1. Onder de opvolgers van keizer Julianus ontstond de groote
volksverhuizing, die haar uitgangspunt in 't binnenste van Azië had en
zich door Europa, ja zelfs tot Afrika uitstrekte. Reeds sedert langen
tijd waren de volken aan de grenzen van het Chineesche rijk in beweging
geraakt. De Chineezen zelf hadden zich van de oudheid af zeer afgesloten
gehouden, weshalve zij ook tegen hunne noordelijke naburen een
monsterachtigen muur oprichtten. Daardoor bleven zij, ofschoon zij in
nijverheid en kunsten zeer bekwaam zijn, altijd op een eenzijdig en
beperkt standpunt, tot zij eindelijk het verkeer met vreemde volken niet
meer uitsluiten konden en zoo voor den algemeenen voortgang der
beschaving gewonnen werden.
In het noorden van China leefden de +Hunnen+, een barbaarsch
herdersvolk, dat overal vrees teweegbracht. De lieden waren klein en
dik, met breede schouders en groot hoofd. Zij kleedden zich in
dierenvellen en leefden geheel in de vrije natuur. Huizen meden zij als
graven. Dag en nacht zaten zij op hunne leelijke paarden, die echter
het loopen zeer lang volhielden. Zij leefden van de wortels van wilde
kruiden, of van rauw vleesch, dat zij door rijden zacht maakten. Oorlog
was hun grootste lust.
Toen zij in 375 hunne steppenlanden verlieten en in Europa verschenen,
stieten zij op Germaansche volken, eerst op de +Alanen+, die tusschen de
Wolga en den Don woonden. Daar dezen zich tegen de wilde horden niet
verdedigen konden, sloten zij zich bij hen aan en trokken meê tegen de
+Gothen+, die de landen tusschen de Zwarte zee en de oevers van den
Weichsel tot aan de Oostzee bezaten, en zich in Oost- en West-Gothen
onderscheidden. De Oostgothen, eerst opgejaagd, wierpen zich op de
Westgothen, en dezen wendden zich tot +Valens+, den bestuurder der
oostelijke provinciën van 't Romeinsche rijk, die hun woonplaatsen
binnen den Donau toestond. Toen zij echter tijdens een hongersnood door
de keizerlijke beambten slecht behandeld werden, verhieven zij zich tot
een vreeselijken kamp, waarin ook Valens viel, bij Hadrianopel 378.
Reeds stonden de zegevierende Westgothen onder de muren van
Constantinopel en dreigden met schrikkelijke verwoesting. Toen kwam de
nieuw gekozen keizer +Theodosius+ ijlings aanzetten en bemiddelde den
vrede. De Gothen kregen Thracië, in 't oosten van Turkije, en verbonden
zich daarvoor, den keizer 40.000 man hulptroepen te leveren. Van nu af
dienden altijd Gothen, grootendeels onder eigene bevelhebbers, in het
Romeinsche leger, en kregen zelfs de aanzienlijkste plaatsen.
Kort vóór zijn dood, in het jaar 395, deelde Theodosius het Romeinsche
rijk tusschen zijne beide zonen +Honorius+ en +Arcadius+, zoodat de
eerste de westelijke provinciën met de hoofdstad Rome, de ander
de oostelijke met Constantinopel kreeg. Van nu aan was er een
+West-Romeinsch+ of +Latijnsch+ en een +Oost-Romeinsch+ of +Grieksch+ of
+Byzantijnsch+ keizerrijk. Daar de beide keizers nog zeer jong waren,
heerschten in hunne plaats ministers, die elkander echter wederkeerig
haatten en bestreden. Daardoor werd de wanorde in het rijk nog grooter.
Het kwam eindelijk zoo ver, dat het hof te Constantinopel den
krijgshaftigen koning der Westgothen, +Alarik+, tot een inval in Italië
aanspoorde. Dat was het begin van het einde der Romeinsche heerlijkheid.
2. Alarik trok -- omstreeks 400 -- aan het hoofd zijner Gothen
verwoestend door Griekenland en van daar naar Italië. In dezen
algemeenen nood vermanden zich de Romeinen onder leiding van +Stilico+
tot een ernstigen tegenstand. Alarik trok zich naar Illyrië terug. Zijn
inval in 't Romeinsche rijk had echter in geheel Europa het grootste
opzien gebaard en andere volken tot dergelijke tochten aangemoedigd.
