Idylle op een plat dak.
Tante Isabel en Maria Clara waren dien morgen vroeg naar de mis gegaan;
deze smaakvol gekleed, met een rozenkrans van blauwe kralen, die haar
half als armband diende en de ander met haar bril op, om gedurende
het Heilige Offer het "Anker der Redding" te lezen.
Nauw was de priester van 't altaar verdwenen of het jonge meisje gaf
haar verlangen te kennen om heen te gaan, tot groote verwondering en
ergernis der goede tante, die haar nichtje voor vroom en bidvaardig
hield, niet minder dan een non. Morrend en onder 't slaan van kruisjes
stond de goede oude op.
"Och, de goede God zal 't wel vergeven. Hij zal 't hart van de
jonge meisjes wel beter kennen dan u, tante," had de ander tot haar
gezegd, om een einde te maken aan haar strenge, hoewel tenslotte
moederlijk-bedoelde verwijten.
Nu waren ze bedaard en Maria Clara gaf afleiding aan haar ongeduld
met het haken van een zijden beursje, terwijl tante de sporen van
't afgeloopen feest wilde uitwisschen en haar veeren stoffer begon
te hanteeren. Capitán Tiago was bezig wat papieren na te kijken en
door te lezen.
Ieder gedruisch op straat, ieder rijtuig dat voorbijkwam, deed den
boezem van 't meisje popelen en beven. Ach, nu wou ze wel weer in
't rustige klooster wezen, onder haar vriendinnen! Daar kon ze "hem"
ten minste zonder angst of verlegenheid te zien krijgen....
"Ik geloof, Maria, dat de dokter gelijk heeft," zei Capitán Tiago. "Je
moet naar boven, je bent erg bleek, je hebt verandering van lucht
noodig. Wat dunkt je, _Malabón_....of _San Diego_?"
Bij dezen laatsten naam werd Maria Clara zoo rood als een klaproosje
en kon ze niet antwoorden.
"Je moet nu maar met tante Isabel naar de kloosterschool gaan om
je kleeren te halen en afscheid te nemen van je vriendinnen," ging
Capitán Tiago voort, zonder 't hoofd op te heffen, "je gaat er daarna
niet meer heen."
Maria Clara voelde dien vagen weemoed, welke zich meester maakt over
de ziel, wanneer men voor altijd een oord gaat verlaten, waar men
gelukkig geweest is, doch een andere gedachte verdreef die smart.
"En over vier of vijf dagen, wanneer je je goed hebt, gaan we naar
Malabón.... je peetvader is niet meer in _San Diego_. De pastoor,
dien je gisteravond hier gezien hebt, die jonge pater, is de nieuwe
pastoor dien we daar nu hebben. 't Is een heilige."
"San Diego staat haar beter aan, neef!" merkte tante Isabel
op. "Bovendien hebben we daar een beter huis en het feest is op komst."
Maria Clara had haar tante wel willen omhelzen, maar ze hoorde een
rijtuig stilstaan, en werd bleek.
"O ja, dat is waar!" antwoordde Capitán Tiago en van toon veranderend,
hervatte hij:
"Don Crisóstomo!"
Maria Clara liet het werkje vallen, dat ze in de hand had; ze
wilde opstaan, maar ze kon niet, een zenuwachtige huivering ging
haar door 't lichaam. Men hoorde stappen op de trap en daarna een
heldere mannelijke stem. Als had die stem tooverkracht bezeten,
onttrok het jongemeisje zich aan haar ontvoering en liep hard weg,
om zich te verschuilen in het bidkapelletje, waar de heiligenbeelden
stonden. Neef en nicht begonnen te lachen en Ibarra hoorde nog het
gedruisch van een deur die gesloten werd.
Bleek, snel ademend, drukte het jongemeisje de handen op haar
popelenden boezem en wilde luisteren. Ze hoorde de stem, die zoo
geliefde stem, die ze nu al zoolang alleen in haar droomen gehoord
had. Hij vroeg naar haar. Dol van vreugde kuste ze den heilige, die
't dichtst bij de hand stond, den heiligen Antonius. Daarna zocht
ze een gaatje om naar hem te kijken, hem op te nemen; ze zag door
't sleutelgat, dat hij glimlachte en toen haar tante haar in haar
aanschouwing stoorde, sloeg ze, zonder goed te weten wat ze deed,
haar armen om den hals van 't oudje en overstelpte haar met kussen.
