24. De volksverhuizing. -- 375.

1. Onder de opvolgers van keizer Julianus ontstond de groote

volksverhuizing, die haar uitgangspunt in 't binnenste van Azië had en

zich door Europa, ja zelfs tot Afrika uitstrekte. Reeds sedert langen

tijd waren de volken aan de grenzen van het Chineesche rijk in beweging

geraakt. De Chineezen zelf hadden zich van de oudheid af zeer afgesloten

gehouden, weshalve zij ook tegen hunne noordelijke naburen een

monsterachtigen muur oprichtten. Daardoor bleven zij, ofschoon zij in

nijverheid en kunsten zeer bekwaam zijn, altijd op een eenzijdig en

beperkt standpunt, tot zij eindelijk het verkeer met vreemde volken niet

meer uitsluiten konden en zoo voor den algemeenen voortgang der

beschaving gewonnen werden.

In het noorden van China leefden de +Hunnen+, een barbaarsch

herdersvolk, dat overal vrees teweegbracht. De lieden waren klein en

dik, met breede schouders en groot hoofd. Zij kleedden zich in

dierenvellen en leefden geheel in de vrije natuur. Huizen meden zij als

graven. Dag en nacht zaten zij op hunne leelijke paarden, die echter

het loopen zeer lang volhielden. Zij leefden van de wortels van wilde

kruiden, of van rauw vleesch, dat zij door rijden zacht maakten. Oorlog

was hun grootste lust.

Toen zij in 375 hunne steppenlanden verlieten en in Europa verschenen,

stieten zij op Germaansche volken, eerst op de +Alanen+, die tusschen de

Wolga en den Don woonden. Daar dezen zich tegen de wilde horden niet

verdedigen konden, sloten zij zich bij hen aan en trokken meê tegen de

+Gothen+, die de landen tusschen de Zwarte zee en de oevers van den

Weichsel tot aan de Oostzee bezaten, en zich in Oost- en West-Gothen

onderscheidden. De Oostgothen, eerst opgejaagd, wierpen zich op de

Westgothen, en dezen wendden zich tot +Valens+, den bestuurder der

oostelijke provinciën van 't Romeinsche rijk, die hun woonplaatsen

binnen den Donau toestond. Toen zij echter tijdens een hongersnood door

de keizerlijke beambten slecht behandeld werden, verhieven zij zich tot

een vreeselijken kamp, waarin ook Valens viel, bij Hadrianopel 378.

Reeds stonden de zegevierende Westgothen onder de muren van

Constantinopel en dreigden met schrikkelijke verwoesting. Toen kwam de

nieuw gekozen keizer +Theodosius+ ijlings aanzetten en bemiddelde den

vrede. De Gothen kregen Thracië, in 't oosten van Turkije, en verbonden

zich daarvoor, den keizer 40.000 man hulptroepen te leveren. Van nu af

dienden altijd Gothen, grootendeels onder eigene bevelhebbers, in het

Romeinsche leger, en kregen zelfs de aanzienlijkste plaatsen.

Kort vóór zijn dood, in het jaar 395, deelde Theodosius het Romeinsche

rijk tusschen zijne beide zonen +Honorius+ en +Arcadius+, zoodat de

eerste de westelijke provinciën met de hoofdstad Rome, de ander

de oostelijke met Constantinopel kreeg. Van nu aan was er een

+West-Romeinsch+ of +Latijnsch+ en een +Oost-Romeinsch+ of +Grieksch+ of

+Byzantijnsch+ keizerrijk. Daar de beide keizers nog zeer jong waren,

heerschten in hunne plaats ministers, die elkander echter wederkeerig

haatten en bestreden. Daardoor werd de wanorde in het rijk nog grooter.

Het kwam eindelijk zoo ver, dat het hof te Constantinopel den

krijgshaftigen koning der Westgothen, +Alarik+, tot een inval in Italië

aanspoorde. Dat was het begin van het einde der Romeinsche heerlijkheid.

