1. Door keizer Diocletianus (300), die een energiek man was, had het
Romeinsche rijk eene nieuwe inrichting van 't bestuur gekregen. Daar hij
inzag, dat één enkel vorst het zoo uitgebreide landgebied niet goed
beheerschen kon, benoemde hij mederegenten, van welken er een in Trier
woonde en Constantius heette. Deze man was wijs en toonde zich den
christenen genegen. Zijn zoon +Constantijn+ was zulks nog meer. Even na
den dood van Diocletianus in 't Oosten, volgde Constantijn zijn vader
op in Trier, en binnen eenige jaren had deze al zijne mederegenten
overwonnen en zich dus tot alleenheerscher in het geheele groote rijk
opgewerkt (323). Hij begunstigde het christendom op in 't oog loopende
wijze. Inderdaad dacht hij in 't begin slechts daaraan, dat de
christenen hem in den strijd tegen de medekeizers krachtig konden
ondersteunen. Ook bleef hij nog heiden en was zelf heidensch
opperpriester. Daarentegen spreidde zijne moeder Helena een grooten
ijver voor de nieuwe leer ten toon. Zij liet in Palestina de plaatsen,
die den christenen heilig waren, weêr opzoeken en met prachtige tempels
tooien. Het christendom was van een vervolgden godsdienst tot een
heerschenden geworden. Hoewel altijd nog heiden, beheerschte Constantijn
toch de kerkelijke aangelegenheden der christenen, en schreef ook
de eerste algemeene kerkvergadering voor, die in 325 te Nicaea in
Klein-Azië plaats vond en aan vele twisten een einde maakte. Eene
belangrijke daad van Constantijn was de stichting eener nieuwe
hoofdstad. Hij verplaatste zijne residentie naar Byzantium (blz. 32),
dat hij Nieuw-Rome noemde, maar later den naam Constantinopolis of
+Constantinopel+, d. i. Constantijnsstad, kreeg. De uitstekende ligging
dezer nieuwe hoofdstad lokte eene groote bevolking. Toen ook de
kunstschatten van Azië, Griekenland en Italië aan Konstantinopel
toevloeiden, zonk het oude Rome altijd meer in vergelijking met het
nieuwe.
Constantijn had zijn' doop uitgesteld tot tegen zijn naderend
levenseinde, daar hij meende, dat deze alle vooraf begane zonden
afwiesch. Toen hij, 65 jaren oud, in eene zware ziekte verviel, liet
hij zich eindelijk doopen, en stierf toen weinige dagen daarna (337).
2. De wreedheid, die Constantijn tegen zijne naaste verwanten geoefend
had, had zich op zijn zoon +Constantius+ overgedragen. Deze liet zijne
medeërvende broeders en neven met andere bloedverwanten uit den weg
ruimen en wierp zich op als alleenheerscher. Dat hij, de eerste keizer,
die christelijk opgevoed was, eene vervolging der heidenen verordende,
mag niet onvermeld blijven. Toen hij zich in zijne slechte regeering
niet meer alleen handhaven kon, riep hij zijn neef +Julianus+, die in
Athene was, tot zich en droeg hem weldra de heerschappij in Gallië over.
Julianus, een beschaafd en dapper man, werkte in Gallië gelijk eenmaal
Caesar, herstelde overal rust en orde en verwierf zich de liefde van
leger en volk. Daarop ijverzuchtig, verlangde Constantius, dat Julianus
hem de beste troepen zou uitleveren. Toen begreep deze, wat hem te
wachten stond, en ras besloten, rukte hij met zijne soldaten, die hem in
Parijs tot keizer kozen, tegen Constantius op, die echter reeds vóór den
strijd stierf. Nu was Julianus alleen keizer en toonde zich gedurende
zijne korte regeering, die slechts 20 maanden duurde, zeer werkzaam,
spaarzaam en rein van zeden. Daar hij van christelijke leeraars veel
geleden en in 't algemeen geen goed begrip van den nieuwen godsdienst
gekregen had, keerde hij zich tot het heidendom, tengevolge waarvan hij
"de afvallige" genoemd werd. Toch moet opgemerkt worden, dat Julianus
geen vervolging der christenen duldde, en dat hij steeds met goedheid en
verschooning te werk ging. In een oorlog tegen de Perzen viel hij, door
een pijl getroffen, 32 jaar oud. -- 363.