbuiter der ellende,
en zijn ondergeschikten voor een dwingeland. En de vrouwen? Och, och,
de vrouwen! Laster-geruchten gonsden in de armzalige _nipah_-huisjes
en men verzekert dat er daar klachten en snikken gehoord werden,
vermengd nu en dan met het gekrijt van een kind. Meer dan één jong
meisje werd met den vinger smadelijk nagewezen door de dorpsmenschen:
ze kijkt met doffen blik en haar boezem is verwelkt. Doch deze dingen
benamen hem den slaap niet. Geen enkel jongmeisje roofde hem zijn rust:
't was een oudje, dat hem lijden deed, een oudje dat hem concurrentie
aandeed in de vroomheid en dat van de pastoors meer geestdriftige
loftuitingen en vleitaal verdiend had dan hij in zijn beste dagen
had kunnen verwerven.
Tusschen Capitán Tiago en deze weduwe, erfgename van broeders en
neven, bestond een heilige wedijver die der kerk tot heil strekte,
evenals de concurrentie der stoombooten van Pampanga toentertijd ten
goede kwam aan het publiek.
Gaf Capitán Tiago een zilveren stok met smaragden en topazen aan
de een of andere Heilige Maagd, wel dan was Doña Patronicio al aan
't bestellen van een ander van goud met diamanten bij den juwelier
Gadáunez. Richtte Capitán Tiago voor de processie van kerstmis
een eereboog op met twee vlakken, van opgebold doek met spiegels,
glazen ballons, lampen en kronen, dan wist Doña Patronicio er voor
een te zorgen met vier vlakken, twee el hooger, met meer behangsels en
sieraden. Doch dan nam hij zijn toevlucht tot zijn specialiteit: tot de
missen met bommen en vuurwerk, en dan moest Doña Patronicio met haar
tandvleesch op haar lippen bijten; want, daar ze erg zenuwachtig was,
was ze niet in staat het klokken-gelui en nog minder het geknal van
't vuurwerk te verdragen. Terwijl hij in zijn vuistje lachte, zon zij
op wraak en betaalde met het geld van anderen de beste redenaars van de
vijf corporaties te Manila, de beroemdste kanunniken der kathedraal en
zelfs de Paulisten, om op de plechtige dagen over theologische en zeer
diepzinnige onderwerpen te prediken tot de zondaren, die alleen wat
straat-Spaansch verstonden. Geen wonder dat Capitán Tiago haar uit den
grond van zijn hart het verlies van vijf of zes van haar processen of,
nog liever, een zalig maar spoedig uiteinde toewenschte. Maar ze had
goede advokaten en een gezondheid, waar geen ziekte vat op had. Als ze
ooit heilig verklaard werd--wat haar vereerders vast geloofden--dan
was Capitán Tiago bereid haar zelfs aan de altaren te aanbidden,
mits ze maar spoedig hemelwaarts trok.
Zoo was Capitán Tiago toen. Wat zijn verleden aangaat, hij was de
eenige zoon van een suikerplanter van Malabón, tamelijk welgesteld,
maar zoo gierig dat hij geen rooie duit wilde uitgeven voor de
opvoeding van zijn zoon. Daarom werd de kleine Santiago bediende bij
een goeden dominikaan, een zeer deugdzaam man, die hem al het goede dat
hij kon en wist, trachtte te leeren. Toen hij juist aan de studie van
"de logica" zou beginnen, stierf zijn beschermer en kort daarop zijn
vader, zoodat er een eind kwam aan zijn studiën. Toen moest hij zich
aan de zaken wijden. Hij trouwde met een mooi meisje uit Santa Cruz,
dat hem hielp fortuin maken en hem zijn maatschappelijke positie
gaf. Doña Pia Alba vergenoegde zich niet met het opkoopen van suiker,
koffie en indigo: ze woû zaaien, en zoo kocht het nieuwe echtpaar grond
in San Diego. Van dien tijd dateerde zijn vriendschap met pater Dámaso
en met Rafael Ibarra, toenmaals de rijkste kapitalist van 't dorp.