2. Alarik trok -- omstreeks 400 -- aan het hoofd zijner Gothen

verwoestend door Griekenland en van daar naar Italië. In dezen

algemeenen nood vermanden zich de Romeinen onder leiding van +Stilico+

tot een ernstigen tegenstand. Alarik trok zich naar Illyrië terug. Zijn

inval in 't Romeinsche rijk had echter in geheel Europa het grootste

opzien gebaard en andere volken tot dergelijke tochten aangemoedigd.

De dappere Stilico beschermde nog het rijk. Maar toen hij door zijn

wantrouwenden keizer, met wiens dochter hij gehuwd was, ter dood

gebracht werd, verscheen Alarik weêr en sloeg zijne legerplaats op in

't gezicht van Rome. De groote stad, die sedert Hannibals tijden geen

vijand voor hare poorten gezien had, sidderde voor de Duitsche

legerscharen en vroeg om vredesonderhandelingen. Alarik eischte eerst al

het goud en zilver der stad; maar later liet hij zich met 5000 pond goud

en 30000 pond zilver tevreden stellen.

Keizer Honorius, die gevlucht was, wilde het verdrag, dat de Romeinen

met Alarik gesloten hadden, niet laten gelden. Toen keerde deze naar

Rome terug en stelde een anderen keizer aan. Maar later onderhandelde

Alarik weêr met Honorius, en eischte bijzonder, dat zijn volk vaste

woonplaatsen zouden worden ingeruimd. Toen dit vergeefsch was, trok

Alarik ten derden male tegen Rome op. Hij nam de stad stormenderhand en

liet haar zijn volk ter plundering over. Het was in het jaar 410,

ongeveer 800 jaar na de eerste verwoesting van Rome door de Galliërs,

en de trotsche stad, waar sedert 1000 jaar ongehoorde schatten

samengebracht waren, viel nu als buit in de macht van een "barbaarsch"

volk. Maar gedurende hunne driedaagsche plundering gingen de Gothen zeer

verschoonend te werk, zoodat zij zich zeer gunstig onderscheidden van de

Romeinen, die eenmaal in Karthago zoo vreeselijk huisgehouden hadden.

Alarik bleef maar weinige dagen in Rome. Zijn plan was, eerst Sicilië te

veroveren en dan naar Afrika te gaan. Toen overviel hem plotseling de

dood te Cosenza in beneden-Italië. De treurende Gothen hielden een zeer

plechtige begrafenis. Zij leidden de rivier Busento af, begroeven in

haar bedding Alarik met groote eerbewijzen, en lieten toen het water

zijn vorigen loop weêr, opdat niemand de plaats zou vinden, waar de

groote held der Gothen zijne rust gevonden had.

3. Tot opvolger van Alarik werd zijn zwager, +Athaulf+ of +Adolf+,

gekozen. Deze verzoende zich met keizer Honorius, huwde diens zuster en

verliet met de Gothen het verwoeste Italië, om naar Frankrijk en Spanje

te trekken. In beide landen aan deze en gene zijde der Pyrenaeën

ontstond een west-Gothisch rijk, dat tot groote macht geraakte.

De oorlogen in Italië hadden de Romeinen gedwongen, hunne troepen uit de

provinciën terug te roepen. Daardoor ging het eene land na het andere

verloren en wel meestal aan Duitsche volkeren. De +Vandalen+ trokken van

het Reuzengebergte door Duitschland en Gallië naar Spanje, en eindelijk

onder hun koning Geiserik naar Afrika, waar zij een groot rijk met

de hoofdstad Karthago stichtten, 429. De Bourgondiërs hadden zich

intusschen aan den boven-Rijn neêrgezet en bezaten een tijd lang de stad

Worms. Het noordwestelijk Gallië werd door de +Franken+ ingenomen en

naar hen +Frankrijk+ genoemd. Reeds ten tijde van Julianus den afvallige

hadden zij zich aan den beneden-Rijn gevestigd, nu breidden zij zich van

daar uit tot aan de Loire en vestigden een aantal kleine rijken. Doornik

was een hunner hoofdzetels, later ook Soissons. Ook +Brittannië+ werd

door Duitsche volken, de +Angelen+, +Saksen+, en +Jutten+, in bezit

genomen. Het veroverde land kreeg den naam +Angelland+ of +Engeland+.

