Ketter en opstandeling.
Ibarra was onzeker. De avondwind, welke in die maanden te Manila reeds
vrij frisch pleegt te zijn, scheen de lichte wolk van zijn voorhoofd
te wisschen waardoor het verduisterd was; hij nam zijn hoed af en
ademde op.
Rijtuigen flitsten voorbij als bliksemstralen, huur-"kalessen"
kwamen met druilige stap langs hem heen, voetgangers van allerlei
nationaliteit kruisten zijn pad. Met den ongelijkmatigen gang van
den afgetrokkene of werklooze richtte zich de jongeling naar het
_Binondo_-plein--Binondo is een voorstad--en keek overal om zich heen,
alsof hij iets herkennen wilde.
Het waren dezelfde straten op dezelfde wijze wit en blauw geverfd,
met gewitte of als graniet-imitatie geschilderde muren; de kerktoren
vertoonde nog steeds zijn klok met de doorzichtige wijzerplaat;
't waren nog dezelfde Chineesche winkels met hun vuile gordijnen en
hun ijzeren roeden, waarvan hij er eens op een nacht een verbogen had,
net zooals de onopgevoede Chineezen van Manila doen.
Niemand had het ding weer recht gebogen!
"'t Gaat langzaam hier!" mompelde hij, en volgde de Calle de la
Sacristia. [4]
De verkoopers van sorbets riepen nog steeds: "_Sórbetee_"; de "huepes"
of lampjes verlichtten nog altijd dezelfde stalletjes van Chineezen
en vrouwen die eetwaren en vruchten verkochten.
"'t Is wonderlijk!" riep hij uit, "dat is dezelfde Chinees van zeven
jaar geleden en die ouwe vrouw ... dezelfde!
"Je zou zeggen, dat ik van nacht gedroomd had van een zevenjarige
reis door Europa! ... en, wel allemachtig! die steen daar is nog net
zoo van zijn plaats als ik hem gelaten heb!"
Inderdaad zat de steen op den hoek van het wandelpad der Calle de la
Sacristia nog los.
Terwijl hij bezig was dit wonder der stedelijke bestendigheid te
beschouwen, werd er zacht een hand op zijn schouder gelegd. Hij hief
het hoofd op en stond tegenover den ouden luitenant, die hem bijna
lachend aankeek; de krijgsman had niet meer de harde uitdrukking met
de gefronste wenkbrauwen, die hem zoo zeer kenmerkte.
"Jongmensch, u moet voorzichtig zijn! Neem een les aan uw vader!" zeide
hij.
"Neem me niet kwalijk, maar 't komt me voor dat u veel van mijn vader
gehouden heeft. Zou u me niet kunnen zeggen hoe 't toch met hem gegaan
is?" vroeg Ibarra hem aanziende.
"Hoe zoo, weet u dat dan niet?" vroeg de ander.
"Ik heb het don Santiago gevraagd, maar hij woû 't me eerst morgen
zeggen. Weet u 't misschien?"
"Wel natuurlijk, net als iedereen! Hij is in de gevangenis gestorven."
De jongeman trad een schrede terug en keek den luitenant strak aan.
"In de gevangenis? Wie is in de gevangenis gestorven?" vroeg hij.
"Mijn lieve man, uw vader: hij zat gevangen!" ging de krijgsman
eenigszins verwonderd voort.
"Mijn vader ... in de gevangenis.. zat hij gevangen? Wat zegt u? Weet
u wie mijn vader was? Bent u wel...?" vroeg de jonge man, den officier
bij den arm vattend.
"Ik geloof, dat ik me niet vergis: 't was don Rafael Ibarra."
"Jawel, don Rafael Ibarra!" riep de jongeman zwakjes.
"Och, ik dacht dat u 't wist!" mompelde de militair op medelijdenden
toon, toen hij zag wat er in Ibarra's ziel omging. "Ik veronderstelde,
dat u..... maar laat u niet ontmoedigen! Hier kun je niet een eerlijk
man zijn zonder 's in de gevangenis gezeten te hebben!"
"Ik moet aannemen dat u geen gekheid met me maakt", hervatte Ibarra
met flauwe stem na eenige oogenblikken zwijgens. "Kan u me ook zeggen
waarom hij in de gevangenis was?"
De oude man scheen zich te bedenken.
"'t Verwondert mij zeer dat ze u heelemaal niet op de hoogte van uw
familie-aangelegenheden gesteld hebben."