De dappere Stilico beschermde nog het rijk. Maar toen hij door zijn
wantrouwenden keizer, met wiens dochter hij gehuwd was, ter dood
gebracht werd, verscheen Alarik weêr en sloeg zijne legerplaats op in
't gezicht van Rome. De groote stad, die sedert Hannibals tijden geen
vijand voor hare poorten gezien had, sidderde voor de Duitsche
legerscharen en vroeg om vredesonderhandelingen. Alarik eischte eerst al
het goud en zilver der stad; maar later liet hij zich met 5000 pond goud
en 30000 pond zilver tevreden stellen.
Keizer Honorius, die gevlucht was, wilde het verdrag, dat de Romeinen
met Alarik gesloten hadden, niet laten gelden. Toen keerde deze naar
Rome terug en stelde een anderen keizer aan. Maar later onderhandelde
Alarik weêr met Honorius, en eischte bijzonder, dat zijn volk vaste
woonplaatsen zouden worden ingeruimd. Toen dit vergeefsch was, trok
Alarik ten derden male tegen Rome op. Hij nam de stad stormenderhand en
liet haar zijn volk ter plundering over. Het was in het jaar 410,
ongeveer 800 jaar na de eerste verwoesting van Rome door de Galliërs,
en de trotsche stad, waar sedert 1000 jaar ongehoorde schatten
samengebracht waren, viel nu als buit in de macht van een "barbaarsch"
volk. Maar gedurende hunne driedaagsche plundering gingen de Gothen zeer
verschoonend te werk, zoodat zij zich zeer gunstig onderscheidden van de
Romeinen, die eenmaal in Karthago zoo vreeselijk huisgehouden hadden.
Alarik bleef maar weinige dagen in Rome. Zijn plan was, eerst Sicilië te
veroveren en dan naar Afrika te gaan. Toen overviel hem plotseling de
dood te Cosenza in beneden-Italië. De treurende Gothen hielden een zeer
plechtige begrafenis. Zij leidden de rivier Busento af, begroeven in
haar bedding Alarik met groote eerbewijzen, en lieten toen het water
zijn vorigen loop weêr, opdat niemand de plaats zou vinden, waar de
groote held der Gothen zijne rust gevonden had.
3. Tot opvolger van Alarik werd zijn zwager, +Athaulf+ of +Adolf+,
gekozen. Deze verzoende zich met keizer Honorius, huwde diens zuster en
verliet met de Gothen het verwoeste Italië, om naar Frankrijk en Spanje
te trekken. In beide landen aan deze en gene zijde der Pyrenaeën
ontstond een west-Gothisch rijk, dat tot groote macht geraakte.
De oorlogen in Italië hadden de Romeinen gedwongen, hunne troepen uit de
provinciën terug te roepen. Daardoor ging het eene land na het andere
verloren en wel meestal aan Duitsche volkeren. De +Vandalen+ trokken van
het Reuzengebergte door Duitschland en Gallië naar Spanje, en eindelijk
onder hun koning Geiserik naar Afrika, waar zij een groot rijk met
de hoofdstad Karthago stichtten, 429. De Bourgondiërs hadden zich
intusschen aan den boven-Rijn neêrgezet en bezaten een tijd lang de stad
Worms. Het noordwestelijk Gallië werd door de +Franken+ ingenomen en
naar hen +Frankrijk+ genoemd. Reeds ten tijde van Julianus den afvallige
hadden zij zich aan den beneden-Rijn gevestigd, nu breidden zij zich van
daar uit tot aan de Loire en vestigden een aantal kleine rijken. Doornik
was een hunner hoofdzetels, later ook Soissons. Ook +Brittannië+ werd
door Duitsche volken, de +Angelen+, +Saksen+, en +Jutten+, in bezit
genomen. Het veroverde land kreeg den naam +Angelland+ of +Engeland+.