"Maar, dwaas kind, wat scheelt je?" kon de oude ten slotte uitbrengen,
terwijl ze een traan uit haar verwelkte oogen wegpinkte.
Maria Clara werd verlegen en bedekte zich de oogen met haar molligen
arm.
"Kom, maak je klaar, gauw!" voegde de oude op hartelijken toon eraan
toe, "terwijl hij met je vader over jou spreekt... kom, laat hem niet
op je wachten."
De jonge vrouw liet zich leiden als een kind en beiden sloten zich
op in haar kamer.
Capitán Tiago en Ibarra waren in levendig gesprek toen tante Isabel
verscheen, die haar nichtje half met zich meesleepte, terwijl deze
overal heen keek, behalve naar de menschen.
Zij en de jonge man wisselden daarna slechts één blik: hun ontroering
vond geen woorden.
En daarna, toen het verliefde paartje, vluchtend voor den stoffer
van tante Isabel die zich weer roerde, naar het platte dak ging om
vrij te praten, wat vertelden ze elkaar toen daar tusschen de kleine
klimop-leidingen, zoodat gij ervan huiverdet, roode bloempjes van 't
"engelen haar"? Vertelt het, gij die geuren in uw adem, kleuren op uw
lipjes hebt; gij zefir die vreemde melodieën leerdet in 't geheim van
den duisteren nacht, in 't mysterie onzer maagdelijke wouden; vertelt
het, zonnestralen, schitterende openbaring des Eeuwigen op aarde,
eenig onstoffelijk wezen in de wereld van materie, vertelt het, gij,
want ik vind niets dan prozaïsche malligheid!
Maar nu gij niet wilt, zal ik 't zelf toch maar probeeren.
De hemel was blauw. Een frisch windje, dat niet naar rozen rook, bewoog
de bladeren en bloemen der klimplanten--daarom huiverde het "engelen
haar"--de glazen ballons, de gedroogde visschen en de Chineesche
lampen. Het geplas van een "sagoean" (roei-riem uit één stuk hout)
in de troebele wateren der rivier, het rollen der rijtuigen en karren
over de _Binondo_-brug drongen duidelijk tot hen door; maar niet wat
de tante mompelde:
"Heel goed zoo, daar worden jullie door de heele buurt in 't oog
gehouden", zeide zij.
In 't eerst zeiden ze alleen maar dwaasheden, die zoete dwaasheden
veel gelijkend op grootspraak voor de Europeesche menschen; smakelijk
als honig voor de lieden van 't land, maar lach- of ergernis-wekkend
voor vreemdelingen.
"Heb je altijd aan me gedacht?" vraagt zij jaloersch. "Heb je me
op je vele reizen niet vergeten? Zooveel groote steden met zooveel
mooie vrouwen!"....
Hij weet de vragen te ontwijken en is een beetje vrij met de waarheid.