"In zijn laatsten brief van een jaar geleden zeide hij mij, dat ik
niet ongerust moest wezen als hij me niet schreef, want hij zou 't
erg druk hebben. Hij beval me aan voort te gaan met studeeren.... Hij
zond me zijn zegen!"
"Nu, dan heeft hij u dien brief vlak voor zijn dood geschreven:
't zal gauw een jaar zijn dat we hem in zijn dorp begraven hebben."
"Om welke reden was mijn vader gevangen?"
"Om een zeer eervolle reden. Maar wilt u met me mee gaan? Ik ga naar
de kazerne; ik zal 't u onderweg vertellen. Geef u me maar een arm."
Ze liepen een poos zwijgend naast elkaar voort: de oude man scheen
na te denken en streek onderwijl aan zijn sik, als verwachtte hij
daarvan inspiratie.
"Zooals u zeer goed weet", begon hij, "was uw vader de rijkste man
in de provincie en ofschoon hij bij velen bemind en geëerd was,
waren er weer anderen die hem haatten of benijdden. Wij Spanjaarden,
die naar de Filippijnen komen, zijn ongelukkigerwijze niet wat we
moesten wezen; ik zeg dit zoowel voor een van uw voorouders, als
voor uw vaders vijanden. De voortdurende vervanging door anderen,
het zedelijk verval van de hoogere kringen, het werken met kruiwagens,
het goedkoope en korte van de reis: dat heeft de schuld van alles. Hier
komt het uitvaagsel van 't moederland en als er nog 's een goede komt,
dan bederft hij gauw hier in 't land. Nu dan, uw vader had onder de
pastoors en de geboren Spanjaarden heel veel vijanden."
Hier zweeg hij even.
"Eenige maanden na uw vertrek begonnen de onaangenaamheden met pater
Dámaso, zonder dat ik me de ware reden kan verklaren. Fray Dámaso
beschuldigde hem dat hij niet biechtte: te voren biechtte hij evenmin
en toch waren ze toen goede vrienden, zooals u zich nog wel herinneren
zal. Bovendien was don Rafael een eerbaar man en rechtvaardiger in
zijn handelingen dan velen die de biecht afnemen of ter biecht gaan.
"Don Rafael hield er voor zich zelf een zeer strenge moraal op na
en wanneer hij me over die onaangenaamheden sprak zei hij altijd:
'Meneer Guevara, gelooft u dat God een misdaad vergeeft, een moord
bijvoorbeeld, alleen omdat men het aan een priester gezegd heeft, een
man die ten slotte het recht heeft om de zaak te verzwijgen en omdat
men bang is in de hel geroosterd te worden, wat ze berouw noemen? Omdat
men laf is, en maar brutaal is op assurantie? Ik heb een ander idee van
God,' zeide hij; 'voor mij wordt het eene kwaad niet met het andere
hersteld en wordt er niet vergeven om ijdele huilpartijen, evenmin
als om aalmoezen aan de kerk.' En hij gaf me dit voorbeeld: 'Als
ik een huisvader heb vermoord, als ik van een vrouw een ongelukkige
weduwe gemaakt heb en hulpelooze weezen van gelukkige kinderen, zal
ik dan aan de eeuwige gerechtigheid voldaan hebben door me te laten
ophangen, het geheim aan iemand toe te vertrouwen die het bewaren
zal door aalmoezen te geven aan de pastoors, die ze nog 't minst
noodig hebben, door de aflaat te koopen of nacht en dag te zitten
snotteren? En 't leven, dat verloren is gegaan, en de weezen? Mijn
geweten zegt me, dat ik den vermoorde zoo goed mogelijk moet vervangen,
dat ik me geheel-en-al voor mijn verdere leven aan het welzijn van
't gezin moet wijden, dat ik ongelukkig gemaakt heb. En zelfs dan nog:
Wie kan de liefde van echtgenoot of vader vergoeden?'
"Zoo redeneerde uw vader en met die strenge zedeleer trad hij
steeds op, en men kan wel zeggen dat hij nooit iemand eenig leed
heeft aangedaan. Integendeel: hij trachtte door goede werken zekere
ongerechtigheden uit te wissen, die hij zeide dat zijn voorouders
bedreven hadden. Maar om terug te komen op zijn onaangenaamheden
met den pastoor, die namen een leelijken keer: pater Dámaso maakte
toespelingen op hem van den kansel en 't was wel een wonder dat
hij hem niet met name noemde, want van zijn karakter was alles te
verwachten. Ik voorzag dat vroeg of laat de zaak kwaad zou afloopen."
