23. Constantijn, de eerste Christenkeizer.

1. Door keizer Diocletianus (300), die een energiek man was, had het

Romeinsche rijk eene nieuwe inrichting van 't bestuur gekregen. Daar hij

inzag, dat één enkel vorst het zoo uitgebreide landgebied niet goed

beheerschen kon, benoemde hij mederegenten, van welken er een in Trier

woonde en Constantius heette. Deze man was wijs en toonde zich den

christenen genegen. Zijn zoon +Constantijn+ was zulks nog meer. Even na

den dood van Diocletianus in 't Oosten, volgde Constantijn zijn vader

op in Trier, en binnen eenige jaren had deze al zijne mederegenten

overwonnen en zich dus tot alleenheerscher in het geheele groote rijk

opgewerkt (323). Hij begunstigde het christendom op in 't oog loopende

wijze. Inderdaad dacht hij in 't begin slechts daaraan, dat de

christenen hem in den strijd tegen de medekeizers krachtig konden

ondersteunen. Ook bleef hij nog heiden en was zelf heidensch

opperpriester. Daarentegen spreidde zijne moeder Helena een grooten

ijver voor de nieuwe leer ten toon. Zij liet in Palestina de plaatsen,

die den christenen heilig waren, weêr opzoeken en met prachtige tempels

tooien. Het christendom was van een vervolgden godsdienst tot een

heerschenden geworden. Hoewel altijd nog heiden, beheerschte Constantijn

toch de kerkelijke aangelegenheden der christenen, en schreef ook

de eerste algemeene kerkvergadering voor, die in 325 te Nicaea in

Klein-Azië plaats vond en aan vele twisten een einde maakte. Eene

belangrijke daad van Constantijn was de stichting eener nieuwe

hoofdstad. Hij verplaatste zijne residentie naar Byzantium (blz. 32),

dat hij Nieuw-Rome noemde, maar later den naam Constantinopolis of

+Constantinopel+, d. i. Constantijnsstad, kreeg. De uitstekende ligging

dezer nieuwe hoofdstad lokte eene groote bevolking. Toen ook de

kunstschatten van Azië, Griekenland en Italië aan Konstantinopel

toevloeiden, zonk het oude Rome altijd meer in vergelijking met het

nieuwe.

Constantijn had zijn' doop uitgesteld tot tegen zijn naderend

levenseinde, daar hij meende, dat deze alle vooraf begane zonden

afwiesch. Toen hij, 65 jaren oud, in eene zware ziekte verviel, liet

hij zich eindelijk doopen, en stierf toen weinige dagen daarna (337).

2. De wreedheid, die Constantijn tegen zijne naaste verwanten geoefend

had, had zich op zijn zoon +Constantius+ overgedragen. Deze liet zijne

medeërvende broeders en neven met andere bloedverwanten uit den weg

ruimen en wierp zich op als alleenheerscher. Dat hij, de eerste keizer,

die christelijk opgevoed was, eene vervolging der heidenen verordende,

mag niet onvermeld blijven. Toen hij zich in zijne slechte regeering

niet meer alleen handhaven kon, riep hij zijn neef +Julianus+, die in

Athene was, tot zich en droeg hem weldra de heerschappij in Gallië over.

Julianus, een beschaafd en dapper man, werkte in Gallië gelijk eenmaal

Caesar, herstelde overal rust en orde en verwierf zich de liefde van

leger en volk. Daarop ijverzuchtig, verlangde Constantius, dat Julianus

hem de beste troepen zou uitleveren. Toen begreep deze, wat hem te

wachten stond, en ras besloten, rukte hij met zijne soldaten, die hem in

Parijs tot keizer kozen, tegen Constantius op, die echter reeds vóór den

strijd stierf. Nu was Julianus alleen keizer en toonde zich gedurende

zijne korte regeering, die slechts 20 maanden duurde, zeer werkzaam,

spaarzaam en rein van zeden. Daar hij van christelijke leeraars veel

geleden en in 't algemeen geen goed begrip van den nieuwen godsdienst

gekregen had, keerde hij zich tot het heidendom, tengevolge waarvan hij

"de afvallige" genoemd werd. Toch moet opgemerkt worden, dat Julianus

geen vervolging der christenen duldde, en dat hij steeds met goedheid en

verschooning te werk ging. In een oorlog tegen de Perzen viel hij, door

een pijl getroffen, 32 jaar oud. -- 363.

Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid · 第 27 / 33 题