"Zou ik je kunnen vergeten?" antwoordt hij, terwijl hij verrukt
in haar donkere pupillen staart. "Kon ik ooit een heilige belofte
schenden? Herinner je je dien stormachtigen nacht nog wel toen je me
zoo alleen zag schreien bij 't lijk van mijn moeder en je naar mij
toekwam, je hand op mijn schouder lei--je hand, die je me al een heelen
tijd niet toeliet vast te houden--en dat je toen tegen me zei: 'Gij
hebt je moeder verloren: ik heb er nooit een gehad'... en dat je toen
samen met me schreide? Jij hield van haar en zij van jou als van een
dochter. Buiten regende en donderde het, maar 't was me of ik muziek
hoorde, alsof ik het bleeke gezicht van de doode zag glimlachen.... O,
als mijn ouders nog leefden... en je konden zien! Ik greep toen
je hand en die van mijn moeder, ik zwoer je lief te hebben en je
gelukkig te zullen maken, welk lot me ook door den hemel beschoren
zou worden. Die eed heeft me nooit bezwaard, en daarom vernieuw ik
dien nu. Kon ik je vergeten? Je leek me daar in 't verre Europa mijn
fee, de geest, de dichterlijke vleeschwording van mijn vaderland,
mooie, eenvoudige, kinderlijke dochter van 't Filippijnsche land, 't
heerlijke land, dat de deugden van 't Spaansche moederland vereenigt
met de schoone eigenschappen van een jong volk, zooals zich in jouw
wezen al het schoone van beide rassen vereenigt. Daarom smelten de
liefde voor jou en die ik mijn vaderland toedraag inéén. Hoe kon ik
je vergeten? Overal stond je beeld me voor den geest, overal was
't of ik je naam hoorde. Waar ik ook was, in Duitschland met zijn
koude winters, zijn lange nachten en schemeravonden, in 't zonnig
Italië en de heerlijke landschappen van Andaloezië, waar de lucht
vol is van geuren, waar overal oostersche herinneringen zweven,
daar spraken me al de poëzie en al de kleurenpracht van jouw liefde..."
"Ik heb niet zooveel gereisd als jij: ik ken alleen Manila
en Antipolo--jouw land," antwoordde zij glimlachend; "maar van
't oogenblik dat ik je vaarwel zei en naar 't klooster ging, heb ik
altijd aan je gedacht en ik heb je niet vergeten, wat mijn biechtvader
me ook beval en welke boetedoeningen die me ook oplegde. Ik herinner
me alles van onze spelen, van onze ruzies, toen we kleine kinderen
waren. Herinner je je nog dien keer, toen je werkelijk boos waart? Ik
vond het toen vreeselijk, maar later in 't klooster lachte ik erom en
verlangde er naar, dat ik weer 's zoo ruzie met je kon hebben... om dan
daarna weer goede vrienden te worden. Weet je nog toen we met je moeder
samen in dat beekje gingen baden? Jij was, toen ik de mooie vlinders
achterna liep, ineens weg en toen je terugkwam had je een krans van
blaren en bloemen bij je; dien zette je op mijn hoofd en noemde me
Cloë. Ik maakte er toen ook een voor jou van klimop. Maar je moeder
pakte gauw mijn krans, wreef die fijn met een steen, samen met de
'gogo'--een soort 'merang'--waarmee ze onze hoofden zou wasschen. Jij
kreeg tranen in de oogen en zei, dat zij niets van de mythologie
begreep. 'Och, domme jongen,' antwoordde je moeder toen, 'je zult
merken, hoe lekker je haren straks zullen ruiken.' Ik begon te lachen,
jij waart boos, je wou niet met me praten en de rest van den dag keek
je zoo ernstig, dat ik wel lust had om te huilen. Toen we teruggingen
naar 't dorp en de zon zoo vreeselijk brandde, plukte ik salie-blaren
voor je, die aan den kant van den weg groeiden en ik gaf je die,
om ze in je hoed te doen, dat je geen hoofdpijn zou krijgen. Toen
lachte je weer, ik greep je hand en we waren weer goeie maatjes."
Ibarra keek erg gelukkig, haalde zijn zak-portefeuille voor den dag en
nam er een papier uit, waarin een paar zwartachtige droge en geurige
blaadjes ingepakt waren.
"Jouw salie-blaadjes!" antwoordde hij op haar blik.
"Dat 's alles wat je me ooit gegeven hebt."
Zij haalde op haar beurt snel een zakje van wit satijn uit haar boezem.
"Afblijven!" riep ze, en gaf hem een tik op zijn hand.
"Niet aankomen: dat 's een afscheidsbrief."
"Is het de brief, dien ik je voor mijn vertrek geschreven heb?"
"Heb je me soms ooit een andere geschreven, mijn heer?"
"En wat had ik je daarin te vertellen?"
"O, 'n boel fopperij!" antwoordde zij lachend, terwijl ze te kennen
gaf hoe welgevallig haar die leugentjes waren. "Stil! ik zal je den
brief voorlezen, maar ik zal je verliefderigheden maar overslaan,
om je te sparen."