De oude luitenant zweeg weer eenige oogenblikken.
"Er liep toen een gewezen kanonnier in de provincie rond, iemand die
om zijn al te groote domheid en onleerzaamheid eruitgezet was. Omdat de
man niets had om van te leven en hij zich niet aan eenige handenarbeid
mocht wijden van wege ons 'prestige' als blanken, kreeg hij van ik weet
niet wie, het baantje van gaarder van de belasting op rijtuigen. De
ongelukkige kerel had heelemaal geen opvoeding gehad en de inlanders
leerden hem gauw kennen. Voor hen is een Spanjaard die niet lezen of
schrijven kan een fenomeen. Overal werd hij voor den gek gehouden:
hij betaalde de belasting die hij inde, met beleedigingen, en hij
besefte dat hij een voorwerp van spot was. Dit maakte zijn karakter,
dat al vanzelf ruw en boosaardig was, nog erger. Ze gaven hem met
opzet geschreven bewijsjes omgekeerd, hij deed dan alsof hij lezen
kon en teekende waar hij een wit plekje zag met een paar krabbels,
die een handteekening moesten voorstellen. De inlanders betaalden
maar hielden hem voor den gek. Hij slikte alles, maar hij inde zijn
belasting en in deze stemming ontzag hij niemand. Met uw vader had
hij zelfs hoogloopende standjes gehad.
"'t Gebeurde op een dag, terwijl hij bezig was een papier dat
men hem in een winkel gegeven had te keeren en te draaien, met de
bedoeling om het recht voor zich te krijgen, dat een schooljongen zijn
kameraden naar hem wees, hem uitlachte en uitjouwde. De man hoorde
het gelach, en zag een lachje spelen op de ernstige gezichten van de
omstanders. Hij verloor zijn geduld, keerde zich snel om en begon de
jongens na te loopen, die onder 't wegloopen hem toeriepen, 'ba, be,
bi, bo, bu.' Blind van woede en niet in staat ze in te halen, smijt
hij zijn stok naar hen, en die raakt er een op 't hoofd, zoodat hij
neervalt. Daarna loopt hij op hem toe, trapt en schopt hem, en geen van
allen die hem bespot hadden, had de moed om tusschenbeide te komen. Tot
zijn ongeluk kwam uw vader daar voorbij: woedend loopt hij op den
belastinggaarder af, grijpt hem bij zijn arm en maakt hem uit voor al
wat leelijk is. De man, die zeker alles rood zag van woede heft zijn
hand op, maar uw vader gaf hem den tijd niet, en met de kracht die zijn
Baskische afkomst verraadt ...sloeg hij hem volgens sommigen; anderen
zeggen dat hij hem alleen maar een duw gaf. Maar in allen gevalle: de
man wankelde, viel eenige passen verder neer en met zijn hoofd tegen
een steen aan. Don Rafael nam kalmpjes den gewonden jongen op en bracht
hem naar de rechtbank. De gewezen kanonnier braakte bloed en kwam niet
meer bij: eenige minuten later was hij dood. Zooals natuurlijk was
kwam de justitie tusschenbeide; uw vader werd gevangen genomen en toen
verhieven zich al zijn verborgen vijanden. 't Regende van lasterlijke
aantijgingen: hij werd aangeklaagd als opstandeling (filibustero)
en als ketter. Ketter te zijn is overal een groot ongeluk, vooral in
dien tijd, toen de provincie bestuurd werd door een 'alcalde', die zich
op zijn vroomheid liet voorstaan, die met zijn bedienden hardop zijn
rozenkrans bad; misschien deed hij het opdat iedereen hem hooren en
met hem samen bidden zou. Maar filibustero is erger dan ketter en veel
erger dan drie belastinggaarders vermoord te hebben, die allen lezen
en schrijven kunnen. Iedereen viel hem af. Zijn papieren en boeken
werden in beslag genomen. Men beschuldigde hem dat hij geabonneerd
was op de _Correo de Ultrámar_ en op de kranten van Madrid, dat hij
u naar Duitsch-Zwitserland gezonden had, dat men bij hem gevonden
had brieven en een portret van een veroordeelden priester, en weet
ik wat niet al. Uit alles werden aanklachten gehaald, zelfs uit het
feit dat hij een inlandsche 'Camisa' [soort lange kabaai [5]] droeg,
terwijl hij afstammeling van echte Spanjaarden was. Als 't een ander
man was geweest, zou uw vader allicht gauw op vrije voeten gesteld
zijn, want er was een dokter die den dood van den belastinggaarder
aan een congestie toeschreef; maar zijn fortuin, zijn vertrouwen in
't gerecht en zijn haat aan alles wat niet wettig of rechtvaardig
was, brachten hem ten val. Ik zelf, al heb ik er een afkeer van om
iemands genade in te roepen, ik ging naar den Capitán-General, onzen
landvoogd vóór dezen dien we nu hebben. Ik legde hem uit dat iemand,
die iederen Spanjaard, arme of landverhuizer in zijn huis ontvangt,
hem spijst en huisvest en in wiens aderen nog het edele Spaansche
bloed bruist, onmogelijk een 'filibustero' kon wezen. Tevergeefs
stond ik er met mijn hoofd voor in, zwoer ik bij mijn armoede en
mijn militaire eer. Ik kreeg alleen gedaan, dat ik slecht ontvangen,
nog slechter weggezonden werd en den bijnaam opliep van 'Chiflado'
(niet recht wijs)."