Het uitblijven van een erfgenaam in de eerste zes jaren van zijn
huwelijk maakte van dat streven naar rijkdom bijna een laakbare
eerzucht, en toch was Doña Pia welgevormd, sterk en gezond. Hij
probeerde van alles: liet missen lezen, bezocht heilige plaatsen,
gaf aalmoezen en meer zoo, maar alles te vergeefs. Totdat Fray Dámaso
hem aanraadde naar _Obando_ te gaan; daar danste hij 't feest van San
Pascual Bailón en vroeg om een zoon. 't Is bekend dat er te _Obando_
een Drievuldigheid is, die zoons en dochters schenkt ter keuze: Onze
lieve Vrouw van _Salambau_, de heilige Clara en San Pascual. Dankzij
deze wijze raad, voelde Doña Pia, dat ze moeder zou worden.... Ach,
't ging haar als de visscher uit Macbeth, die ophield met zingen,
toen hij een schat gevonden had: zij verloor haar vroolijkheid, werd
bedroefd en men zag haar niet meer lachen. Och, allemaal grilletjes van
een zwangere! zei iedereen, tot zelfs Capitán Tiago. Een kraamkoorts
maakte een einde aan haar droefheid, terwijl ze een mooi dochtertje
als weesje achterliet. Fray Dámaso hief het zelf ten doop. En daar San
Pascual niet de jongen geschonken had, waarom hij gevraagd was, gaven
ze haar de namen _Maria Clara_ ter eere van de Maagd van Salambau
en Santa Clara, terwijl San Pascual Bailón tot straf verloochend
werd. Het meisje groeide op onder de verzorging van tante Isabel,
de pater vereerende oude, die wij in 't begin van ons verhaal hebben
ontmoet. Ze woonde het grootste deel van 't jaar te San Diego om het
gezonde klimaat, en daar vertroetelde Fray Dámaso zijn petekind. Maria
Clara had niet de kleine oogen van haar vader: evenals haar moeder
had zij ze groot, donker, overschaduwd door lange wimpers, vroolijk
en lachend wanneer ze speelde, droevig, diep en peinzend wanneer ze
stemmig keek. Als kind had haar lokkig haar een bijna blonde tint. Haar
neus was zuiver geteekend en noch scherp noch plat; de mond herinnerde
aan de kleine en bevallige van haar moeder, met de snakige kuiltjes
in de wangen. Haar huid had de fijnheid van een uie-schilletje en
de witheid van katoen, zooals haar dolverliefde familieleden zeiden,
die de trek van Capitán Tiago's vaderschap herkenden in Maria Clara's
kleine en welgevormde ooren.
Tante Isabel schreef die eigenaardigheden toe aan
zwangerschaps-invloeden bij Doña Pia: ze herinnerde zich dat ze
haar in de eerste maanden herhaalde malen had zien schreien voor
de beeltenis van den heiligen Antonius. Een andere nicht van Capitán
Tiago was van hetzelfde gevoelen: alleen verschilde die in de keuze van
heilige. Voor haar was het òf de Heilige Maagd, òf Sint Michaël. Een
beroemd wijsgeer, neef van Capitán Tiago, en die zijn Amat [7] uit
het hoofd kende, zocht de verklaring in planeet-invloeden.
Maria Clara, afgod van iedereen, groeide op onder lachjes en
liefkozingen. Zelfs de geestelijke broeders vertroetelden haar,
wanneer ze haar bij de processies in 't wit kleedden, haar weelderige
lokkentooi doorstrengeld met _tjempaka's_ en leliën, met twee zilveren
en gouden vleugeltjes aan den rug van haar kleedje en twee witte duiven
met blauwe lintjes vastgemaakt, in de hand. En dan was ze zoo vroolijk,
ze kon zoo echt kinderlijk babbelen, dat Capitán Tiago buiten zich
zelve van liefde voor haar, niet ophield met de heiligen van Obando
te zegenen en iedereen aan te raden er zich mooie beeldjes van aan
te schaffen.
In tropische landen wordt een meisje van dertien of veertien jaar
vrouw, gelijk de bloemknop, die 's nachts nog gesloten den volgenden
ochtend reeds bloem is. In dit overgangstijdperk vol mysteriën en
romantisch gedweep ging Maria Clara op raad van den pastoor van
_Binondo_ naar de kloosterschool van Santa Catalina, om van de
nonnen daar een strenge, godsdienstige opvoeding te erlangen. Met
tranen nam ze afscheid van pater Dámaso en van den eenigen vriend
met wien ze in haar kindsheid gespeeld had, van Crisóstomo Ibarra,
die daarna ook naar Europa vertrok. Daar in het klooster, dat met de
buitenwereld slechts verbinding had door een dubbel tralie-werk vóór
de vensters en dan nog alleen onder toezicht van de "waakzuster",
bracht ze zeven jaar van haar leven door.
Ieder met zijn bijzondere oogmerken en de wederzijdsche genegenheid
der jongelieden begrijpende, kwamen don Rafael en Capitán Tiago
overeen hun kinderen te laten trouwen en vereenigden ze zich onder een
firma. Deze gebeurtenis, die plaats had eenige jaren na het vertrek
van den jongen Ibarra, werd met gelijken jubel gevierd door twee
harten, die elk in een uiteinde der wereld en in zeer verschillende
omstandigheden verkeerden.