Terwijl zoo het eene deel na het andere van het Romeinsche rijk
afgescheurd werd, kwamen de Hunnen, die middelerwijl tusschen Wolga en
Donau gehuisd hadden, met de oude en nieuwe bewoners der Romeinsche
provinciën in altijd nadere beroering en brachten een groot gevaar voor
allen.
4. De Hunnen waren omstreeks het jaar 450 door hun stouten aanvoerder
+Attila+ of Etzel tot een groot geheel vereenigd en daardoor tot een
machtig krijgsvolk verheven. Attila was klein van gestalte, maar
ijzervast in lichaams- en wilskracht. Als hij de kleine fonkelende oogen
rolde, overviel ook den dappersten een siddering. Zijn hoofdlegerplaats
was in Hongarijë, waar hij in een houten tent de vreemde gezanten
ontving.
Hij werd niet anders genoemd dan +Godegisel+, d. i. geesel Gods tot
tuchtiging der wereld. Voor dezen geesel beefden de volkeren allerwege.
Eerst keerde Attila zijn zwaard tegen de oostelijke provinciën en
plunderde ze op schrikkelijke wijze. De keizer te Constantinopel
sidderde en verbond zich, hem eene jaarlijksche schatting van 2000 pond
goud te betalen. Nu keerde Attila zijn zwaard tegen het westen. In den
winter van het jaar 450 brak de Hunnenheld aan het hoofd van een half
millioen strijders uit zijne legerplaats in Hongarije op en trok, alles
verwoestend, naar den Rijn. Hier traden hem de Bourgondiërs te gemoet;
zij bezweken echter voor de talrijke horden. Even weinig vermochten de
Franken en andere Duitsche volken een grooten tegenstand te bieden.
De schoonste steden, die reeds door de Romeinen gesticht waren, als
Spiers, Worms, Mainz, Straatsburg, werden met den grond gelijk gemaakt.
Het sterke Metz viel na een korten tegenstand in handen der ruwe
overwinnaars. Trier werd voor de vijfde maal verwoest. Reeds stonden
de Hunnen voor Orleans. Toen kwam er hulp.
De Romeinsche veldheer +Aëtius+ had zich met +Theodorik+, koning der
Westgothen, verbonden en verscheidene Duitsche volkeren te hulp
geroepen. Dit vereenigde leger trad Attila stout te gemoet. Op de
+Catalaunische velden+ aan de Marne, bij het tegenwoordige +Chalons+,
begon de volkenslag, waarin Attila voor het eerst geslagen werd. Omtrent
200000 menschen waren gevallen. De vorst der Hunnen trok naar Hongarijë
terug.
Reeds in het volgende jaar had Attila evenwel een nieuw leger bijeen.
Daardoor stout gemaakt, eischte hij herhaaldelijk de hand van Honoria,
de zuster van keizer Valentinianus III. Toen deze hem geweigerd werd,
viel hij in Italië. Hij veroverde en verwoestte de belangrijke
handelsstad Aquileja aan de Adriatische golf. Hare bewoners vluchtten,
gelijk de Tyriërs, op de vele kleine eilanden der zee en stichtten daar
het later zoo beroemde +Venetië+. Intusschen verwoestte Attila de steden
Verona, Milaan en vele andere, en trok naar Rome. De beangste hoofdstad
vroeg een wapenstilstand, terwijl zij een gezantschap met den bisschop
+Leo+ aan het hoofd naar Attila zond. Deze liet zich door de betaling
eener geldsom tot den aftocht bewegen, en keerde met zijne horden naar
Hongarijë terug. Het was zijn laatste legertocht, want hij stierf reeds
in 't jaar 453.
De dood van Attila bevrijdde de wereld van een vreeselijken geesel. De
zonen van den stouten hoofdman konden de macht der Hunnen niet staande
houden. De onderworpene volken maakten zich onafhankelijk en tastten
ook hunne oude onderdrukkers aan, die zich eindelijk aan de Wolga
terugtrokken en onder andere volken verloren. In hunne plaats zetten
zich in Hongarijë de Oostgothen en Langobarden neêr, die echter spoedig
naar Italië opbraken en hier nieuwe rijken stichtten. Daarmeê had de
volksverhuizing haar einde bereikt.