De oude man hield op om op adem te komen, en ziende dat zijn metgezel
zweeg en naar hem luisterde zonder hem aan te kijken, ging hij voort:
"Ik bemoeide me op verzoek van uw vader met de verdediging; ik wendde
me tot den beroemden Filippijnschen advokaat, den jongen A., maar
deze weigerde zich met de zaak in te laten. 'Ik zou ze verliezen',
zei hij mij. 'Mijn verdediging zou een nieuwe aanleiding zijn voor
een aanklacht tegen hem en misschien ook tegen mij.
"'Ga u maar naar meneer M., dat is een hartstochtelijk redenaar,
iemand met een makkelijk woord, Spanjaard van geboorte en die heel
wat kan uitwerken.' Zoo deed ik, en de beroemde advokaat belastte
zich met de zaak, die hij meesterlijk en schitterend verdedigde.
"Maar er waren veel vijanden en sommigen daarvan waren verborgen en
onbekend. 't Krioelde van valsche getuigen en hun lasterpraatjes,
die elders met een enkele ironische of sarkastische opmerking van den
verdediger ontzenuwd waren geworden, werden hier dingen van beteekenis.
"Als de advokaat gedaan kreeg ze den kop in te drukken door er andere,
die daarmee in onderlingen strijd waren tegenover te stellen, kwamen er
dadelijk weer nieuwe beschuldigingen opzetten. Ze beschuldigden hem,
dat hij zich wederrechtelijk van veel gronden had meester gemaakt;
ze vroegen hem vergoeding van allerlei schade; ze zeiden, dat hij
betrekkingen onderhield met de struikroovers (_toelisan's_), om te
maken dat ze zijn velden en zijn vee met rust lieten. Ten slotte
raakte de kwestie zoo in de war, dat na een jaar niemand er meer iets
van begreep. De 'alcalde' moest er zijn baantje bij laten. Er kwam
een ander, die den naam had van rechtschapen, maar ongelukkigerwijze
bleef hij maar enkele maanden; zijn opvolger hield te veel van goede
trekpaarden.
"Het lijden, de onaangenaamheden, de ongemakken van 't
gevangenis-leven, of de smart van zooveel ondankbaren te zien,
pakten zijn ijzeren gestel zoodanig aan, dat hij de kwaal kreeg,
waaraan alleen 't graf een einde maakt. En toen alles uit zou wezen,
toen hij vrijgesproken van de aanklacht van hoogverraad en moord op
den belastinggaarder uit de gevangenis ontslagen zou worden, stierf
hij daar zonder iemand bij zich te hebben. Ik kwam juist bijtijds
genoeg om hem te zien sterven."
De oude man zweeg. Ibarra zeide geen enkel woord. Intusschen waren
ze aan de poort van de kazerne aangekomen. De militair stond stil en
hem de hand toestekende, zeide hij:
"M'n beste jongen, vraag u de bijzonderheden maar aan Capitán Tiago. En
nu, goeden nacht. Ik moet gaan kijken of er niets bijzonders is."
Ibarra drukte hartelijk, maar zwijgend de magere hand en stil volgde
hij hem met de oogen tot hij uit het gezicht verdween.
Hij keerde langzaam terug en zag een rijtuig voorbijkomen. Hij gaf
een teeken aan den koetsier.
"Hôtel de Lala!" zeide hij nauw hoorbaar.
"Die komt zeker uit het cachot," dacht de koetsier, terwijl hij een
zweepslag aan de paarden gaf.