Terwijl zoo het eene deel na het andere van het Romeinsche rijk

afgescheurd werd, kwamen de Hunnen, die middelerwijl tusschen Wolga en

Donau gehuisd hadden, met de oude en nieuwe bewoners der Romeinsche

provinciën in altijd nadere beroering en brachten een groot gevaar voor

allen.

4. De Hunnen waren omstreeks het jaar 450 door hun stouten aanvoerder

+Attila+ of Etzel tot een groot geheel vereenigd en daardoor tot een

machtig krijgsvolk verheven. Attila was klein van gestalte, maar

ijzervast in lichaams- en wilskracht. Als hij de kleine fonkelende oogen

rolde, overviel ook den dappersten een siddering. Zijn hoofdlegerplaats

was in Hongarijë, waar hij in een houten tent de vreemde gezanten

ontving.

Hij werd niet anders genoemd dan +Godegisel+, d. i. geesel Gods tot

tuchtiging der wereld. Voor dezen geesel beefden de volkeren allerwege.

Eerst keerde Attila zijn zwaard tegen de oostelijke provinciën en

plunderde ze op schrikkelijke wijze. De keizer te Constantinopel

sidderde en verbond zich, hem eene jaarlijksche schatting van 2000 pond

goud te betalen. Nu keerde Attila zijn zwaard tegen het westen. In den

winter van het jaar 450 brak de Hunnenheld aan het hoofd van een half

millioen strijders uit zijne legerplaats in Hongarije op en trok, alles

verwoestend, naar den Rijn. Hier traden hem de Bourgondiërs te gemoet;

zij bezweken echter voor de talrijke horden. Even weinig vermochten de

Franken en andere Duitsche volken een grooten tegenstand te bieden.

De schoonste steden, die reeds door de Romeinen gesticht waren, als

Spiers, Worms, Mainz, Straatsburg, werden met den grond gelijk gemaakt.

Het sterke Metz viel na een korten tegenstand in handen der ruwe

overwinnaars. Trier werd voor de vijfde maal verwoest. Reeds stonden

de Hunnen voor Orleans. Toen kwam er hulp.

De Romeinsche veldheer +Aëtius+ had zich met +Theodorik+, koning der

Westgothen, verbonden en verscheidene Duitsche volkeren te hulp

geroepen. Dit vereenigde leger trad Attila stout te gemoet. Op de

+Catalaunische velden+ aan de Marne, bij het tegenwoordige +Chalons+,

begon de volkenslag, waarin Attila voor het eerst geslagen werd. Omtrent

200000 menschen waren gevallen. De vorst der Hunnen trok naar Hongarijë

terug.

Reeds in het volgende jaar had Attila evenwel een nieuw leger bijeen.

Daardoor stout gemaakt, eischte hij herhaaldelijk de hand van Honoria,

de zuster van keizer Valentinianus III. Toen deze hem geweigerd werd,

viel hij in Italië. Hij veroverde en verwoestte de belangrijke

handelsstad Aquileja aan de Adriatische golf. Hare bewoners vluchtten,

gelijk de Tyriërs, op de vele kleine eilanden der zee en stichtten daar

het later zoo beroemde +Venetië+. Intusschen verwoestte Attila de steden

Verona, Milaan en vele andere, en trok naar Rome. De beangste hoofdstad

vroeg een wapenstilstand, terwijl zij een gezantschap met den bisschop

+Leo+ aan het hoofd naar Attila zond. Deze liet zich door de betaling

eener geldsom tot den aftocht bewegen, en keerde met zijne horden naar

Hongarijë terug. Het was zijn laatste legertocht, want hij stierf reeds

in 't jaar 453.

De dood van Attila bevrijdde de wereld van een vreeselijken geesel. De

zonen van den stouten hoofdman konden de macht der Hunnen niet staande

houden. De onderworpene volken maakten zich onafhankelijk en tastten

ook hunne oude onderdrukkers aan, die zich eindelijk aan de Wolga

terugtrokken en onder andere volken verloren. In hunne plaats zetten

zich in Hongarijë de Oostgothen en Langobarden neêr, die echter spoedig

naar Italië opbraken en hier nieuwe rijken stichtten. Daarmeê had de

volksverhuizing haar einde bereikt.

Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid · 第 28 / 33 题