Een ster in den duisteren nacht.
Ibarra ging naar zijn kamer die op de rivier uitzag en liet zich in
een leuningstoel neervallen, om door 't open raam te turen naar de
wijde ruimte daar voor hem.
In 't huis aan den overkant was licht en gerucht van vroolijke stemmen;
als hij een tooneelkijker gehad had, zou hij er heel wat bijzonderheden
van 't levendig schouwspel hebben kunnen waarnemen.
Doch Ibarra zag niets van dat al: zijn oogen aanschouwden heel wat
anders. Vier kale, vuile muren omsloten een kleine ruimte; in een
daarvan was heel in de hoogte een getralied venster; op den walgelijk
smerigen vloer een mat en op die mat lag een zieltogende grijsaard. De
oude man, die moeilijk ademhaalde, wendde den blik overal heen en
sprak schreiend een naam uit. Hij was alleen. Men hoorde nu en dan
het gedruisch van een ketting of een gekreun door den wand heen... en
dan daar heel in de verte een vroolijk feest, bijna een bacchanaal,
een jongmensch lacht, schreeuwt, giet wijn over de bloemen onder
toejuiching en opgewonden gelach der anderen. En de oude man had de
trekken van zijn vader, het jongmensch leek op hem en de naam door
den ouden grijsaard weenend uitgesproken was de zijne!
De lichten in het huis aan den overkant werden uitgedaan, de muziek
en het gedruisch hielden op, maar Ibarra hoorde nog de angstkreten
van zijn vader, die den zoon zocht in zijn laatste ure.
De stilte had haar hollen adem over Manila laten gaan en alles scheen
te slapen in de armen van het niet. Men hoorde het hanengekraai
afwisselen met de klokslagen der torens en met het klagelijk
roepen van den druiligen schildwacht. Een stukje maan begon zich te
vertoonen. Alles scheen te rusten, ja, zelfs Ibarra sliep ook reeds,
wellicht vermoeid van de reis.
Doch de jonge Franciskaan, die kort te voren onbeweeglijk en stil
naar de liefelijke verschijning had gekeken--het jonge meisje, dat
het middelpunt had uitgemaakt van 't feest aan den overkant--zonder
aan de feestvreugde deel te nemen, sliep niet maar waakte. Met den
elleboog op de vensterbank van zijn cel, het bleeke en magere gelaat
geleund op de palm van zijn hand, staarde hij stil naar een verre
ster, die daar schitterde aan den duisteren hemel. De ster verbleekte
en verdween, de afnemende maan verloor haar flauwe glanzen, maar de
monnik verroerde zich niet van zijn plaats: hij keek naar de verre
kim, die wegzonk in de ochtendnevelen, naar het veld van Bagumbayan,
naar de zee die nog lag te slapen.