En het blad papier op de hoogte van haar oogen houdende, om te maken,
dat de jongeman haar gezicht niet zag begon ze:
"Mijn... ik lees niet wat er nu volgt, want dat is een leugentje,"
en ze doorliep eenige regels met de oogen. "Mijn vader staat erop,
dat ik vertrekken zal, in weerwil van mijn smeeken.--"Je bent nu
een man, heeft hij tot me gezegd, je moet de wetenschap van 't leven
leeren: die kan je eigen land je niet geven; dan kun je later nuttig
zijn voor je vaderland. Als je bij mij blijft, in deze atmosfeer van
vooroordeelen, zal je gezichtskring nooit ruim worden. En wanneer je
eenmaal alleen staat, zal je gaan als de plant, waarvan onze dichter
Baltasar spreekt: "Opgegroeid in 't water, verwelken haar bladeren,
zoodra men ze maar een korten tijd niet begiet. Een oogenblik van
hitte doet haar verdorren." Wel, kijk, je bent bijna een jonge man,
en je schreit nog!"--Dit verwijt trof me en ik bekende, dat ik je
liefhad. Mijn vader zweeg, dacht even na en zijn hand op mijn schouder
leggend, zeide hij me met bevende stem: "Denk je, dat jij alleen kunt
liefhebben, dat je vader niet van jou houdt en 't niet naar vindt van
je te scheiden? Kort geleden hebben we je moeder verloren. Ik word al
zoetjes-aan oud, en ik kom zoo op den leeftijd, dat men den steun en
de troost aan de jeugd zoekt. En toch aanvaard ik mijn eenzaamheid,
al weet ik ook, dat ik je misschien nooit terugzie. Maar ik moet aan
dingen van grooter belang denken... De toekomst opent zich voor je,
voor mij gaat ze sluiten. Jouw liefdesleven begint net, 't mijne gaat
verdwijnen. Bij jou kookt het bloed in de aderen, bij mij dringt de
koude erin. En toch schrei je, en kun je 't heden niet opofferen voor
een morgen, die nuttig kan wezen voor jou en voor je land!"--Mijn
vaders oogen vulden zich met tranen, ik viel voor hem op de knieën,
omhelsde hem, vroeg hem om vergiffenis en zeide hem dat ik bereid
was te vertrekken."
Ibarra's ontroering belette haar verder te lezen: de jongeman
was bleek, en stapte van 't eene uiteinde van het platte dak naar
't andere.
"Wat scheel je? wat is er?" vroeg zij hem.
"Jij hebt me doen vergeten, dat ik mijn plichten heb, dat ik nu
dadelijk naar 't dorp moet vertrekken. Morgen is het Allerzielen."
Maria Clara zweeg, zag hem een oogenblik met haar groote droomoogen
aan en een paar bloemen plukkende zeide ze aangedaan:
"Ga, ik hou je niet tegen. We zien elkaar over eenige dagen terug! Leg
die bloemen op 't graf van je vader!"
Eenige oogenblikken later ging de jongeling de trap af, vergezeld
door Capitán Tiago en tante Isabel, terwijl Maria Clara zich in het
bidkapelletje opsloot.
"Wees zoo goed aan Andeng te zeggen dat ze het huis in orde moet
maken want Maria en Isabel komen gauw! Goeie reis!" zeide Capitán
Tiago, terwijl Ibarra in 't rijtuig stapte, dat daarop wegreed in de
richting van het San Gabriël-plein.
En toen zeide hij bij wijze van troost tot Maria Clara, die lag te
schreien naast een beeld van de Heilige Maagd:
"Kom, steek twee kaarsen van twee realen aan, de één ter eere
van San Rogue en de ander voor San Rafael, de schutspatroon der
reizigers! Steek ook de lamp aan van onze Lieve Vrouw van Vrede en
Goede Reis, want er zijn een boel _toelisan's_ (roovers). 't Is beter
nu vier realen te besteden aan was en zes voor olie dan later een
bom duiten te moeten uitgeven als losgeld."